Hero en Leandros

De Hellespont tussen Sestos (L) en Abydos (R)

Het verhaal is eigenlijk vrij simpel. In Sestos, aan de Europese kant van de Dardanellen (de antieke Hellespont), leefde Hero, priesteres van de godin Afrodite. Op de Aziatische oever, in Abydos, leefde haar geliefde Leandros. Die kon zijn vriendin alleen in de nacht bezoeken en daarom zwom hij elke nacht de zeestraat over. Hero stak altijd een fakkel aan, zodat Leandros wist waarheen hij moest richten. Op een keer woei de fakkel uit en raakte de zwemmer de weg kwijt. De volgende ochtend ontdekte Hero het levenloze lichaam van haar verdronken minnaar en sprong ze van een toren af, dood.

Het zou zomaar echt gebeurd kunnen zijn. De stromingen hier zijn berucht. Van de Griekse auteurs Polybios en Strabon weten we dat zelfs schepen onmogelijk rechtstreeks van de ene naar de andere oever konden varen. Bovendien valt Sestos niet rechtstreeks vanaf de tegenoverliggende kust te bereiken omdat de stroming van de haven af stroomt en zich richt op een punt even verderop. Op de aanlegplaats stond een toren, die voor schippers een noodzakelijk oriëntatiehulpmiddel was. In de Romeinse Keizertijd was dit baken vervangen door een vuurtoren.

Overlevering

Het verhaal, dat niet gaat over goden of helden maar over gewone stervelingen, lijkt ergens in de eerste eeuw v.Chr. te zijn ontstaan. We weten niet wie het heeft bedacht. Het is sindsdien verschillende keren opgetekend. De dichters Vergilius en Horatius alluderen eraan, de geograaf Strabon veronderstelt de toren bekend, de dichter Antipatros van Thessaloniki vat het verhaaltje samen en Ovidius verzon twee brieven die de geliefden elkaar zouden hebben geschreven. Allemaal aan het begin van de jaartelling. En allemaal nemen ze aan dat de toehoorder of lezer wist wie de star-crossed lovers waren.

Hero en Leandros (Altes Museum, Berlijn)

De schildering hierboven is al even oud: het begin van onze jaartelling. Ze is in 1907 gevonden in een grafkamer bij Morlupo, een kilometer of dertig ten noorden van Rome. Er zijn een paar kleine afwijkingen ten opzichte van de standaardversie die ik hierboven aanhaalde: de man helemaal links is een dienaar die vermoedelijk is vergeten een lantaarn aan te doen, de personen rechts zijn niet geïdentificeerd. We hebben hier te maken met een variant op de anekdote.

Mondelinge literatuur

Varianten documenteren de mondelinge overlevering van zo’n verhaal: iedereen vertelt het aan elkaar, iedereen kent het, er zijn allerlei versies, eigenlijk hoeft niemand het volledig op te schrijven. En het springt van cultuur naar cultuur over, van taalgebied naar taalgebied. In het Nederlandse taalgebied is het Lied van de Twee Koninghs Kindren voor het eerst opgetekend in 1525. Een Beierse sage over een monnik en een non speelt op twee eilanden in de Chiemsee. Die vindt u hier.

Hero en Leandros (Archeologisch Museum, Djemila)

Zulke parallellen zijn volkomen normaal. Rond 1910 verzamelde de Finse geleerde Antti Aarne ze in een catalogus, die in 1927 door de Amerikaan Stith Thompson is uitgebreid en in 2004 nog een keer door de Duitser Hans-Jörg Uther. In de Aarne-Thompson-Uther-catalogus is dit verhaal nummer 666.

Ik schreef zojuist dat het verhaal van Hero en Leandros echt gebeurd kan zijn. De locatie is geschikt en er zijn geen wonderbaarlijke elementen. Ik sluit het oprecht niet uit. Maar het verhaal is te vinden in allerlei uiteenlopende culturen en van begin af aan zijn er varianten. Dat suggereert een mondeling doorgegeven anekdote, populair omdat ’ie zo mooi tragisch is.

[Dit was de 434e aflevering in mijn reeks museumstukken.]

