Luo Guanzhong: „Die drei Reiche“ – Von Katharina Borchardt

Der Han-Kaiser weinte bitterlich, als man ihm nahelegte abzutreten. So erzählt es Luo Guanzhong in seinem Epos „Die drei Reiche“. Gut eintausend Seiten lang schildert er hingebungsvoll die inneren Kämpfe der zerfallenden Han-Dynastie, die aufgrund von Intrigen innerhalb des Palastes und Aufständen in einem immens großen Reich untergehen musste. „Seit jeher muss das, was aufsteigt, niedergehen“, teilt man dem niedergeschlagenen Kaiser mit, es „muss das, was blüht, verwesen.“ Die Han-Dynastie erlebte in ihren 400 Jahren in der Tat eine lange Blüte und eine rasche Verwesung: Nach einem entsetzlichen Bürgerkrieg, in dessen Verlauf die Bevölkerung auf ein Viertel schrumpfte, war es schließlich mit ihr vorbei. Das riesige Reich zerfiel in drei Folgestaaten: Wei im Norden, Shu im Südwesten und Wu im Südosten.

https://www.deutschlandfunkkultur.de/luo-guanzhong-die-drei-reiche-eine-reise-zur-kultur-asiens-100.html

#China #DieDreiReiche #DLFKultur #Epos #Geschichte #HanDynastie #KatharinaBorchardt #Literatur #LuoGuanzhong #Schriftsteller

Luo Guanzhong: "Die drei Reiche" - Eine Reise zur Kultur Asiens

Über 1700 Seiten umfassen die zwei Bände des Dichters Luo Guanzhong, dem die Autorschaft von "Die drei Reiche" zugeschrieben wird. Ein Mammutwerk, das nun auf Deutsch vorliegt - und als Schlüssel zur chinesischen Kultur gilt.

Deutschlandfunk Kultur

De ruimtelijke grenzen van de Oudheid (2)

Een Centraal-Aziatische muzikant voor zijn joert (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

In het vorige blogje vertelde ik, kort door de bocht, waarom de oudheidkunde zich nogal eens beperkt tot het Middellandse Zee-gebied, met op z’n best de Bronstijd van Voor-Azië en Egypte erbij. Ik legde uit dat het historisch zo is gegroeid omdat men de vraag stelde waar “onze” cultuur vandaan kwam. Dat Japan en Precolumbiaans Amerika in dit antwoord werden genegeerd, lag voor de hand. Ik legde ook uit dat wat historisch is gegroeid, daarmee niet is gerechtvaardigd. Het antwoord is immers niet wetenschappelijk te onderbouwen: West-Europeanen zijn, om zo te zeggen, breder geworteld dan in Griekenland en Rome.

Maatschappijtypen

De vraag naar het ontstaan van de eigen cultuur is vanzelfsprekend legitiem, maar we gaan er inmiddels anders mee om dan vroeger. Toen keken we hoe culturen van oud tot recent groeiden. Geschiedenis was ontstaansgeschiedenis. Je kunt echter ook kijken naar wat een gegeven maatschappij op een gegeven moment in potentie zou kunnen – denk aan het technologisch peil, handelsnetwerken, scholing… – en naar wat ze feitelijk doet. Geschiedenis is dan geen ontstaansgeschiedenis maar gaat over functioneren. Deze benadering impliceert dat je de bestudering van het verleden niet inricht naar ruimtelijk begrensde culturen als “Grieks”, “Egyptisch”, “Indisch” of “Chinees”, maar naar maatschappijtypen.

Deze benadering is vanzelfsprekend niet nieuw. Ze dateert uit de achttiende eeuw; ik blogde al eens over Turgot en De Condorcet. Sindsdien is ze uitgewerkt en hoewel er dwaalwegen zijn geweest, kan iedereen met vrucht kennisnemen van bijvoorbeeld Elman Service en Morton Fried. Ik blogde ook daar al eens over. Of kijk naar de praktijk van dit soort onderzoek: vergelijk het Romeinse Rijk met Han-China en kijk hoe imperia die in menig opzicht vergelijkbaar waren, verschillende keuzes maakten. In die keuzes toonden ze wie ze waren en dat kun je vergelijken met wie wij denken te zijn. Zo win je aan zelfinzicht.

