Faits divers (43): alles dubbel

Thracische Pegasos (Archeologisch museum, Razgrad)

Alweer een aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer: twee keer museumnieuws, twee keer leuk onderzoek, twee leuke websites, twee reizen en twee boeken.

Tweemaal museumnieuws

Het jaar is nog niet ten einde, maar ik denk niet dat we nog beter museumnieuws gaan krijgen dan dit: op zaterdag 13 december heropent Museum Dorestad (in Wijk bij Duurstede) zijn deuren. Ik ben al eens een kijkje wezen nemen. Uiteraard kan een klein museum in een niet al te rijke gemeente zich niet meten met het Louvre of het Vaticaan, maar dat laat onverlet dat het verleden van Dorestad voor Nederland belangrijk is. Hier vinden we immers de eerste echte sporen van een traditie die we onze eigen geschiedenis kunnen noemen.

Ik kan, ja moet, hierbij slagen om de arm maken: wie definieert het eigene? En ja, er zijn natuurlijk eerdere vondsten. Maar je kunt het ook anders bekijken: een eenentwintigste-eeuwse Nederlander die naar Dorestad zou kunnen reizen, zou hier de taal, religie en literatuur sneller herkennen dan in pakweg Romeins Utrecht. In die zin is dit “ons” verleden. Gaat dat zien.

Ander museumnieuws: de reizende Egypte-tentoonstelling van het Rijksmuseum van Oudheden is terug in Leiden. Ik ben er nog niet geweest – ik kan niet zo veel voor u werken als ik zou willen omdat ik eerst geld moet verdienen – maar het zal vast piekfijn in orde zijn.

Twee keer leuk onderzoek

Er is één oudheidkunde maar in meerdere disciplines. Interdisciplinariteit (begrip van elkaars methoden) is voor hedendaagse onderzoekers nogal eens wat te hoog gegrepen, terwijl multidisciplinariteit (elkaars conclusies lezen) doorgaans slechts een vinkje is bij een subsidieaanvraag. Toch is de ambitie tot samenwerking nog springlevend en dat levert leuke resultaten op, beide met betrekking tot de Bronstijd.

Het eerste betreft Tarhuntassa, een belangrijke Hittitische stad die ergens in het zuiden van het huidige Turkije moet hebben gelegen. Toen het Hittitische Rijk rond 1200 v.Chr. desintegreerde, werd Tarhuntassa de hoofdstad van een van de opvolgerrijken. De archeoblabla rept natuurlijk van “mysterious” en “long lost”, maar desondanks is dit interessant.

Tot nu toe was de speurtocht vooral gebaseerd op teksten, maar nu komt daar het laboratoriumonderzoek bij van de klei waarvan de vanuit Tarhuntassa verstuurde (kleitablet)brieven zijn vervaardigd. Uiteindelijk zullen ook wel LIDAR-beelden worden gebruikt. Het persbericht is een oninteressante litanie van oninteressante wetenschappernamen en oninteressante bedankjes, maar het onderzoek is dus wel interessant. De moeite van het in de gaten houden waard.

Het tweede leuke onderzoek is dat naar de fall out van de Thera, een vulkaan in de Egeïsche Zee die ergens op de grens van Midden- en Late Bronstijd ontplofte en een oeroude stad bedekte. Het uitgebraakte puin is op diverse plaatsen gevonden en er is wel geclaimd dat deze explosie sporen naliet in jaarringen en ijslaagjes. Dat is overigens ook weer tegengesproken: die sporen zouden behoren bij een andere vulkaanuitbarsting. Ik heb weleens over de problematiek geschreven.

Is de match tussen Thera en de jaarringen/ijslaagjes al omstreden, het wordt helemaal complex als we kijken naar de relatie met Egypte, waar puimsteen is gevonden dat aan deze uitbarsting wordt toegeschreven. Dat lijkt nu ouder te zijn dan werd gedacht. Ik kan niet beoordelen of de kwestie nu voorgoed uit de wereld is geholpen, maar het is fijn te zien dat diverse soorten onderzoek samenkomen.