#AarneThompsonUther #AbydosAzië_ #AntipatrosVanThessaloniki #AnttiAarne #HeroEnLeandros #Horatius #mondelingeLiteratuur #PubliusOvidiusNaso #PubliusVergiliusMaro #Sestos #Turkije

Wie was Mozes? (2)

“De woestijn waar de kinderen van Abraham veertig jaar zwierven onder leiding van Mozes” (Peutinger-kaart)

Wat bij de totstandkoming van de traditie over Mozes lijkt te zijn gebeurd, is dat mondeling doorvertelde verhalen ergens in de Late IJzertijd zijn opgeschreven door iemand die er een datering 480 jaar voor koning Salomo aan toevoegde. Het lijkt mij op dit punt valide om te zeggen: we laten die chronologie wat ze is, want daarmee heeft een auteur ooit een voor hem belangrijk punt willen toevoegen dat losstaat van de voor hem liggende, oudere tradities. En die waren dus mondeling.

Nu is die mondelinge traditie, om eerlijk te zijn, eigenlijk de oudheidkundige jokerkaart. We schuiven er Mozes mee naar de verhalenvertellers, wier vertellingen niet langer reconstrueerbaar en controleerbaar zijn. Je zegt feitelijk iets als “ja, Mozes heeft vermoedelijk bestaan, maar nee, we kunnen er niet dichterbij komen”. Zo kun je ook het bestaan beredeneren van koning Arthur en Siegfried, die vermoedelijk wel hebben bestaan, of van Herakles en Berend Botje, waarvan het bestaan veel dubieuzer is. Eigenlijk is de constatering, hoe waar ook, dat Mozes aan de samenstellers van de Bijbel bekend was uit de mondelinge traditie, een verlegenheidsoplossing.

Toetsing van een sage

Gelukkig is de geloofwaardigheid van de mondelinge tradities wel een beetje toetsbaar, zij het niet via de bronkritiek. Ik begin met de simpele constatering dat er natuurwetten zijn, die grenzen stellen aan de mogelijkheden. Wandelstokken veranderen niet in slangen, water verandert niet in bloed en zeeën splijten niet in tweeën. Zulke verhalen zijn simpelweg onmogelijk en dat wisten de mensen vroeger ook.

Daarmee komen we bij het feitelijke toetsingsinstrument: het formalisme ofwel de vormkritiek. We kennen uit de oude wereld honderden verhalen die strijdig zijn met de natuurwetten, zoals dat over de twee kinderen die geofferd dreigen te worden maar op het moment sûpreme worden opgehaald door een vliegende ram met een gouden vacht. In zo’n verhaal is er altijd een noodsituatie die normaliter niet te verhelpen is, vervolgens is er een wonder en daarna loopt alles goed af. De crux is niet dat men destijds dacht dat dit soort dingen werkelijk waren gebeurd: de crux van dit verhaaltype is een waarschuwing voor het type probleem – in ons voorbeeld een waarschuwing voor het brengen van kinderoffers, wat de goden niet appreciëren.

Zo bezien verandert het verhaal van de Uittocht in een verhaal over onderdrukking en de goddelijke bestraffing van de onderdrukkers. Het verhaal biedt daarnaast – of in de eerste plaats – wat hoop aan degenen die de onderdrukking ondergaan.

Kortom

Ik schreef al dat de datering van Exodus een punt is van discussie. Een van de mogelijke dateringen is ten tijde van de Babylonische Ballingschap (586-539 v.Chr.), die door veel Joden zal zijn ervaren als onderdrukking. Het kan, misschien is het wel zo, maar we weten het niet omdat we het niet weten kunnen.

Hoe zou het verhaal zijn gegroeid? We komen niet verder dan dat er in de IJzertijd verhalen circuleerden over een leider genaamd Mozes, dat er verhalen waren over een Intocht (niet per se vanuit Egypte), dat er herinneringen waren van nomaden die door de Sinaï trokken en dat dit alles op zeker moment is gecombineerd met een onmogelijke chronologie. Verder is een indrukwekkend verhaal geschapen over de Uittocht, waarin mogelijk echo’s klinken van werkelijke rampen en epidemieën. Misschien is een Egyptische mythe over de bloeddorstige godin Hathor omgewerkt tot het verhaal over de dood van de eerstgeborenen, dat in Exodus een theologische dubbele bodem heeft over eerstelingenoffers.

