Het oude Egypte van John Romer

Koning Senusret III van Egypte (“Sesostris”;Metropolitan Museum of Art)

Het verhaal is overbekend: toen Napoleon naar Egypte trok, reisden geleerden mee, die daar de steen van Rosetta vonden. Hiermee kon Champollion de hiërogliefen ontcijferen en de grondslagen leggen van de egyptologie. Zoals het gaat met dit soort heldenverhalen is het kort door de bocht maar in de kern juist: de egyptologie is als wetenschap ontstaan in de negentiende eeuw.

En dat maakt uit. Oudheidkundigen beschikken namelijk vrijwel altijd over te weinig informatie. Dataschaarste is hét methodologische probleem dat de oudheidkundige disciplines verbindt en onderscheidt van de meeste andere wetenschappen. Door dit informatietekort is het onvermijdelijk dat bij de reconstructie van de antieke culturen de aannames van de onderzoeker een rol spelen, zodat de hoofdlijnen die de eerste egyptologen in hun vakgebied ontwaarden, hun negentiende-eeuwse wereld weerspiegelden. En aangezien latere oudheidkundigen voortbouwden op het werk van hun voorgangers, spelen die ideeën nog altijd een rol.

De Egyptische geschiedenis werd en bleef er een van koningen en dynastieën zoals de Hohenzollern, Romanovs en Bourbons. Het verleden werd verdeeld in drie hoofdperioden (“rijken”) van eenheid en “tussentijden” van desintegratie, wat een negentiende-eeuwse visie veronderstelt op openbaar bestuur. Imperialisme, belastingheffing, grenzen, steden en slavernij zijn andere obsessies uit de negentiende eeuw. Omdat het verleden destijds een nationaal verleden moest zijn, kwam in de egyptologie de nadruk te liggen op het tweede millennium v.Chr. en niet op de daaropvolgende tijd, toen Egypte te maken had met Nubische, Assyrische en Perzische overheersers. En dat bleef zo.

De egyptologen waren niet de enige oudheidkundigen die eigentijdse zwaartepunten legden. Ook degenen die zich toentertijd bezighielden met Griekenland en Rome ontwaarden zulke hoofdlijnen en ook zij gaven die, omdat de oudheidkundige disciplines in deze tijd geïnstitutionaliseerd raakten, door aan hun opvolgers. Inmiddels leggen academici weliswaar andere accenten, maar volken, staten, vorsten, dynastieën, oorlogen, imperia en slaven behoren nog altijd tot het eerste wat het publiek verneemt over de oude wereld.

De zo geboden informatie is niet per se onwaar, maar deze negentiende-eeuwse accenten brengen onherroepelijk met zich mee dat het publiek de oude wereld beschouwt als irrelevant voor onze tijd. Wie het verre verleden een toekomst wil geven, zal opnieuw moeten beginnen en dat is dus wat de Britse egyptoloog John Romer doet in A History of Ancient Egypt, waarvan het tweede deel vorig jaar is verschenen. (Over het eerste deel schreef ik al eerder.) Deel twee is gewijd aan de ruim acht eeuwen tussen pakweg 2600 en 1780. En alles moet anders.

Romer begint zijn hoofdstukken met het presenteren van de beschikbare informatie: archeologische vondsten en teksten, waarvan we er sinds de negentiende eeuw natuurlijk meer hebben. Weliswaar is het nog steeds onvoldoende, maar het is genoeg om te herkennen welke aloude zwaartepunten bijstelling behoeven. En zo verdwijnen de dynastieën, de territoriale afbakeningen en de belastingheffing uit Romers verhaal. De koningen blijven, maar pas aan het einde van het boek ontstaat de mogelijkheid onderscheid te maken tussen de koning in zijn rol als bestuurder en de persoon aan wie een biografie te wijden zou zijn. Romer gaat daarop niet in. En terecht, want hiervoor hebben we nu internet.

Romer gebruikt zijn boek voor het soort informatie dat daar niet is te vinden: uitleg van het wetenschappelijk proces. Hij toont niet alleen hoe het groeiende corpus van archeologische data ons beeld doet veranderen, maar legt ook het filologisch handwerk uit. De Egyptische woorden die traditioneel worden vertaald als “koning”, “soldaat” of “priester” hebben bijvoorbeeld vaak een veel minder precieze betekenis. Van de titels die de hovelingen dragen, is onduidelijk wat ze betekenen en ze kunnen daarom niet worden gebruikt om een paleishiërarchie te reconstrueren.

Via zulke voorzichtige conclusies komt Romer tot overkoepelende thema’s (die in de oudheidkunde overigens niet ongebruikelijk zijn). Niks staatvorming, maar wel een hofcultuur die draaide om bouwprojecten. Deze cultuur reikte steeds verder: deels geografisch, om aan bouwmaterialen te komen, deels sociaal, omdat lokale leiders haar overnamen.

De Eerste Tussenperiode is, zo beschouwd, geen fase van desintegratie maar de tijd waarin de hofcultuur zich verspreidde naar de provincie. Romer ziet in de materiële resten nauwelijks aanwijzingen voor neergang. Van teksten die anders suggereren, maakt hij aannemelijk dat het naïef is ze letterlijk te nemen. En passant introduceert hij de lezer zo tot een van de oudheidkundige kernproblemen: de asymmetrie van archeologisch en tekstueel bewijs.