Twee websites

Ik schrijf hier meestal over de oude wereld, maar dat maakt me niet blind voor andere onderwerpen. Ik vestig uw aandacht graag op de site over de Nederlandse geschiedenis die de Amerikaanse webmaster Bill Thayer onderhoudt. Als die naam een belletje doet rinkelen, dan klopt dat, want hij is ook de man die LacusCurtius maakte. In zijn website over Nederlandse geschiedenis is van alles te vinden, zoals teksten over de Nederlandse kolonie rond het huidige New York en – sinds kort – Clinton Weslagers Dutch Explorers, Traders and Settlers in the Delaware Valley 1609‑1664.

Ook vraag ik uw aandacht voor Vers Twee. Dat is de website van Theo Hakkert, die tot nog niet zo lang geleden columnist was in Tubantia. Vers Twee was eerst zijn persoonlijke blog, inmiddels bouwt hij de site uit tot het brede culturele online-platform dat we al zo lang nodig hebben. Een van de auteurs die er al publiceerde, is classicus Piet Gerbrandy, die vertelde over de recente uitgave van de brieven van Cicero.

(U hoeft niet verder te lezen.
De rest van deze Faits Divers is reclame.)

(Reclame) Twee reizen

Omdat ik, zoals gezegd, niet zoveel kan werken als ik zou willen, maar eerst geld moet verdienen, organiseer ik in het voorjaar twee reizen. De ene is naar Bulgarije en Roemenië en concentreert zich op de Thraciërs, Romeinen en het middeleeuwse verleden. Als u belangstelling hebt, kunt u uw naam hier opgeven en dan krijgt u informatie toegestuurd. De andere reis voert langs Keltische (en nog wat andere) locaties in Duitsland, Zwitserland en Frankrijk. Als u uw naam daar achterlaat, krijgt u informatie.

(Reclame) Twee boeken over Libanon

Ik schreef twee boeken over Libanon: het ene maakte ik met Hein van Dolen en ging over Filon van Byblos, en u bestelt het daar; het andere is een algemene geschiedenis en u bestelt het daar. Maar wat ik vooral leuk vind, is dat Hein en ik op donderdag 20 november een presentatie over die boeken verzorgen in Boekhandel Van Rossum aan de Beethovenstraat 30-32 in Amsterdam (tramlijn 5, halte Gerrit v/d Veenstraat). Het wordt een leuke bijeenkomst en aanmelden is aangeraden.

#BillThayer #Dorestad #FaitsDivers #Hittieten #interdisciplinariteit #multidisciplinariteit #Tarhuntassa #Thera #VersTwee #website

De Oudheid als eenheid

De Oudheid als eenheid: teksten en archeologische reconstructies bij elkaar

Een opvallend aspect van de bestudering van de Oudheid is haar verdeeldheid. Je hebt allerlei bloedgroepen, waarvan de classici en archeologen het grootst zijn, en die bloedgroepen werken nauwelijks samen. Weliswaar stimuleren subsidieregelingen interdisciplinaire samenwerking, maar zulke prikkels zouden niet nodig zijn als de onderzoekers werkelijk wilden. Ik ben niet op de hoogte van het bestaan van een door de samenwerkende onderzoekscholen opgestelde nota over de vormen van interdisciplinariteit waarvan de samenleving de meeste kenniswinst mag verwachten. De academische reflex om specialisme hoger aan te slaan dan generalisme, zit te diep. Specialisme geldt als normaal.

Voorlichting

En dat terwijl er meer is dat de bloedgroepen verbindt dan scheidt! Om te beginnen de voorlichting. Iedereen die weleens publieksvragen beantwoordt, weet dat mensen inzicht willen in de Oudheid, en geen informatie over de Oudheid met de beperkingen van de materiële cultuur of informatie over de Oudheid vanuit het perspectief van de classicus. In de voorlichting kan niemand zonder informatie uit elke bloedgroep.