Zo kan het dus ook. In Nederland heeft zo’n naar maatschappijtype verdeelde universitaire studie bestaan in Rotterdam. Aan de subfaculteit Maatschappijgeschiedenis kon samenkomen wat samen hoorde: de hellenistische filosofie met de Indische wijsbegeerte, of de gelijktijdigheid van verhaalmotieven in Arabië en Britannië. Waarom die subfaculteit niet meer in die vorm bestaat, weet ik niet, maar als iemand zou zeggen dat ze is gesneuveld toen de BaMa-structuur werd ingevoerd, zou ik het geloven.

Hyperspecialisme

Maar je hoeft natuurlijk geen nieuwe subfaculteit op te richten als je de Oudheid wil bekijken als maatschappijtype. Je kunt ook de bestaande structuren aanpassen. Voor minimaal twee van de drie wettelijke taken van de universiteit zou dat een verbetering zijn, namelijk voor het onderwijs en voor de overdracht. Wie studenten of geïnteresseerden de specifieke keuzes van bijvoorbeeld het Romeinse bestuur wil uitleggen, moet het imperium kunnen vergelijken met andere agrarische rijken. De docent en de wetenschapscommunicator zouden dus liever een verdeling hebben naar maatschappijtype dan de huidige organisatie naar culturen (hellenistisch, Egyptisch, Indisch…) die op hun beurt zijn gedefinieerd aan de hand van talen. Immers, een Griek uit de vijfde eeuw v.Chr. had meer gemeen met een Arameeër uit die tijd dan met een Byzantijnse Griek. De indeling naar culturen is bij onderwijs en overdracht onhandig, om niet te zeggen: contraproductief.

Voor de derde wettelijke taak ligt dat iets anders. De academici die bij onderwijs en overdracht wereldwijde generalisten behoren te zijn, worden bij het onderzoek specialisten. Het is menselijkerwijs immers lastig om zelfs voor een deelgebied als het Romeinse Rijk alle talen van Gallisch tot Aramees én het archeologisch materiaal van Ierland tot Irak te kennen. En zelfs wie al die subdisciplines zou beheersen, is nog onvoldoende gevormd voor de bestudering van de gehele Oudheid, van 3000 v.Chr. tot 650 na Chr.

Dat het menselijkerwijs moeilijk anders kan, wil niet zeggen dat het goed is. Ik denk dat academici inmiddels ook bij hun onderzoek de netten wereldwijd moeten werpen. Door de DNA-revolutie is de hermeneutische buitengrens weggevallen, waardoor we momenteel te maken hebben met een hermeneutische revolutie. U leest dat hier nog maar even na.

Inertie

Gelukkig veranderen dingen. De “wereldgeschiedenis” waar we de laatste tijd veel over horen is weliswaar niet de vernieuwing die ze claimen dat ze is, ja eigenlijk vieux jeu, maar is een stap in een goede richting. Nou ja, stapje. Voor zover mij bekend hebben de Nederlandse onderzoeksscholen nog nooit een plan gemaakt om te fuseren, opdat een archeoloog die zich bezighoudt met Romeinse badhuizen ook eens praat met iemand die de Chinese Liji bestudeert. Wat zo’n gek idee niet zou zijn, want het daarin vervatte advies elke vijf dagen te baden biedt een aanwijzing voor wat in een voorindustriële samenleving haalbare hygiëne was.

Het punt is: als we nu de universiteit zouden oprichten, opperde niemand om de oudheidkunde te verdelen over archeologische en talige studierichtingen, en dat we die weer moesten opdelen naar talig gedefinieerde cultuurgebieden. Nu zal ik de eerste zijn om te erkennen dat dit niet het urgentste probleem is aan de universiteit; lees hier meer. Maar niemand zet écht stappen om de universiteit te hervormen. De structuur van de wetenschap hindert de wetenschap, zeker bij de overdracht en het onderwijs en, volgens mij, inmiddels ook bij onderzoek.

U hoeft niet alles met me eens te zijn. Maar reactionair als ik ben, vind ik waarheid belangrijk. Dat betekent dat ik zou willen dat de wetenschap zich eens bevrijdde van verouderde disciplinaire grenzen; de grenzen van een wetenschappelijk vakgebied moeten wetenschappelijk (d.w.z.: objectadequaat) zijn. Ik wou dat we de broodnodige hervorming van de universiteit eindelijk eens agendeerden. En daaraan kunt u een bijdrage leveren: lees voor de komende verkiezingen eens de onderwijsparagrafen van de diverse politieke partijen, en laat dat uw stem bepalen.