Soms lijkt Romer wat door te slaan in zijn weerlegging van wat hij aanduidt als “traditionele historici”. Ik voor mij ben er zo zeker niet van dat “stad”, omdat de Egyptenaren geen markteconomie kenden, een onbruikbaar concept zou zijn. Ook vermoed ik dat oorlog belangrijker is geweest dan Romer suggereert. Dat laat onverlet dat dit tweede deel van A History of Ancient Egypt geslaagd is. Romer werpt u niet slechts conclusies toe, maar toont u het wetenschappelijk bedrijf.

[Oorspronkelijk verschenen in het NRC Handelsblad van vrijdag 20 april 2017. Het prachtige koningsportret hierboven is de 205e aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

#dataschaarste #eersteTussenperiode #hofcultuur #johnRomer #negentiendeEeuw #steenVanRosetta

Verhalende geschiedschrijving

Kleio, muze van de geschiedschrijving (Landesmuseum, Trier)

Geschiedvorsing wil niet slechts zeggen dat je gebeurtenissen op een rijtje zet maar houdt ook in dat je die probeert te verklaren, dat wil zeggen dat je verbanden legt met andere gebeurtenissen. Daarvoor kennen historici verschillende verklaringsmethoden. Zo kun je proberen wetmatige verbanden te leggen. Als de bevolking in omvang toeneemt, stijgt – als andere zaken hetzelfde blijven – de graanprijs. Een andere vorm van verklaren is de hermeneuse: je verklaart iets door je in mensen uit het verleden in te leven. De moeite die Justinianus zich getroostte om met voormalig prostituee Theodora te trouwen, kan alleen betekenen dat hij echt van haar hield.

Een derde benadering staat bekend als vergelijkend-oorzakelijk of comparativistisch en wil zeggen dat je verbanden opspoort door middel van vergelijking. Als de romanisering en de arabisering van het Iberische Schiereiland identieke processen waren, alleen verschillend doordat de Romeinse belastingdruk hoger was, is dat de sleutelfactor waardoor de grondig geromaniseerde bevolking de Visigoten assimileerde en de aan minder dwang onderworpen en minder gearabiseerde bevolking de reconquistadores niet kon assimileren. Over de vierde verklaringswijze, het modelleren met computers, valt een boom op te zetten en dat laat ik nu rusten.

Al deze benaderingen hebben de aanname met elkaar gemeen dat het verleden nog kenbaar is. Dat is niet de aanname van het de vijfde verklaringswijze: narrativisme ofwel verhalende geschiedschrijving.

Onbereikbare waarheid

De vraag is immers of er wel voldoende informatie is. Dat geldt zeker voor de Oudheid, het tijdvak waarbij dataschaarste hét probleem is. Ook als dat niet zo zou zijn, blijft de vraag of we antieke taaluitingen wel voldoende doorgronden, hoe we vondsten interpreteren en hoe we omgaan met de toevalligheid waardoor informatie tot ons is gekomen. De reeks complicaties is lang.

Je kunt daarom, heel postmodern, accepteren dat je het nooit meer weten kunt. De data die we hebben zijn (met een metafoor van Frank Ankersmit) als bladeren die van een boom zijn afgewaaid. We kunnen ze in een herbarium plakken en er zo iets moois van maken, maar moeten niet langer de ambitie hebben de boom te reconstrueren. Relativeer die waarheidsclaim maar en geniet van het verleden zoals van een roman of een film.

Anders gezegd: de verhalende historicus reconstrueert niet de verbanden uit het verleden, hij construeert ze. Het criterium waarop zijn studie moet worden beoordeeld, is daarom niet of hij alle relevante data heeft meegenomen (of een andere gangbare kwaliteitsnorm), maar of hij overtuigend vertelt.

Kudde olifanten

Een voorbeeld is Carthage Must Be Destroyed van de Britse classicus Richard Miles, waarover ik al eens schreef in het Handelsblad. In deze algemene geschiedenis van Karthago ziet de auteur vrij systematisch af van het zoeken naar oorzaken. Van de Tweede Punische Oorlog vermeldt hij bijvoorbeeld wel dat de Karthaagse generaal Hannibal de Romeinen zó in de problemen bracht dat ze de strijd uitsluitend konden voortzetten doordat hun bondgenoten trouw bleven, maar hij verklaart nergens waarom zij de verbazingwekkende keuze maakten voor de verliezende partij.

Miles biedt daarentegen wel reconstructies van de manier waarop Rome zichzelf ooit via de cultus van Hercules als heerser van Italië had gelegitimeerd, van de middelen waarmee Hannibal zich presenteerde als nieuwe Hercules, en van de propaganda waarmee hij het conflict een ideologisch-religieuze dimensie gaf die de Romeinen diep verontrustte. Dat leest lekker weg maar het is in feite een modern construct. Elegant en sierlijk, zeker, maar de vraag komt op of de bevolking van het Apennijnse Schiereiland bij het zien van Hannibals olifanten werkelijk heeft gedacht aan de mythe waarin Hercules een kudde runderen door Italië loodste.

De feiten

Zoals hierboven aangegeven, wordt in het narrativisme het zoeken naar de waarheid gerelativeerd, maar dat wil niet zeggen dat die geen enkele rol speelt. Weliswaar berust de narrativist erin dat de verbanden die ooit tussen de historische feiten hebben bestaan, onmogelijk nog kunnen worden gereconstrueerd, maar dat laat onverlet dat het lonend blijft te jagen op de feiten zélf.

Dit verdient enige nadruk, want er zijn auteurs die de vrijheid die het narrativisme biedt, uitbreiden tot het verzinnen van feiten. Een voorbeeld is de hier al vaker genoemde Tom Holland, die de verhalende geschiedschrijving bij verschillende gelegenheden heeft geprezen en in zijn boek Persian Fire een Babylonische opstand verzint om te verklaren waarom de Perzen terugkeerden.