Ik heb al weleens verteld dat wie een lezing verzorgt over de archeologie van de Germaanse veenlijken, zal meemaken dat een aanwezige een vraag stelt over Tacitus’ tekst over die geëxecuteerden. En omgekeerd: mensen verwachten dat wie spreekt over Tacitus’ Germania, ook uitleg geven kan over het Meisje van Yde. Voor het publiek bestaat de grens tussen klassieke talen en archeologie niet. Publiekstijdschriften als Archeologie Magazine, Phoenix, Hermeneus, Antike Welt, Dossiers d’ archéologie of Ancient History springen van vondsten naar teksten en terug. Hetzelfde geldt voor musea: ook al ligt het zwaartepunt bij de objecten, vaak zijn op de muren vertaalde teksten aangebracht. Zie boven voor een voorbeeld.

Onderzoek

Wat geldt voor informatieoverdracht, geldt ook onderzoek. De grenzen van de Oudheid, pakweg 3000 v.Chr. tot 650 na Chr., zijn immers kentheoretisch bepaald. Daarvóór hebben we uitsluitend archeologische informatie; met het ontstaan van het schrift krijgen we naast dat materiële bewijs ook teksten, al zijn het er niet genoeg. Na de arabisering is er wel voldoende bewijsmateriaal. Het westen bereikte  dat punt iets later, maar ook daar markeert het moment waarop we genoeg geschreven informatie krijgen het einde van de dataschaarste. De Oudheid is het tijdperk waarbij we voortdurend moeten nadenken over verloren data. Oudheidkundigen proberen al een eeuw of zes nieuwe soorten informatie aan te boren.

Nog een belangrijk punt: de pre-feodale samenlevingen tussen 3000 v.Chr. en 650 na Chr. hadden wezenlijke sociale, economische en culturele overeenkomsten. Slavernij was gewoon, de agrarische sector was onvoorstelbaar groot, er was sprake van een vroege staat. Deze kenmerken zijn niet exclusief voor de Oudheid, maar maken wel dat er opnieuw meer is dat de diverse bloedgroepen verbindt dan scheidt.

Rechtvaardiging

Ik wijs er nog op dat West-Europa – niet geheel terecht en ook niet geheel onterecht – Jeruzalem, Athene en Rome heeft aanvaard als culturele erflaters. Een fors deel van de westerse cultuurgeschiedenis is een dialoog met de joodse en klassieke cultuur.

Oudheidkundigen misbruiken dat regelmatig om de bestudering van de Oudheid te rechtvaardigen. Dat is natuurlijk onzin. Rechtvaardiging is helemaal niet nodig. De antieke cultuur is gewoon boeiend. Om elke hoek ligt iets moois voor je klaar waar je je over mag verbazen. Het genot dat je daaraan beleeft, vormt voldoende rechtvaardiging. Dit geldt – opnieuw – voor alle bloedgroepen.

De belangstelling mag dan geen rechtvaardiging nodig hebben, dat ligt anders bij de onderzoeksfinanciering. Het zou immers oneerlijk zijn als wij met z’n allen betaalden om een handvol wetenschappers als enigen te laten genieten. Vandaar dat universiteiten relevantie zijn gaan claimen voor de Oudheid. Bij de argumenten zit een hoop gebakken lucht. De argumenten die echter wél overtuigend zijn, hebben echter gemeen dat ze van toepassing zijn op én classici én archeologen én oudhistorici én andere oudheidkundigen.

Drie rechtvaardigingen

Primo, in de Oudheid zijn dingen ontstaan die ons beïnvloeden. Dat wil zeggen: er gaat van de ene samenleving vormende werking uit op de andere. Tenzij wij, voorzien van een vrije wil, besluiten dingen anders te gaan doen, zullen we als vanzelf dingen op een bepaalde manier doen of er op een bepaalde manier over denken. Een voorbeeld dat ik al eens uitwerkte is het schisma tussen joden en christenen, afgedwongen door Domitianus’ snoeiharde toepassing van de zogeheten Fiscus Judaicus. Wij kunnen ons al vele eeuwen niet voorstellen dat iemand joods en christelijk tegelijk kan zijn, of überhaupt meer dan één godsdienst zou kunnen hebben. Daar heeft een samenleving uit het verleden invloed op onze cultuur. Als je Domitianus’ beleid echter werkelijk wil doorgronden, zul je classicus en archeoloog en historicus moeten zijn.