PS 1

Toevallig was er ook een vraag over de temporele grenzen van de Oudheid. Daarover volgende maand meer.

PS 2

Ik heb de afgelopen negen maanden regelmatig over Libanon geblogd, omdat ik daarover een boek heb geschreven waarvan de opbrengst is bestemd voor Cordaid. Als u nog geen tabak hebt van het onderwerp en mij eens wil horen spreken, en als u woont in de Zaanstreek, kom dan aanstaande donderdagavond langs bij boekhandel Stumpel in Krommenie.

#grenzenVanDeOudheid #HanDynastie #hermeneutischeBuitengrens #Liji

De Kushana’s

Een Kushana-prins uit Dalverzintepa (Nationaal Museum, Tasjkent)

Het begint dus in China. Of beter, ten noorden van China. Aan het begin van de tweede eeuw v.Chr. woonden daar twee groepen nomaden. In het noordwesten waren dat de Tochaars-sprekende Yuezhi en in het noordoosten de Xiongnu. En verder was er de eeuwige trek waarmee herdersvolken westwaarts reizen, omdat je dan van het betrekkelijk droge Manchurije en Mongolië naar steeds groenere gebieden reist – over de Altai, naar de Pontische Steppe, naar de Hongaarse poesta.

En dat wil dus zeggen dat de Xiongnu westwaarts trokken en de Yuezhi voor zich uit dreven. In 176 v.Chr. kwam dit proces door een militair conflict in een stroomversnelling en de Yuezhi migreerden via het huidige Kazachstan naar Sogdië, zeg maar het huidige Oezbekistan, waar ze rond 130 v.Chr. aankwamen. Ook vestigden ze zich in Baktrië, het grensgebied tussen Oezbekistan en Afghanistan, aan weerszijden van de rivier de Oxus. Ze woonden hier te midden van een Sogdisch-Baktrisch-Perzisch-Griekse bevolking en namen het Griekse alfabet over. Opgravingen als het Oezbeekse Khalchayan en het Afghaanse Tillya Tepe documenteren het pluriforme karakter van deze wereld.

De muren van Ayaz Kala

De Kushana’s

Zoals de Xiongnu de Yuezhi voor zich uit hadden gedreven, zo dreven de Yuezhi de Saken voor zich uit, een soort Skythen, die uiteindelijk via Sakastan (Sistan in Afghanistan) naar de Punjab zouden trekken. En langs die route volgden uiteindelijk, na pakweg  30 na Chr., ook de Yuezhi, geleid door een zekere Kujula Kadfises. Hij en zijn opvolgers bouwden een groot rijk op dat zich uitstrekte vanuit Xinjiang via Sogdië en Baktrië naar Gandara, de Punjab en de Gangesvallei. U kunt het zich voorstellen als een grote C rondom Tibet. Dit rijk staat bekend als dat van de Kushana’s en het moge duidelijk zijn dat het, samen met het Parthische Rijk, de verbinding vormde tussen het Romeinse Rijk in het verre westen en Han-China in het verre oosten. Deze handelsweg staat bekend als Zijderoute.

Boeddha (Nationaal Museum, Tasjkent)

In het Kushana-rijk zou het zogeheten Mahayana-boeddhisme alle ruimte krijgen, zoals gedocumenteerd in Oezbeekse sites als Dalverzintepa, Zurmala, Kara Tepe en Fayaz Tepe, en in Pakistan in de kloosters van Mohra Moradu en Jaulian bij Taxila. Een heel vroege aanwijzing is dat het Chinese geschiedenisboek Hou Hanshu vermeldt dat een door de Yuezhi afgevaardigde diplomaat in 2 v.Chr. in de Chinese hoofdstad Chang’an les gaf over het boeddhisme. Dit bewijst dat althans een deel van de Yuezhi op dat moment al was overgegaan tot dit geloof. Toen Kujula Kadfises richting Punjab trok, trok hij geen onbekende wereld binnen, want er waren dus al religieuze contacten met India.

Kushana-munt (Bode-Museum, Berlijn)

Overigens tonen de Kushana-munten een veelvoud aan Iraanse, Indische en Griekse goden. Het zou verkeerd zijn te denken dat de Kushana’s alleen maar boeddhisten waren. Niet alleen omdat antieke overheden zelden zoiets als één staatsgodsdienst hadden, maar ook omdat mensen normaal gesproken een “dubbel geloof” hadden, wat eigenlijk gewoon wil zeggen dat je meedoet aan de gebeden in het huis waar je toevallig bent. Dat kan de ene keer boeddhistisch zijn en de volgende keer iets hindoeïstisch of Baktrisch en de derde keer iets Grieks of jaïnistisch of zoroastriaans.