Dit is evident onwetenschappelijk. Maar het probleem zit tevens bij het verhalende. Holland heeft enerzijds een panorama willen bieden van de volken van de oude wereld en anderzijds het verhaal willen vertellen van de Perzische Oorlog. Om eenheid te geven aan deze gevarieerde materie – om verbanden te leggen, met andere woorden – kiest hij voor het thema van hybris en nemesis: de hoogmoed die voor de val komt. Dit is dus geen wetenschap maar een literair motief. Tegelijk kiest hij voor het sjabloon van het despotische, obscurantistische Azië dat tegenover het vrije, rationele Europa zou staan. En dat is, zoals ik al vaker heb beschreven, niet alleen ideologisch gedram maar ook gemakzuchtig.

Ik voor mij moet weinig hebben van deze vorm van verklaren. Fictie is een mooie zaak, en dat schrijf ik zonder ironie, maar je moet het geen wetenschap noemen.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

PS

Ik heb net twee interviews gegeven – in de New Scientist en voor de website Scientias – over het aan de vaste lezers bekende riedeltje: het belang van papyri, het gemak waarmee ze zijn te vervalsen, het belang van de gedocumenteerde provenance, de bereidwilligheid van classici en bijbelwetenschappers om de prijs op te drijven, het negeren van gedragscodes en de smoesjes waarmee dat wordt goedgepraat.

#dataschaarste #FrankAnkersmit #narrativisme #postmodernisme #Reconquista #RichardMiles #TomHolland #verhalendeGeschiedschrijving #verklaring

De Oudheid als eenheid

De Oudheid als eenheid: teksten en archeologische reconstructies bij elkaar

Een opvallend aspect van de bestudering van de Oudheid is haar verdeeldheid. Je hebt allerlei bloedgroepen, waarvan de classici en archeologen het grootst zijn, en die bloedgroepen werken nauwelijks samen. Weliswaar stimuleren subsidieregelingen interdisciplinaire samenwerking, maar zulke prikkels zouden niet nodig zijn als de onderzoekers werkelijk wilden. Ik ben niet op de hoogte van het bestaan van een door de samenwerkende onderzoekscholen opgestelde nota over de vormen van interdisciplinariteit waarvan de samenleving de meeste kenniswinst mag verwachten. De academische reflex om specialisme hoger aan te slaan dan generalisme, zit te diep. Specialisme geldt als normaal.

Voorlichting

En dat terwijl er meer is dat de bloedgroepen verbindt dan scheidt! Om te beginnen de voorlichting. Iedereen die weleens publieksvragen beantwoordt, weet dat mensen inzicht willen in de Oudheid, en geen informatie over de Oudheid met de beperkingen van de materiële cultuur of informatie over de Oudheid vanuit het perspectief van de classicus. In de voorlichting kan niemand zonder informatie uit elke bloedgroep.

Ik heb al weleens verteld dat wie een lezing verzorgt over de archeologie van de Germaanse veenlijken, zal meemaken dat een aanwezige een vraag stelt over Tacitus’ tekst over die geëxecuteerden. En omgekeerd: mensen verwachten dat wie spreekt over Tacitus’ Germania, ook uitleg geven kan over het Meisje van Yde. Voor het publiek bestaat de grens tussen klassieke talen en archeologie niet. Publiekstijdschriften als Archeologie Magazine, Phoenix, Hermeneus, Antike Welt, Dossiers d’ archéologie of Ancient History springen van vondsten naar teksten en terug. Hetzelfde geldt voor musea: ook al ligt het zwaartepunt bij de objecten, vaak zijn op de muren vertaalde teksten aangebracht. Zie boven voor een voorbeeld.

Onderzoek

Wat geldt voor informatieoverdracht, geldt ook onderzoek. De grenzen van de Oudheid, pakweg 3000 v.Chr. tot 650 na Chr., zijn immers kentheoretisch bepaald. Daarvóór hebben we uitsluitend archeologische informatie; met het ontstaan van het schrift krijgen we naast dat materiële bewijs ook teksten, al zijn het er niet genoeg. Na de arabisering is er wel voldoende bewijsmateriaal. Het westen bereikte  dat punt iets later, maar ook daar markeert het moment waarop we genoeg geschreven informatie krijgen het einde van de dataschaarste. De Oudheid is het tijdperk waarbij we voortdurend moeten nadenken over verloren data. Oudheidkundigen proberen al een eeuw of zes nieuwe soorten informatie aan te boren.

Nog een belangrijk punt: de pre-feodale samenlevingen tussen 3000 v.Chr. en 650 na Chr. hadden wezenlijke sociale, economische en culturele overeenkomsten. Slavernij was gewoon, de agrarische sector was onvoorstelbaar groot, er was sprake van een vroege staat. Deze kenmerken zijn niet exclusief voor de Oudheid, maar maken wel dat er opnieuw meer is dat de diverse bloedgroepen verbindt dan scheidt.

Rechtvaardiging

Ik wijs er nog op dat West-Europa – niet geheel terecht en ook niet geheel onterecht – Jeruzalem, Athene en Rome heeft aanvaard als culturele erflaters. Een fors deel van de westerse cultuurgeschiedenis is een dialoog met de joodse en klassieke cultuur.

Oudheidkundigen misbruiken dat regelmatig om de bestudering van de Oudheid te rechtvaardigen. Dat is natuurlijk onzin. Rechtvaardiging is helemaal niet nodig. De antieke cultuur is gewoon boeiend. Om elke hoek ligt iets moois voor je klaar waar je je over mag verbazen. Het genot dat je daaraan beleeft, vormt voldoende rechtvaardiging. Dit geldt – opnieuw – voor alle bloedgroepen.