Secondo, we kunnen antieke ideeën reconstrueren, kunnen ze vergelijken met onze eigen ideeën en kunnen daardoor beter herkennen dat onze eigen opvattingen niet de enig mogelijke zijn. Ze zijn plaats- en tijdgebonden. Als we dat herkennen, kunnen we beter begrijpen waarom we denken zoals we denken. Je zult die antieke ideeën echter alleen kunnen reconstrueren door álle data mee te nemen. De dataschaarste dwingt je.

Terzo, de oudheidkunde heeft als vak invloed op de samenleving. Rens Bod heeft dit mooi beschreven in De vergeten wetenschappen (2010). Zo leidde de tekststudie van de Renaissance in de zestiende eeuw tot de Reformatie. Op de integratie van de etnografie in het geschiedbeeld volgde in de achttiende eeuw de Verlichting. De vooruitgangsgedachte, eenmaal archeologisch onderbouwd, leidde tot het twintigste-eeuwse modernisme, de gedachte dus dat alles wat nieuw is ook beter is. U merkt: het gaat weer om alle bloedgroepen. Het is volstrekt stompzinnig ze gescheiden te houden en dooddoeners waarmee de specialismen worden verdedigd zijn nog geestdodender.

Ik weet het: dit is een vergeefs stukje. Het oudheidkundig hyperspecialisme is zo ingeburgerd dat het aan de universiteiten geldt als normaal. De universiteit hervormen – en ik bedoel dat letterlijk: her-vormen – is eigenlijk niet langer mogelijk. Maar ik weiger te doen alsof dat normaal is.

[De oudheidkundige wetenschappen bieden meer dan feitjes, wistjedatjes en trivaliteitjes. Het zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van vergelijkbare stukjes is daar.]

#antiekeCultuur #dataschaarste #generalisme #hyperspecialisme #interdisciplinariteit #MeisjeVanYde #schrift #specialisme

Wat is archeologie? (5) Toekomst

Marc van Oostendorp legt uit hoe de Nederlandse wetenschap er voor staat.

[Dit is het laatste van vijf blogjes over wat archeologie is en hoe we haar belang beter kunnen uitleggen. Het eerste deel was hier.]

Wat is archeologie? (5) Wat te doen?

Samenvattend: archeologie is een wetenschap waarin het evenveel draait om de vondsten als om de vragen. In de voorlichting ligt de nadruk meer op het eerste dan op het tweede, en omdat het wetenschappelijke proces dus onderbelicht blijft, is het voor politici en academische bobo’s prijsschieten. Oudheidkundigen worden onvoldoende begrepen, ook door journalisten, en kunnen weliswaar rekenen op sympathie maar niet op genoeg begrip. Bestuurders kunnen rustig een vakgroep opheffen of op een museum bezuinigen, aangezien niemand snapt wat verloren gaat. Bezuinigen is electoraal veilig.

Net als Dig It All, de houtkamer, Geheimen van het Pottenbakkerswiel, Judith en Le Phare probeert de expositie Boven Het Maaiveld in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden de doorgaans ontbrekende informatie wél te geven. Het is, zoals gezegd, niet slechts een stap maar een reuzensprong in de goede richting. We komen er echter niet mee aan de overkant. Het museum heeft ervoor gekozen de bottom-up-zijde van de archeologie te tonen, en haalt met vlag en wimpel de doelen die het zich stelt, maar ik denk dat we méér nodig hebben. Wie tevens de top-down-zijde uitlegt, toont hoe de oudheidkundige disciplines de samenleving verrijken. De Belgische voorbeelden bewijzen dat dit museaal mogelijk is.

Er komt echter nogal wat kijken bij een liefst permanente “Boven Het Maaiveld Plus”-tentoonstelling. Idealiter neemt die expositie niet het archeologisch aanbod als vertrekpunt, maar de publieke vraag, en zoals ik al aangaf zijn mensen wél geïnteresseerd in de oude wereld, maar niet in de oude wereld met de beperkingen van deze of gene academische discipline. Wie de Nederlandse archeologie uitlegt, zal veel meer dan nu gebeurt moeten samenwerken met tekstwetenschappers, ongeveer zoals een egyptoloog én hiëroglyfen kan lezen én graven.