Een stupa bij Mohra Moradu

Late Oudheid

Zolang in het westen de Parthen heersten, hadden de Kushana’s geen noemenswaardige vijanden, maar na 224 kwamen in Iran de Sassaniden aan de macht. Al ten tijde van Ardašir I (r.224-242) waren er conflicten en rond 260 ging Sogdië voor de Kushana’s verloren. Niet veel later liepen de Sassaniden ook Baktrië en Gandara onder de voet. (Bij de plundering van Peshawar namen ze de bedelnap van Boeddha mee, die dus nog ergens in Iran moet zijn.)

Ivoor uit Begram (Musée Guimet, Parijs)

De noordelijke gebieden vielen in handen van groepen die we gemakshalve zullen aanduiden als “Hunnen” en mogelijk verwant zijn met de Xiongnu waarmee ik dit blogje begon. Ook die migreerden naar het westen en het was dus te verwachten dat ze ooit in de gebieden zouden komen waar ze ooit de Yuezhi naartoe hadden gedreven. De rest van het Kushana-rijk (dus de Punjab, de Indusvallei en de Gangesvallei) bleven als staat nog ongeveer een eeuw overeind, tot de Hunnen noordelijk India binnenvielen.

Fayaz Tepe

De onvermijdelijke Kushana’s

De Kushana’s zijn onvermijdelijk voor wie zich met de Oudheid bezighoudt. Zoals gezegd vormen ze een cruciale schakel in het enorme Euraziatische systeem. Zij waren wat centraal was in Centraal-Eurazië. Wie reist in Oezbekistan of Pakistan komt ze steeds weer tegen, en vermoedelijk geldt dat ook voor Afghanistan en Xinjiang.

Atlanten uit het Tapa-i-kafariha-klooster

Ik zelf werd voor het eerst geconfronteerd met de Kushana-architectuur bij mijn bezoek aan Taxila-Sirsukh, waar we de enorme (door hennep overgroeide) stadsmuren zagen van een gigantische vierkante stad. We waren moe van de vlucht van Londen naar Islamabad en hadden de andere delen van Taxila al gezien. Het was al laat in de middag – en we hebben het verder maar even gelaten zoals het was. Achteraf heb ik daarvan toch wel spijt. Ik zal niet snel weer in de Punjab zijn, vrees ik, en hoewel de wereld nog zo veel wonderen voor me in petto heeft, vind ik dat ergens toch ook wel weer jammer.

#Afghanistan #ArdaširI #Baktrië #boeddhisme #ChangAn #Dalverzintepa #dubbelGeloof #FayazTepe #Gandara #Ganges #HanDynastie #HouHanshu #Hunnen #India #Indus #Jaulian #KaraTepe #Khalchayan #KujulaKadfises #KushanaS #Mahayana #MohraMoradu #Oezbekistan #Pakistan #ParthischeRijk #Punjab #Saken #Sassaniden #Sirsukh #Sogdië #Taxila #TillyaTepe #Tochaars #Xinjiang #Xiongnu #Zijderoute

Han-China

Wandtegel uit de Han-periode (Wereldmuseum, Leiden)

[Dit is het tweede van drie blogjes over de geschiedenis van China. Het eerste was hier.]

Hereniging

Het was een chaotische tijd, waarin de kleine staten onderling streden. Gaandeweg bleven er maar zeven over. Ook die voerden oorlog en de periode na 481 staat daarom bekend als de Periode van de Strijdende Staten. Officieel was er nog steeds een hoge koning, maar die had alleen in Luoyang nog iets te vertellen. Uiteindelijk won de westelijk staat Qin het conflict. Ons woord “China” is een verbastering van Qin.

De Zhou-dynastie kwam ten einde en er waren diverse bestuurlijke hervormingen, waarvan de opvallendste was dat er maar één vorst was, die ook werkelijk regeerde: de keizer Qin Shi Huang (r.221-210 v.Chr.), die u vermoedelijk kent van het enorme “terracotta-leger” waarmee hij is bijgezet. De krijgers moesten het kolossale grafmonument bewaken, maar het werd nooit voltooid; in plaats daarvan sloegen de dwangarbeiders alles kort en klein. Buiten de hoofdstad waren opstanden en al snel trad een nieuwe dynastie aan: de Han-dynastie.