De belangstelling mag dan geen rechtvaardiging nodig hebben, dat ligt anders bij de onderzoeksfinanciering. Het zou immers oneerlijk zijn als wij met z’n allen betaalden om een handvol wetenschappers als enigen te laten genieten. Vandaar dat universiteiten relevantie zijn gaan claimen voor de Oudheid. Bij de argumenten zit een hoop gebakken lucht. De argumenten die echter wél overtuigend zijn, hebben echter gemeen dat ze van toepassing zijn op én classici én archeologen én oudhistorici én andere oudheidkundigen.

Drie rechtvaardigingen

Primo, in de Oudheid zijn dingen ontstaan die ons beïnvloeden. Dat wil zeggen: er gaat van de ene samenleving vormende werking uit op de andere. Tenzij wij, voorzien van een vrije wil, besluiten dingen anders te gaan doen, zullen we als vanzelf dingen op een bepaalde manier doen of er op een bepaalde manier over denken. Een voorbeeld dat ik al eens uitwerkte is het schisma tussen joden en christenen, afgedwongen door Domitianus’ snoeiharde toepassing van de zogeheten Fiscus Judaicus. Wij kunnen ons al vele eeuwen niet voorstellen dat iemand joods en christelijk tegelijk kan zijn, of überhaupt meer dan één godsdienst zou kunnen hebben. Daar heeft een samenleving uit het verleden invloed op onze cultuur. Als je Domitianus’ beleid echter werkelijk wil doorgronden, zul je classicus en archeoloog en historicus moeten zijn.

Secondo, we kunnen antieke ideeën reconstrueren, kunnen ze vergelijken met onze eigen ideeën en kunnen daardoor beter herkennen dat onze eigen opvattingen niet de enig mogelijke zijn. Ze zijn plaats- en tijdgebonden. Als we dat herkennen, kunnen we beter begrijpen waarom we denken zoals we denken. Je zult die antieke ideeën echter alleen kunnen reconstrueren door álle data mee te nemen. De dataschaarste dwingt je.

Terzo, de oudheidkunde heeft als vak invloed op de samenleving. Rens Bod heeft dit mooi beschreven in De vergeten wetenschappen (2010). Zo leidde de tekststudie van de Renaissance in de zestiende eeuw tot de Reformatie. Op de integratie van de etnografie in het geschiedbeeld volgde in de achttiende eeuw de Verlichting. De vooruitgangsgedachte, eenmaal archeologisch onderbouwd, leidde tot het twintigste-eeuwse modernisme, de gedachte dus dat alles wat nieuw is ook beter is. U merkt: het gaat weer om alle bloedgroepen. Het is volstrekt stompzinnig ze gescheiden te houden en dooddoeners waarmee de specialismen worden verdedigd zijn nog geestdodender.

Ik weet het: dit is een vergeefs stukje. Het oudheidkundig hyperspecialisme is zo ingeburgerd dat het aan de universiteiten geldt als normaal. De universiteit hervormen – en ik bedoel dat letterlijk: her-vormen – is eigenlijk niet langer mogelijk. Maar ik weiger te doen alsof dat normaal is.

[De oudheidkundige wetenschappen bieden meer dan feitjes, wistjedatjes en trivaliteitjes. Het zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van vergelijkbare stukjes is daar.]

#antiekeCultuur #dataschaarste #generalisme #hyperspecialisme #interdisciplinariteit #MeisjeVanYde #schrift #specialisme

De grenzen van de Oudheid

Ik had een reeks beloofd over handboekkennis. Na die belofte en wat gefantaseer over hoe mijn eigen handboek eruit zou zien, neem ik vandaag de Inleiding ter hand van Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. De auteurs geven daarin aan dat de Oudheid op zichzelf een boeiend onderdeel van de menselijke geschiedenis is. De Oudheid is gewoon leuk en dat is volgens mij voldoende rechtvaardiging om je ermee bezig te houden. (Vanzelfsprekend geldt dit niet voor de financiering. We willen allemaal wel betaald krijgen om leuke dingen te doen.)

De Oudheid als bakermat

Maar wat is die Oudheid nou? Vrij simpel: de periode tussen pakweg 3000 v.Chr. en 650 à 800 na Chr. Daarvóór hebben we alleen archeologische data, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om echt geschiedenis te schrijven. De Oudheid is de tussenfase: wel bronnen maar onvoldoende. Dataschaarste is hét centrale thema.

De auteurs noemen deze periode “de bakermat van de Europese en islamitische beschavingen” en spreken van

de landen rondom de Middellandse Zee, en in het bijzonder de cultuurcentra van het oude Nabije Oosten enerzijds en de antieke Grieken en Romeinen anderzijds.

Hier zouden zaken zijn ontstaan die de westerse en islamitische culturen bepalen. Bepalen. We zijn in het land van de sociale wetenschappen.

Bepalen, vormen, beïnvloeden

Bepalen is vormen. U en ik maken elke dag op allerlei momenten allerlei keuzes. Als iets of iemand ons gedrag bepaalt, zijn die keuzes niet langer helemaal vrij. Wat De Blois en Van der Spek dus feitelijk zeggen is dat de Oudheid een cultuur had die ons gedrag nog altijd beïnvloedt. Een vroegere samenleving vormt, bepaalt, beïnvloedt door de eeuwen heen het gedrag in een latere samenleving.