Het academische probleem

Het echte probleem is daarom niet museaal maar academisch: de onzalige splitsing van de bestudering van de Oudheid over diverse disciplines. Die splitsing is weliswaar historisch gegroeid, maar dat ze historisch verklaarbaar is, wil niet zeggen dat ze gerechtvaardigd is. De archeoloog, de geschiedkundige, de taalkundige, de literatuurwetenschapper en ook de theoloog bestuderen immers dezelfde oude cultuur en kunnen niet zonder elkaar. In de twintigste eeuw groeiden ze steeds verder uit elkaar en de onzalige oprichting van onderzoeksscholen heeft die splitsing geïnstitutionaliseerd, althans in Nederland.

De studieduurbekorting in de jaren tachtig, eveneens onzalig, deed de rest. We hebben momenteel geen objectadequate opleidingen en zelfs zijn er in Nederland – althans naar de maatstaven die de wetgever in 1982 beloofde – alleen initiële en geen wetenschappelijke opleidingen.noot Dit probleem is opgelost door in de BaMa-structuur de norm voor wetenschappelijkheid te verlagen tot dat wat in vier of vijf jaar te leren viel. Zelfs interdisciplinariteit, sowieso een schaamlap, ligt momenteel buiten bereik. Ik ga althans pas geloven dat de universiteiten er oprecht naar streven, als de relevante onderzoeksscholen komen met gezamenlijke nota’s waarin ook museale overdracht staat behandeld. Omdat de universiteiten zo evident niet functioneren, kun je het de musea niet kwalijk nemen als ze zelfs met een reuzensprong niet voldoende vooruit komen. Als, met een metafoor van Frits van Oostrom, het motorblok van de oudheidkunde hapert, komt de wagen niet vooruit.

Anti-tentoonstelling

Boven Het Maaiveld begon alweer zes weken geleden en ik heb er lang over gedaan om mijn gedachten te ordenen. Ik ben viermaal wezen kijken. Zoals al enkele keren gezegd: de expositie bereikt de doelen die ze zichzelf stelt, maar ik denk dat een museum in deze tijd andere doelen moet stellen. Werkende weg ontstond bij mij het idee van een anti-tentoonstelling, een expositie die het Rijksmuseum van Oudheidkunde trouwens ook verplicht is aan de neutraliteit die je van zo’n instelling verwacht.

Boven het Maaiveld is immers vooringenomen: het vertelt over de successen van de archeologie, niet over de problemen. Wat is er echter tegen om een expositie te maken waarin je uitlegt:

  • hier zien jullie wat al kapot is gegaan door de studieduur tot vier jaar te beperken,
  • daar ontdek je wat op het spel staat,noot Ik verwijs nog eens naar deze oude blog, waar ik ooit wat suggesties deed om uit te leggen wat aan de oudheidkunde waardevol is.
  • en bedenk dat dit ook de andere wetenschappen te wachten staat.

Behalve benoemen dat er problemen zijn, moeten we ook herbouwen. Ik herhaal nog maar eens dat we een museale vraagbaak nodig hebben, waar journalisten zich kunnen laten bijpraten, zodat ze niet achter elke hype aanlopen. Want het zijn niet alleen de universiteiten die falen, het is ook de wetenschapsjournalistiek die gemakzuchtig is geworden.

We leven in een wereld waarin de wetenschap onder vuur ligt. Ik zie de universiteiten niet snel zeggen “na veertig jaar wanbeleid kunnen we ons werk niet langer doen”, want wie dat toegeeft, roept opheffing af over zijn eigen vakgroep. Maar misschien kunnen musea het tij helpen keren, bijvoorbeeld door een permanente “Boven Het Maaiveld Plus” of door een anti-tentoonstelling. En uiteraard ook en vooral door deel te nemen aan de onderwijsstaking, zelfs al is die zojuist verdaagd wegens een spoorwegstaking.

Enfin. Het moge duidelijk zijn: Boven Het Maaiveld biedt stof tot nadenken.

#FritsVanOostrom #interdisciplinariteit #tentoonstelling

Caesar bij Atuatuca: Berg?