Fluitiste (Han-dynastie; Mariemont, Morlanwelz)

Han-China

Het Romeinse klimaatoptimum zou ook het Han-klimaatoptimum kunnen heten, want deze Chinese dynastie profiteerde evengoed van de gunstige klimatologische omstandigheden tussen pakweg 200 v.Chr. en 200 na Chr. De Han-keizers, die resideerden in Chang’an, namen de macht over van de keizers uit Qin. Het Hemels Mandaat werd uitgelegd in termen, ontleend aan de filosofie van Confucius.

Waar hun voorganger Qin Shi Huang vooral bezig was geweest een eenheidsstaat te scheppen, konden de Han-keizers hun rijk in alle richtingen uitbreiden. In het zuiden, ver voorbij de Blauwe Rivier, annexeerde China diverse kleine staten en in het noordoosten werden delen van Korea veroverd. Tegelijkertijd was er een expansie naar het westen, door de Hexi-corridor, een duizend kilometer lange en honderd kilometer brede strook land, gelegen tussen de Tibetaanse hoogvlakte in het zuidwesten en de Gobiwoestijn in noordoosten. Hiermee bereikten de Chinese legers het Tarimbekken.

Een Chinese beeldengroep van een joert en zijn nomadische bewoners (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

De Zijderoute

Ik vertelde al eens dat keizer Wu Di (r.141-87) zijn generaal Zhang Qian uitstuurde om nog verder naar het westen, in Perzië, Nisaïsche paarden te gaan kopen. Deze diplomatieke missie leidde tot de opening van de Zijderoute. Een ruime eeuw later arriveerde de westelijke reiziger Maës Titianos – de naam is Aramees – over dezelfde route op de plaats die Stenen Toren heet. Daarvandaan reisden zijn medereizigers verder naar de Chinese hoofdstad.

De Chinese belangstelling voor de Zijderoute hing samen met de moeizame relatie tussen Han-China en de noordelijke nomadenvolken. Daar, in wat nu Mongolië heet, leefden de machtige Xiongnu. Zij hadden al eerder een andere nomadenstam, de Yuehzi, naar het westen verdreven, richting Oezbekistan. Door een begin te maken met de bouw van de Grote Chinese Muur, door diplomatieke geschenken en door grootschalige aanvallen bedwongen de Han-Chinezen ook de Xiongnu. De eeuwige oost-west-migratie door Eurazië was er echter ook toen en diverse Xiongnu-groepen trokken westwaarts. Nog niet zo lang geleden is bevestigd dat deze migratie de eerste etappe was van de beweging die aankwam in het westen onder de naam Hunnen. Andere groepen bleven in Mongolië.

Grafprocessie (Han-dynastie; Musée Guimet, Parijs)

De Han-maatschappij

Inmiddels waren de feodale deelrijken die een nagel aan de doodskist van de Zhou-koningen waren geweest, vervangen door zesendertig (en later veertig) prefecturen, die beter controleerbaar waren door de centrale overheid. Militaire gouverneurs controleerden de keizerlijke domeinen. Het hof stimuleerde de verspreiding van het confucianisme, dat benadrukte hoe een samenleving goed geordend kon zijn. stabiliteit en orde in een goed gestructureerde samenleving benadrukt.

Tegelijk verspreidde de boeddhistische stroming die bekendstaat als Mahayana zich langs de Zijderoute. Het is goed gedocumenteerd rond het Tarimbekken, waar later ook manicheeërs en nestoriaanse christenen zouden wonen. Er waren meer westelijke contacten: Chinese kronieken vermelden dat keizer Marcus Aurelius een ambassade stuurde naar zijn collega Huan. En de Chinezen dachten dat ze iets over de Romeinen wisten – ik mocht al eens de beschrijving van de staat Dà Qín citeren uit het geschiedwerk Hou Hanshu.

Hovelingen (Han-dynastie; Musée Guimet, Parijs)

Over de vergelijking tussen Rome en China blogde Otto Cox vijf jaar geleden al eens. Anders dan het Romeinse Rijk, dat een beperkte bureaucratie had, kende China juist een zeer uitgebreid ambtelijk apparaat. Evengoed was de belastingdruk ruwweg even hoog, want wat Han-China betaalde aan bestuurders en beambten, betaalde Rome aan zijn legioenen.