Een voorbeeld. Terwijl ik dit schrijf, moet ik kiezen of ik straks ga slapen in mijn slaapkamer of dat ik mijn matras in de woonkamer leg, waar een kachel staat. Die tweede keuze is praktisch, de eerste is ingegeven door een traditie. We maken al eeuwen onderscheid tussen woonvertrekken en slaapvertrekken. We hebben een soort natuurlijke reflex, een habitus, om het te doen zoals we altijd hebben gedaan. Ooit is dat onderscheid ontstaan, het is doorgegeven en het bepaalt hoe we nu handelen. We kunnen het anders doen, maar dat is dan een keuze tegen wat we van nature van culture geneigd zijn te doen.

Voorbeelden

Ik vind het moeilijk zaken uit de Oudheid aan te wijzen die ons leven nog steeds vormen. Als ik het erover heb, wijs ik vaak op ons dagritme. We hebben allemaal verschillende circadiaanse ritmes maar toch is onze hele samenleving ingericht op ochtendmensen. Dat is een erfenis uit een agrarische samenleving, waarin het gros van de mensen met de kippen op stok ging en opstond om de koeien te melken. Maar veel verder dan dit voorbeeld kom ik eigenlijk niet en ik ben me ervan bewust dat dit eerder iets uit de Prehistorie is dan uit de Oudheid.

De Blois en Van der Spek geven andere voorbeelden.

  • De grote monotheïstische godsdiensten: dat is inmiddels zo’n wijd conglomeraat aan ideeën dat je elk denkbeeld én zijn tegendeel eraan kunt ophangen. De drie godsdiensten zijn vooral zélf gevormd door de samenlevingen waarin ze bestaan.
  • Bouwkunst, beeldende kunsten, letterkunde: hier is geen sprake van invloed maar van inspiratie – de actieve keuze van iemand in een latere periode om aansluiting te zoeken bij het verleden. Dit is dus het tegengestelde van invloed, die er altijd is en die je ondergaat, tenzij je er een keuze tegen maakt.
  • Recht: we hebben de vormentaal ontleend aan de Romeinse wereld maar drukken daarmee een volkomen andere inhoud uit.
  • Filosofie: idemdito, maar dan met Grieken.
  • Opvoeding in de Griekse en Romeinse cultuur: tautologie (“We zijn gevormd door de antieke cultuur omdat we mensen opvoeden in de antieke cultuur”)
  • Wetenschap: definitiekwestie.

Vorm en inhoud

Wat volgens mij het geval is, is dat er in de religie, bouwkunst, beeldende kunsten, recht en filosofie antieke vormentalen bestaan die we nog altijd hanteren, hoewel de inhoud aan vormende krachten wezenlijk anders is. Ik denk dat te verdedigen valt dat die inhoud – zeg gemakshalve: de westerse beschaving – is ontstaan tijdens de Renaissance van de Twaalfde Eeuw of de Verlichting. Dit geldt niet voor trivialiteiten als slaapkamers, maar de echt grote gedachten van onze tijd, die ons gedrag werkelijk beïnvloeden, zijn niet antiek.

(Tussen haakjes: de ironie dat ik hier een Aristoteliaans onderscheid tussen vorm en inhoud gebruik om iets uit te leggen, ontgaat me niet.)

(Nog een tussen haakje: u merkt dat ik de islamitische cultuur uit het verhaal weglaat. Dat is omdat die, kort door de bocht, ook een kant heeft die het klassieke erfgoed afwees en haar creatieve kant juist dáár zit. Dit is ook waar haar bijdrage aan de westerse beschaving het sterkst is.)

(Nog een tussen haakjes: het gemakzuchtige argument dat alle denken over culturele continuïteiten ontaardt in essentialisme, is precies dat – gemakzuchtig.)

Besluit

Ik denk dan ook dat De Blois en Van der Spek iets anders hadden moeten schrijven: de Europese cultuur heeft de afgelopen eeuwen inspiratie ontleend aan de Joods-Grieks-Romeinse cultuur en hun voorgangers in Egypte en Mesopotamië. Het is een latere keuze geweest om op de Oudheid terug te grijpen en de grenzen van de Oudheid zijn niet die van het object dat onze cultuur vormt, maar zijn de grenzen die het kennend subject eraan oplegt.

In gewone mensentaal: de Oudheid van De Blois en Van der Spek is simpelweg wat we in West-Europa altijd de Oudheid hebben genoemd. De grenzen van de wetenschappelijke vakgebieden zijn nu eenmaal historisch gegroeid.

[Een overzicht van deze reeks is hier.]

#antiekeCultuur #dataschaarste #DeBloisEnVanDerSpek #grenzenVanDeOudheid #handboek #inspiratie #invloed

Oudheidkunde is een wetenschap

Dat was grappig. Ik was zondag naar de intocht van Sint-Nikolaas geweest en toen ik thuis kwam lag er voor mijn deur zomaar een doos met daarin vijftien exemplaren van mijn nieuwe boek. Ik verwachtte de auteursexemplaren pas later, dus dit Sinterklaascadeau was een aangename verrassing.

Oudheidkunde is een wetenschap

Oudheidkunde is een wetenschap gaat over dat wat de oudheidkundige wetenschappen maakt tot wetenschappen. Ik sprak erover met een stuk of veertig onderzoekers uit Nederland, België en Duitsland. In het boek leg ik eerst uit dat het tijdperk tussen 3000 v.Chr. en 650 na Chr. een eigen karakter heeft waar het centrale kentheoretische probleem, dataschaarste, als automatisch uit voortvloeit. Ik vertel verder dat de dagelijkse wetenschappelijke praktijk reageert op het heden en dus steeds nieuwe vragen stelt en nieuwe inzichten biedt. In diezelfde dagelijkse praktijk groeit het databestand. Soms spectaculair, al hebben we zelfs dan te weinig data.