Berg

Archeologie en teksten, dat is een ongemakkelijk huwelijk. Ik heb hier weleens uitgelegd waarom archeologen volgens mij wat al te makkelijk veronderstellen dat de Drususgrachten in Nederland hebben gelegen. Soms missen archeologen een kans om hun vakbroeders, de classici, te helpen: de vondsten in Velsen kunnen niet én bij een castra behoren én bij een castellum genaamd Flevum. Tenzij we het Latijn niet goed begrijpen, en het zou leuk zijn als archeologen eens over woordbetekenissen discussieerden met hun collega’s. Eerstgenoemden hebben laatstgenoemden iets te bieden. Ook de opgravingen van Herwen en Heerlen bieden meer mogelijkheden tot samenwerking dan momenteel worden waargemaakt.

Sommige dingen waren vroeger beter dan nu. De opleidingen waren bijvoorbeeld langer. De studieduurbekorting van de jaren tachtig beroofde archeologiestudenten van een eerlijke kans vertrouwd te raken met teksten – zelfs in vertaling. Andere dingen zijn tegenwoordig dan weer beter dan vroeger: archeologiestudenten leren veel meer over technieken en raken met meer data vertrouwd. Ook dat leidt echter weg van vertrouwdheid met de antieke bronnen. En dan ontstaat het gevaar dat je eerdere inzichten als vanzelfsprekend overneemt, zonder te weten dat classici en oudhistorici die inmiddels hebben weerlegd. Er is geen bewijs dat Hadrianus ooit in Voorburg is geweest, wat de plaatselijke VVV ook beweert, en het is hoogst discutabel Nijmegen als stad te typeren, wat de plaatselijke VVV ook beweert.

Daar komt nog bij dat archeologen een voorkeur hebben voor de correspondentietheorie van de waarheid terwijl hun collega’s een voorkeur hebben voor de coherentietheorie. (Dit was het thema van de discussie over maximalisme en minimalisme, die in Nederland na de studieduurbekorting abrupt ten einde is gekomen.) Doordat wetenschappers dezelfde woorden anders gebruiken, liggen misverstanden op de loer, en als de betrokkenen elkaar willen begrijpen, moeten ze beginnen heel goed naar elkaar te luisteren. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik herinner me een oudhistoricus die voorstelde een gesprek over interdisciplinariteit te voeren met Zoom of Teams, waarop de archeoloog concludeerde dat zijn collega de diepte van de problematiek niet doorgrondde en besloot de discussie op te schorten. Ik denk terecht.

Willen we de archeologie meer laten profiteren van de inzichten van tekststudie en willen we classici/oudhistorici meer laten profiteren van de archeologie, dan zijn ook meer data nodig. Veel meer data. Op dat punt is de conflictarcheologie belangrijk, omdat die vaak gaat over korte, snel ontwikkelende gebeurtenissen, zoals beschreven in teksten. Archeologie is hier geen wetenschap van de brede tijdsaanduidingen.

Berg

En nu is er een leuke ontwikkeling: Nico Roymans, die al jaren bezig is een brug te slaan tussen enerzijds de bodemvondsten en anderzijds het geschreven bewijs over de veldtochten van Julius Caesar, heeft een locatie gevonden waar Ambiorix’ Eburonen het Romeinse Veertiende Legioen kunnen hebben verslagen. Het zou gaan om Berg, de heuvel die je, fietsend van Maastricht naar Tongeren, twee kilometer voor aankomst rechts ziet liggen. Er staat een mooi oud kerkje. Hier zijn allerlei munten gevonden, heel erg veel munten zelfs. die sterk suggereren dat dit voor de Eburoonse stam de centrale plaats is geweest.