De geschiedenis van de Han-dynastie valt uiteen in twee perioden. De eerste staat bekend als de Westelijke Han en had aanvankelijk als hoofdstad Chang’an (een van de Zhou-hoofdsteden). Kort na het begin van onze jaartelling was er een periode van maatschappelijke onrust, en werd het gezag van de dynastie enkele jaren onderbroken. Daarna was er de periode van de Oostelijke Han, met als hoofdstad het aloude Luoyang, eveneens een Zhou-hoofdstad.

[wordt vervolgd]

#BlauweRivier #boeddhisme #ChangAn #ChineseFilosofie #ChineseMuur #confucianisme #HanDynastie #Hexicorridor #HouHanshu #KushanaS #Luoyang #MaësTitianos #Mahayana #MarcusAurelius #PeriodeVanDeStrijdendeStaten #QinShiHuangdi #QinDynastie #RomeinsKlimaatoptimum #Tarimbekken #terracottaLeger #WuDi #Xiongnu #Yuezhi #ZhangQian #ZhouDynastie

Ach ja, de val van Rome

Zo verliep de val van Rome in elk geval NIET.

Ineens werd een batterij vragen op me afgevuurd. En ze zijn te interessant om niet te beantwoorden. Maar eerst het begin. Er was weer eens een politicus, Axel Ronse (N-VA), die de val van Rome van stal haalde. Knack citeert hem:

Ik hoop dat deze geopolitieke crisis ons ook economisch wakker schudt. We hebben echt niet meer de luxe om het West-Romeinse Rijk in verval na te spelen. Het moet afgelopen zijn met de decadentie.

Daarmee kun je het eens of oneens zijn, maar het tweede zinnetje is irritant. De Oudheid is er niet als voorbeeld voor het heden. Niet dat analogieën geheel onmogelijk zijn. Er bestaat iets dat vergelijkingstheorie heet en ik kan u verklappen dat je een voorindustriële samenleving niet zomaar kunt vergelijken met een postindustriële. Daar komt nog bij dat het zinloos is om in een samenleving waarover we robuuste informatie hebben, de onze dus, de politiek te laten leiden door inzichten, gebaseerd op samenlevingen waarover we geen robuuste informatie hebben. Het is geen kenniswinst het slecht kenbare te gebruiken bij het duiden van het beter kenbare.

So far, so good. De Gentse oudhistoricus Jeroen Wijnendaele (die van dat mooie boek over Clovis) reageerde op Ronse, en ik vroeg me op de sociale media af waarom er toch zo weinig oudheidkundigen zijn die terugschrijven. Als ik op deze blog iets onverstandigs schrijf over DNA-onderzoek, dan is er een vriendelijke biologe die me corrigeert; als ik iets doms zeg over fysica, dan is er een voormalige natuurkundeleraar die me adviseert. Ik weet dat ook kranten en tijdschriften correcties toegezonden krijgen, die niet altijd worden geplaatst, maar doorgaans wel op de redactie worden besproken. Je kunt als oudheidkundige dus gewoon je academisch gezag in de strijd werpen.

***

Dat was de korte inhoud van het voorafgaande en ik kreeg dus een batterij vragen. Ik zal proberen ze te beantwoorden.

Zijn vergelijkingen inherent pogingen tot manipulatie, of zijn ze dat omdat zij door politici gemaakt werden?

Ik denk het eerste. Politici zijn ook maar mensen. Onze kennis bestaat uit generaliseringen van waarnemingen, gedaan in het verleden; en in nieuwe situaties vallen we daarop terug. We denken dus historisch. Als we problemen zien, benutten we voor de analyse onvermijdelijk het verleden. Als over een onderwerp dan weinig robuuste informatie bestaat, zoals de transformatie van de Romeinse wereld in de vijfde eeuw, dan kun je die in elke gewenste richting buigen en altijd iets herkenbaars scheppen. Zo komt het dat er inmiddels al zó lang is gesproken over “de val van Rome” dat het moeilijk is je los te maken van dat ondergangsframe.

(Ik ben er zelf niet vrij van. Toen ik in de jaren negentig het internet opzocht, zag ik mezelf als zo’n middeleeuwse kopiist die boeken overschreef. Zoals een Cassiodorus de mensheid, op weg van Oudheid naar Middeleeuwen, nog iets te lezen meegaf, zo wilde ik de mensen op weg van de twintigste naar de eenentwintigste eeuw nog iets meegeven. Die impliciete vergelijking met de val van Rome is zinledig, maar ik ben dus niet vrij van het ondergangsframe.)