De dynamiek zit echter niet in de dagelijkse wetenschap. Ze zit in nieuwe technieken die nieuwe soorten inzicht opleveren. Naast archeologische prospectie en oudheidkundig klimaatonderzoek zijn dat digitale paleografie en de manier waarop de DNA-revolutie de uitleg van de antieke cultuur, met name teksten, verandert. Of zou moeten veranderen. Tot slot ga ik in op de vraag hoe het publiek hierover meer kan vernemen.

Afgaand op mijn onverwachte Sinterklaascadeau is het boek nu dus gedrukt. Het zal deze week dus wel aankomen in de winkels. Anders volgende week, maar in elk geval voor Sinterklaas.

Bijeenkomsten

Er zijn twee bijeenkomsten. Geen boekpresentaties waarbij de auteur iets voorleest, wat vragen beantwoordt en dan gaat zitten signeren. Met een dergelijke presentatie plaatsen we, als ik zo onbescheiden over mijn boek mag spreken, het licht onder de korenmaat. We willen iets bieden dat boeiender is. En neem van mij aan: de inhoud van elk boek is interessanter dan dat signerende auteurtje. We plaatsen dus de inhoud centraal.

Op donderdagmiddag 30 november spreken Rens Bod en ik in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden over de schadelijke versplintering van de geesteswetenschappen in het algemeen en over de oudheidkundige bloedgroepen in het bijzonder. We denken dat we ook oplossingen hebben, waardoor én het onderzoek kwalitatief kan verbeteren én de voorlichting beter kan. Bod en ik overhandigen het eerste exemplaar dat ik uit mijn Sinterklaasdoos haalde aan wetenschapsjournalist Marcel Hulspas. Meer informatie hier, ook over de livestream voor wie niet in Leiden woont. Er is in het museum trouwens ook een leuke expositie over het Jaar 1000.

De avond ervoor, dus woensdag 29 november, hebben Robert Nouwen en ik het in de Antwerpse boekhandel De Groene Waterman over het politiek misbruik dat mogelijk wordt als het oudheidkundig onderzoek niet goed wordt uitgelegd. U mag denken aan Ambiorix als nationale held, aan Bart De Wevers fantasieën, aan Mark Ruttes verzinsels over migratie als oorzaak van de ondergang van het Romeinse Rijk en aan (anti)zionistische claims. U kunt u hier aanmelden.

#antiekeCultuur #dataschaarste #MarcelHulspas #OudheidkundeIsEenWetenschap #RensBod #RobertNouwen #vanitasVanitatum

1700 jaar Nikaia (3): het concilie begint

Constantijn (let op het embleem op de helm; Staatliche Münzsammlung, München)

Het is vandaag 1700 jaar geleden dat in Nikaia, het huidige İznik in Turkije, de grote kerkelijke vergadering begon die bekendstaat als het Eerste Oecumenische Concilie. Nu zou het zomaar eens kunnen zijn dat u nog nooit een oecumenisch concilie hebt bijgewoond, dus leek het me zinvol eens te vertellen wat er zoal gebeurde. Hoewel de handelingen (actae) verloren zijn gegaan en we dus geen primaire bron hebben, zijn er redelijk wat secundaire bronnen, waarover ik later nog zal bloggen.

Voorbereidingen

Uiteraard werden eerst uitnodigingen verstuurd. Toevallig is een zo’n uitnodiging overgeleverd in een in de vijfde eeuw door een Armeense geleerde aangelegde verzameling. Het was Constantijn (en niemand anders) die de bisschoppen uitnodigde, en uitlegde dat de locatie in Nikaia was gekozen omdat de stad voor Italische bisschoppen makkelijk bereikbaar was, omdat er een gunstig klimaat was en omdat hij zelf ook van plan was vanuit Constantinopel langs te komen. De genodigden – zoals gezegd: niet iedereen die zich christen noemde – ontvingen behalve reisvouchers ook de agenda. Die is verloren, maar Eusebios van Caesarea vermeldt dat er reden was om te overleggen over de relatie tussen God de Vader en God de Zoon, over bisschoppen die (zoals Meletios van Lykopolis) hun autonomie wilden handhaven en over de kwestie van de paasdatum.

Vanuit het perspectief van de christenen, traditioneel geleid door autonome bisschoppen, was het, zoals gezegd, wat dubieus dat het concilie zich bevoegd achtte algemeen geldende regels op te stellen. De keizer had, als hoofd van de staatsgodsdienst, dit recht wel. Hij diende zichzelf echter niet aan als pontifex maximus, “hoogste priester”, zijn titel als hoofd van de staatsgodsdienst. In plaats daarvan benutte hij de meer christelijke titel episkopos. Dat woord betekent doorgaans bisschop, maar de oorspronkelijke betekenis was die van opzichter en het lijkt erop dat Constantijn dat heeft bedoeld. Dat hij zich echter met een voor christenen herkenbare titel presenteerde, suggereert een persoonlijke betrokkenheid.

Evengoed was het uniek dat de keizer ingreep in christelijke aangelegenheden. Om de pil te vergulden, werden christelijke aanwezigen herinnerd aan een precedent: de vergadering in Jeruzalem die staat genoemd in de Handelingen van de apostelen. De apostelen hadden daar hun beslissing genomen “in overeenstemming met de heilige Geest”,noot Handelingen 15.28. en dat zou ook in Nikaia gelden: het mocht dan een keizerlijke ingreep zijn, aangezien er consensus groeide, was evident dat Gods zegen er desondanks op rustte. De Oostenrijkse oudheidkundige Günter Stemberger heeft er overigens op gewezen dat de bevoegdheden van het Concilie van Nikaia feitelijk waren geïnspireerd door het joodse Sanhedrin.