De hypothese, die al een tijdje rondzong, moet nog uitgebreid worden getest. En aangezien er daar wat grote infrastructurele projecten zijn, zijn er zowel bedreigingen als kansen. Op de uitkomst van het onderzoek vooruitlopend: er is iets dat heel erg voor deze hypothese pleit. Tongeren heette in de keizertijd Atuatuca en zo heette ook de plek waar het Veertiende ten onder ging. Tongeren zelf kan niet dat Eburoonse Atuatuca zijn, want vondsten uit die vroege tijd zijn afwezig. Bovendien is er zó veel gegraven in die stad, dat we niet langer mogen zeggen dat “absence of evidence is no evidence of absence”. Er woonden rond het midden van de eerste eeuw v.Chr. geen Eburonen, punt. Alle andere genoemde locaties liggen echter vér van Tongeren. Kanne-Caestert is weleens genoemd, onder andere door de Vlaamse archeoloog Heli Roosens, maar het zou betekenen dat de naam Atuatuca over een enorme afstand is verplaatst. Daarvoor kennen we geen parallel. Berg heeft dit bezwaar niet.

Meer onderzoek

We hebben nu meer data en een toetsbare hypothese, maar zoals gezegd: meer onderzoek is nodig. Degenen die uitgaan van de correspondentietheorie van de waarheid, zullen vermoedelijk pas tevreden zijn als er scherp dateerbare wapenvondsten zijn en slingerstenen met XIV of XIIII erop. Dat zal nog lastig worden – en juist dat maakt het debat over de twee door oudheidkundigen gebruikte waarheidstheorieën zo spannend, zo boeiend, zo belangrijk en zo urgent.

Eerder heeft Roymans geopperd dat Thuin de plaats was waar de Aduatuci (niet te verwarren met Atuatuca) werden belegerd, dat Kessel de plek was waar de Usipeten en Tencteri zijn verslagen, en dat bepaalde muntschatten in Zuid-Limburg de stille getuigen zijn van de door Caesar aangerichte genocide onder de Eburonen. Ik heb de discussie over deze hypothesen altijd vreemd gevonden. Ze behoorde te gaan over waarheidstheorieën en over de aard van het oudheidkundig bewijs; in de praktijk werd de correspondentietheorie impliciet aangenomen. Ik had, om te citeren wat een archeoloog over een soortgelijke discussie zei, de indruk dat menigeen de diepte van de problematiek onvoldoende doorgrondde.

Wat eigenlijk moet gebeuren? Meer kennis van de aard van de oudheidkundige bewijsvoering, dat om te beginnen. Daarnaast meer kennis van de problematiek van antieke bronnen, in vertaling. Kortom, we moeten de archeologische opleidingen terug brengen tot het wetenschappelijk minimum (zes of zeven jaar dus) en oud-studenten een kans geven zich bij te scholen om hun kennis op peil te brengen.

Literatuur

#absenceOfEvidenceIsNotEvidenceOfAbsence #Ambiorix #Atuatuca #België #Berg #coherentietheorieVanDeWaarheid #conflictarcheologie #correspondentietheorieVanDeWaarheid #HeliRoosens #interdisciplinariteit #JuliusCaesar #KanneCaestert #maximalismeEnMinimalisme #NicoRoymans #waarheid #XIVGemina

Dit is heel erg waar: "Het diepste probleem is [...] dat wetenschappers uit verschillende disciplines te weinig koffie met elkaar drinken."
#koffie #universiteit #onderzoek #interdisciplinariteit #circus
https://advalvas.vu.nl/wetenschap-onderwijs/de-universiteit-is-een-circus/
‘De universiteit is een circus’

Met de oudheidkunde gaat het fantastisch, blijkt uit het nieuwe boek van oudheidkundige Jona Lendering. Toch is hij ontevreden. ‘De universiteit is een zeer conservatieve instelling.’

Advalvas

Gisteren was ik bij de daverende oratie van @mariekeadria bij de Leidsche Universiteit. Een verhaal met veel #openscience #interdisciplinariteit en #erkennenwaarderen dat mensen heeft geraakt.

Ik zoek nog een goede manier om te co-tweet/tooten (twooten?) dus voor nu even de link naar mijn draadje van gisteren: https://twitter.com/SiccodeKnecht/status/1598697862384304128?s=20&t=d10ArVyB4EeTCwHRLEt5RA

Sicco de Knecht on Twitter

“We zijn los! In haar oratie aan @UniLeiden vraagt @mariekeadria ons en haar collegas de ‘oogkleppen af’ te zetten. Een wetenschap die luistert en over grenzen heenkijkt.”

Twitter