Het nut van de geschiedkunde heette ooit te zijn, dat we van onze geschiedenis kunnen leren. Hoe kunnen wij leren als we geen vergelijkingen mogen trekken?

Ik betwijfel dat we van oude geschiedenis iets kunnen leren. Daarvoor zijn de data te weinig robuust. Kennis van de Oudheid is echter leuk en dat is voldoende. Genot is haar eigen beloning.

Onder welke condities zijn nog wel geldige vergelijkingen te maken?

Van de twintigste eeuw zou wel iets te leren kunnen zijn. Vuistregel: vergelijk industriële samenlevingen met industriële samenlevingen; vergelijk agrarische imperia (zoals het Romeinse Rijk) alleen met andere agrarische imperia (zoals Han-China). De bestudering van de Oudheid is een sociale wetenschap en dus is het sociaalwetenschappelijke instrumentarium relevant.

Wanneer oudheidkundigen op foute vergelijkingen reageren, is dat dan uit de oprechte wens om misvattingen te corrigeren, of ook uit chagrijn omdat een leek het gewaagd heeft zich op Oudheidkundig Terrein te begeven?

Mensen worden classicus, archeoloog, historicus vanuit liefde voor hun vak. Men wil dat er eerlijk over wordt gesproken. Ik heb niet de indruk dat oudheidkundigen leken van het eigen terrein willen weren. Sterker nog, ik denk dat ze dat zo nu en dan best eens mogen doen. Geen mens gaat naar een amateur-tandarts, maar iedereen kan zich historicus noemen en over het verleden een mening ten beste geven. Oudheidkundigen mogen wel iets meer op hun strepen staan. Dat is een van de redenen waarom ik methoden uitleg: dan weten mensen dat er methoden bestaan en dat een opleiding nut heeft.

En kan ook meespelen dat die politicus er een van de verkeerde kleur was?

Enerzijds denk ik dat de meeste oudheidkundigen zich aan elke misrepresentatie ergeren, ongeacht de politieke opvattingen van de spreker. Anderzijds heb ik de indruk dat spreken over de val van Rome vooral een hobby is van Nieuw Rechts: Bart De Wever in België, Thierry Baudet en Mark Rutte in Nederland. De feitelijke vraag is mijns inziens niet of iemand links of rechts is; Renate Rubinstein toonde al in de jaren tachtig aan hoe onzinnig die etiketten zijn.noot Eerlijk is eerlijk: de woorden “links” en “rechts” zijn soms nuttig, want als je ziet dat iemand ze gebruikt, weet je dat verder lezen tijdverspilling is. Het gaat om waarheidsliefde.

Waar komt die foute opvatting over decadentie als oorzaak van Romeins verval vandaan?

Montesquieu.

Als die foute opvatting zo alomtegenwoordig is, zou de oorzaak dan ook niet in het geschiedkundig onderwijs – de eigen boezem – gezocht moeten worden?

Ja en nee. Nee: ik weiger kritiek te hebben op onderwijzers en leraren. Zij kunnen niet helpen dat er minder uren beschikbaar zijn voor geschiedenisles. En als Mark Rutte zijn macht misbruikt om desinformatie over vluchtelingen en het Romeinse Rijk te propageren, dan kan geen leerkracht daar iets tegen doen.

Ja: er is weinig waarheidsliefde bij instellingen die beter moeten weten. Bijvoorbeeld bij de erfgoedsector met het mantra van de beleefbaarheid, zodat stukken verleden worden gebouwd waar nooit iets was (lees maar). Of aan de universiteiten, met veel te specialistische onderzoekers. Ik gebruik weleens de metafoor van de piano: classici spelen alleen op de witte toetsen en archeologen alleen op de zwarte, terwijl ze allemaal zeggen dezelfde antieke cultuur te bestuderen. Het voortbestaan van niet-objectadequate opleidingen bewijst dat de universiteiten hun prioriteiten niet weten te stellen. Daarom stellen accountants tegenwoordig de academische prioriteiten.