20 mei 337

Op 20 mei begonnen in het paleis van Nikaia, zes eeuwen eerder gebouwd door koning Nikomedes I van Bithynië, de voorbereidende besprekingen. Er waren gasten uit de hele wereld, dus niet alleen het Romeinse Rijk: ook uit Mesopotamië en Armenië kwamen bisschoppen.We weten niet precies hoeveel aanwezigen er waren: Eusebios stelt dat het er “meer dan 250” waren, andere auteurs noemen 270, “bijna 300” en zelfs 318. De diverse handschriften van het Synodikon, de lijst van deelnemers, bevatten tussen de 200 en 220 namen.

De bisschop van Rome, Sylvester I, liet zich vertegenwoordigen door twee priesters. De verklaring is dat de paus al oud was, maar er speelt mogelijk meer: de bisschop van Rome claimde destijds al de eerste onder gelijke bisschoppen te zijn, en zou later het recht opeisen de beslissingen van elke kerkelijke vergadering te mogen bekrachtigen. Het kan zijn dat dit ook Sylvesters positie al was: hij liet anderen debatteren en zei dan na afloop ja of nee. Dataschaarste zijnde dataschaarste valt dit niet precies te weten. Overigens erkende het Concilie van Nikaia het gezag van de bisschop van Rome over alle Latijnse provincies – niet gering.

Constantijn in Nikaia

Drie dagen na het begin van de voorbesprekingen arriveerde Constantijn zelf – met alle op effect gerichte fanfare waarmee een antieke vorst zijn onderdanen kon overdonderen. Denk aan trompetgeschal en een presentatie die hem, aldus Eusebios, “deed lijken op hemelse gezant van God”. Het is wonderlijk dat de auteurs van onze bronnen deze epifanie opvatten als uiting van bescheidenheid. Het curieuze argument is dat een keizer traditioneel al op zijn troon zat als de gasten binnenkwamen, en dat het dit keer de bisschoppen waren die al zaten.

Nu is de keizerlijke aanwezigheid misschien aanleiding tot vragen. In christelijke bronnen staat Constantijns aanwezigheid ook vermeld voor de Synode van Arles (314), hoewel we weten dat hij feitelijk een campagne leidde tegen de Franken. Dat Constantijns aanwezigheid in Nikaia eveneens een vroom verzinsel is, is dus denkbaar, maar we weten uit de wettencollectie die bekendstaat als Codex Theodosianus dat de keizer in deze tijd te Nikaia regelgeving heeft uitgevaardigd. Hij was er zeker.

Het was óf Eusebios van Caesarea óf Eusthathios van Antiochië die de keizer welkom heette met een gebed voor ’s keizers gezondheid. Constantijn bedankte in het Latijn, de taal die de keizer altijd sprak aan het begin van een officiële plechtigheid. De eigenlijke beraadslagingen waren in het Grieks, de taal van het Nieuwe Testament, de moedertaal van de meeste aanwezigen en de taal waarin ook de Latijnse, Armeense en Aramese bisschoppen uit de voeten konden.

[wordt vervolgd]

#Aramees #bisschop #CodexTheodosianus #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #dataschaarste #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #EusthathiosVanAntiochië #GünterStemberger #GriekseTaal #Latijn #MeletiosVanLykopolis #NikomedesI #primaireBron #Sanhedrin #secundaireBron #SylvesterI #Synodikon

Nicaea (İznik) - Livius

1700 jaar Nikaia (2): de gastenlijst

Het Concilie van Nikaia (negende-eeuws manuscript uit Vercelli)

De Oudheid is per definitie de periode waarover we naast het archeologische materiaal ook geschreven bronnen hebben, maar niet voldoende om te komen tot werkelijke geschiedvorsing. Daardoor zijn er talloze onderwerpen waarover we niets weten. Zo staat vast dat Egypte in de tweede eeuw na Chr. een ware fabriek van nieuwe christelijke ideeën is geweest, maar hebben we geen idee, zelfs geen begin van een idee, hoe het christendom in Egypte is gekomen. Dat is maar één voorbeeld van het simpele feit dat we over de Oudheid eigenlijk altijd onvoldoende weten.

Gelukkig begrijpen we wel waarom we over bepaalde onderwerpen minder informatie hebben dan er moet zijn geweest. We weten dat er teksten zijn geweest van de mensen die Christus vereerden in combinatie met andere goden, maar de middeleeuwse kopiisten hebben die niet overgeschreven. Ook de teksten van degenen die later als ketters zouden komen gelden, zijn op deze wijze verloren gegaan.

Schaarse informatie is normaal en het is niet vreemd dat we alleen indirect zijn geïnformeerd over het Eerste Concilie van Nikaia, dat morgen 1700 jaar geleden is begonnen. We beschikken niet over de zogeheten actae, “handelingen”, die we over andere kerkelijke vergaderingen wel hebben. De wel overgeleverde deelnemerslijst, het Synodikon, is een latere reconstructie. Hoewel de in Nikaia genomen beslissingen bekend zijn, en we ook wel iets weten over het verloop van de discussies, missen we belangrijke stukken informatie. Het is bijvoorbeeld onbekend hoe de gastenlijst tot stand is gekomen.

Geweigerde bisschoppen

En dat is wel een gemis, want lang niet iedere bisschop was uitgenodigd. Zo ontbrak bisschop Donatus van Karthago. Die had weliswaar een discussie over de financiën van zijn kerk verloren en is de geschiedenis in gegaan als ketter, maar dat was pas later. Wie in 325 besloot hem niet uit te nodigen, en wel Donatus’ rivaal Caecilianus, had al een beslissing genomen over wat orthodox was en wat niet. Een misschien voorspelbare beslissing, aangezien Donatus in de westelijke provincies al een reputatie had als onruststoker, maar evengoed: niet iedere zich christen noemende bisschop was uitgenodigd. We weten niet wie de gastenlijst samenstelde, met welk recht en met welke criteria.

Een soortgelijke kwestie speelde in Boven-Egypte, waar bisschop Meletios van Lykopolis een conflict had met de bisschop van Alexandrië. Volgens de regels die in Nikaia afgesproken zouden worden, zat Meletios in dit conflict verkeerd, maar die regels waren er vanzelfsprekend nog niet toen iemand besloot Meletios niet uit te nodigen. Terwijl Meletios en ook Donatus als bisschoppen van hun steden een grote autonomie hadden en officieel niemand boven zich hadden staan die beslissingen over hen kon nemen, plaatsten de organisatoren van het concilie zich wel boven de bisschoppen.

Er kunnen meer van dit soort gevallen zijn geweest en we weten zeker dat er in Nikaia niemand is geweest die een niet-exclusivistische uitleg van het geloof voorstond. Terwijl Christus vereren in combinatie met andere goden, hoe ongebruikelijk wij dat ook vinden, destijds was wat elke weldenkende Romein zou hebben gedaan. Hoeveel Christusvereerders hadden de andere goden afgezworen? Hoeveel mensen combineerden de verering van Christus met de verering van andere goden? Hadden we maar meer informatie, maar het simpele feit is dat we over de exclusivisten wél informatie hebben en over de niet-exclusivisten niet. We kunnen niet vaststellen hoe representatief de genodigden in Nikaia zijn geweest voor de toenmalige verering van Christus.

Een proto-kerk?

Hoe dat ook zij: er was iemand die al beslissingen aan het nemen was voordat het Concilie van Nikaia begon, en die iemand had het oor van de keizer. Een mogelijke hypothese is dat er al iets bestond dat we gemakshalve “de proto-kerk” zullen noemen: een groep bisschoppen die weliswaar niet officieel was georganiseerd, maar zich op veel punten al kon presenteren als “de” vertegenwoordiger van de christelijke gemeenschap. Die groep was dan exclusivistisch van aard.

Hoewel de geschiedenis vaak zo wordt gepresenteerd, en er ook exclusivistische bronnen zijn over bisschoppen die met elkaar communiceren en discussiëren, is deze hypothese feitelijk ontoetsbaar omdat we, zoals gezegd, niet weten hoe representatief onze informatie is. Doordat de kopiisten teksten met sterk afwijkende meningen niet overschreven, hebben we over de eeuwen vóór Nikaia vooral informatie die in lijn is met de daar vastgestelde orthodoxie. Er is tekstselectie geweest, zoals altijd het geval is met informatie over de Oudheid.

Toch is er een aanwijzing voor het bestaan van een min of meer erkende kerk vóór 325. Die aanwijzing betreft een zekere Paulus van Samosata, die bisschop was in Antiochië en ideeën verkondigde die in 269 werden afgewezen door een vergadering van zo’n zeventig bisschoppen. Zij zetten hun collega af, waarop keizer Aurelianus in 272 een hoorzitting organiseerde. Hij liet zich daarbij adviseren door de bisschoppen in Italië en bevestigde de afzetting. In deze anekdote ligt besloten dat er op dat moment een min-of-meer officiële kerk was, waar zelfs een keizer naar luisterde.

Het probleem met deze anekdote is dat onze informatie vooral afkomstig is van Eusebios van Caesarea, een auteur die het bisschoppelijk gezag voortdurend benadrukt. Natuurlijk waren er rotte appels. Eusebios was een realist. Maar het college van bisschoppen corrigeerde dwalende bisschoppen als Paulus, en de gelovigen mochten hun herders vertrouwen. Aldus Eusebios. De anekdote past te goed bij de tendens van zijn werk om niet verdacht te zijn. Dat wil niet zeggen dat de bisschop van Caesarea snoeihard liegt, maar wel dat we zijn informatie niet kritiekloos mogen overnemen.

Nikaia: de gezagsvraag

Samenvattend: de gastenlijst van het Concilie van Nikaia is opgesteld door iemand die mensen uitsloot. Hier was iemand aan het werk die naar bepaalde conclusies toe wilde werken. In welke mate deze organisator een eerdere, min of meer erkende kerk vertegenwoordigde, en hoe representatief de vergadering was voor alle vereerders van Christus, valt niet langer uit te maken. We beschikken over te weinig data: het waren, zoals het cliché luidt, de overwinnaars die de geschiedenis schreven. Of, beter gezegd: het waren de orthodoxen die de bronnen kopieerden.

Waar het om draait: er zijn bisschoppen geweest die vasthielden aan hun aloude autonomie, die niet werden uitgenodigd en die, autonoom als ze waren, ook geen reden hadden om het gezag van het Concilie van Nikaia te erkennen. Nikaia schiep de eenheid die Constantijn wilde, maar feitelijk is de vraag met welk religieus gezag de verzamelde bisschoppen hun meningen oplegden aan de kerk.

[later meer over Nikaia]

#bisschop #Caecilianus #ConcilieVanNicea #ConstantijnDeGrote #dataschaarste #donatisme #Donatus #EersteConcilieVanNikaia #EusebiosVanCaesarea #exclusivistischeChristenen #kopiist #MeletiosVanLykopolis #nietExclusivistischeChristenen #PaulusVanSamosata #Synodikon #tekstselectie