#AxelRonse #BartDeWever #CharlesDeMontesquieu #framing #HanDynastie #JeroenWijnendaele #MarkRutte #RenateRubinstein #ThierryBaudet #ValVanHetRomeinseRijk #vergelijkingstheorie

Axel Ronse - Wikipedia

Paarden langs de Zijderoute

Een Han-Chinees en een paard (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Dit is een leuk nieuwtje. Leuk omdat ik niet weet wat ik ermee moet. Het Yin-Shan-gebergte ligt in China en vormt de zuidelijke begrenzing van de Gobiwoestijn. Een van de twee oostelijke takken van de Zijderoute komt erlangs. Het is al tijden bekend dat daar in de Oudheid rotstekeningen zijn gemaakt, waarvan er meer dan 10.000 over zijn.

Nu wordt gemeld dat daar ook afbeeldingen bij zijn van de paardensoort die we Arabieren noemen. Die zijn wat hoogbeniger dan de paarden uit oostelijk Azië, dus je zou je kunnen voorstellen dat er op zo’n rotstekening inderdaad een herkenbaar verschil is. Omgekeerd: het zou ook kunnen gaan om een bepaalde tekenstijl, waarin ledematen wat langer worden weergegeven, en dan wordt voor een Arabier aangezien wat in feite een gewoon Mongools paard is. De enige foto die ik heb gevonden (hierboven) is allesbehalve verhelderend. Ik ga het geloven als op de rotstekeningen twee verschillende soorten paarden zijn afgebeeld.

De ontdekkers van de paardentekeningen claimen, zo lees ik (Google Translate), dat ze zijn gemaakt in 210 v.Chr., toen de Donghu-nomaden (proto-Mongolen die in de Chinese bronnen ook bekend staan als “oostelijke barbaren”) streden tegen een iets verder westelijker levende groep nomaden, de Xiongnu. In het berichtje waarnaar ik in de vorige zin linkte worden die zonder meer gelijkgesteld aan de Hunnen, hoewel dat controversieel is. Hoe dat ook zij, bij die laatste groep had de kroonprins zijn vader vermoord en de Donghu meenden dat ze hun buren nu wel konden onderwerpen, maar werden zelf verslagen.

Een Chinese ruiter (Han-dynastie; Musée Guimet, Parijs)

Het bewijs voor de datering ten tijde van deze oorlog overtuigt mij niet, althans niet als het is gebaseerd op dezelfde informatie die wij in het veel te korte artikeltje toegeworpen krijgen: dat er ruiters zijn afgebeeld met wapenrustingen, leren zadels en stijgbeugels. Een oorlogscontext maakt nog niet een oorlogscontext in 210 v.Chr. en dan heb ik het er nog niet over gehad dat de ingebruikname van de stijgbeugel een van de bekendste puzzels uit de oude geschiedenis is. Ik wijs erop dat in datzelfde jaar 210 v.Chr. keizer Qin Shi Huangdi overleed en dat de ruiters van zijn beroemde terracotta-leger geen stijgbeugels hebben.

Maar even aannemend dat het bij de paarden inderdaad gaat om Arabieren, hebben we hier een leuke aanwijzing voor de verspreiding van die dieren, over de Zijderoute richting China. Het is zeker niet uitgesloten. We weten dat een eeuw later keizer Wu Di (r.141-87) zijn generaal Zhang Qian naar het land van de Perzen (de “westelijke barbaren”) stuurde om daar de beroemde Nisaïsche paarden te kopen.

Als de rotstekeningen zijn wat wordt beweerd, kwamen er dus al eerder westelijke paarden over de Zijderoute naar het oosten. Die op afbeeldingen gebaseerde conclusie sluit heel mooi aan bij het grotendeels op DNA-bewijs gebaseerde beeld dat de laatste jaren aan het ontstaan is en waarover ik al eens blogde: of het nu gaat om de verspreiding van fruitbomen of mensen, er is meer migratie geweest tussen oost en west dan lang is aangenomen.

Dat gezegd zijnde: afgaande op de karige informatie die we krijgen, zou mijn eerste gok zijn dat de rotstekeningen jonger zijn. Die stijgbeugel lijkt me wel een probleem. Die gok laat echter onverlet dat ook als er later Arabieren over de Pamir naar het Verre Oosten zijn gebracht, er opnieuw een aanwijzing is voor de historische gewoonheid van migratie.

#HanDynastie #Hunnen #Mongolen #paard #Pamir #QinShiHuangdi #QinDynastie #WuDi #Xiongnu #ZhangQian #Zijderoute