Meer valt er niet van te maken. Ik weet dat er allerlei speculaties zijn van het type “de naam Mozes is niet Hebreeuws en ziet er Egyptisch uit” (maar wat bewijst dat?), of “als de Nijl in bloed verandert, is dat eigenlijk een algenplaag” of “de lichtende zuil die de Hebreeën door de woestijn loodste, was de uitbarstende Thera”. Los van het feit dat dit laatste zou betekenen dat de Hebreeën regelrecht de Middellandse Zee in werden geloodst, zijn zulke speculaties uitsluitend bedacht om iets dat oudheidkundigen niet wetenschappelijk en overtuigend kunnen bewijzen, alsnog te geloofwaardig te doen lijken. Andere speculaties, zoals dat er herinneringen zijn aan de Hyksos-tijd, verdampen in het licht van wat inmiddels bekend is over die periode.

Dit is, volgens mij, tot waar de oudheidkundige kennis reikt. Een joodse of christelijke gelovige, die naast het oudheidkundige bewijs de openbaring erkent als bron van informatie, kan en mag vanzelfsprekend méér aannemen voor waar. Dat zal ik de gelovige niet kwalijk nemen. Maar voor anderen geldt: oudheidkundigen weten weinig over Mozes, en de zojuist genoemde speculaties, die dienen om een niet wetenschappelijk bewijsbaar verhaal alsnog te onderbouwen, zijn uitingen van pseudowetenschap.

#1Koningen #BabylonischeBallingschap #bronkritiek #chronologie #DeuteronomistischGeschiedwerk #Exodus #formalisme #Hathor #Intocht #mondelingeLiteratuur #mondelingeTradities #Uittocht

Wie was Mozes? (1)

Mozes gered uit de Nijl (muurschildering uit de synagoge van Doura Europos)

Heeft Mozes bestaan? Hoe zit het met de Uittocht uit Egypte? Die vragen kwamen vorige week binnen. Niet voor het eerst overigens, maar de problematiek is interessant genoeg om opnieuw te behandelen. Ook omdat ik nu wat anders denk over de diverse problemen.

De bronnen

Om te beginnen is er de kwestie van het bewijs. Dat is vooral het Bijbelboek Exodus, dat het verhaal vertelt van de Uittocht. De Bijbel vervolgt, na wat uitleg van de Wet, met het Deuteronomistisch Geschiedwerk (zeg maar Jozua tot en met Koningen), dat zo nu en dan terugblikt op wat we al weten uit Exodus en daaraan inhoudelijk weinig toevoegt. Als deze materie de enige bron zou zijn, zou een historicus zeggen “één bron is geen bron” en concluderen dat de informatie niet heel sterk is. Nu wordt Mozes ook op andere plaatsen in de Bijbel genoemd, waarvan Micha vrij oud lijkt. We mogen daarom minimaal concluderen dat Mozes een bekende figuur is geweest en dat over hem diverse verhalen circuleerden. Die verhalen klinken weliswaar fantastisch, maar de geloofwaardigheid is een andere kwestie, waarop ik terugkom.

We zouden meer willen weten over de wijze waarop die verhalen circuleerden. Micha leefde in de late achtste eeuw v.Chr., al is het betreffende vers wellicht een jongere toevoeging. Exodus lijkt nog jonger, al is hierover een eindeloze discussie. Het staat verder vast dat er weliswaar een schrijfcultuur was in Juda en Israël, maar dat die niet heel breed was. De meeste informatie werd destijds mondeling doorgegeven, en daarmee verschuift onze vraag: wat circuleerde mondeling? Nogmaals, de geloofwaardigheid is een andere kwestie.

De mondelinge traditie

Mondelinge literatuur kán een historische kern hebben, maar de waarheid gebiedt te zeggen dat motieven makkelijk van de ene naar de andere held overspringen. Het verhaal van Mozes’ biezen mandje is bijvoorbeeld eveneens gedocumenteerd in Mesopotamië, waar het werd verteld over koning Sargon, en het is tevens bekend van de Griekse baby Perseus, van de Romeinse Romulus en Remus, van de Indische Karna en van het Nederlandse verhaal over het wiegje dat aanspoelde op de Kinderdijk. “Baby ontkomt in mandje aan dreiging” is dus een standaardmotief uit de mondelinge literatuur.noot Dit is een subvariant van het thema van de bedreigde jeugd van de held. Ik heb vergeefs geprobeerd het ATU-nummer te vinden. Dat Mozes’ zus het mandje waterdicht maakt met pek en teer suggereert overigens dat de auteur van Exodus het verhaal heeft opgepikt in Mesopotamië, waar pek en teer, anders dan in Egypte, wel voorkomen.

Mondelinge tradities lijken ook ten grondslag te liggen aan andere delen van Exodus. De route van de Uittocht lijkt twee reisverhalen te combineren, en er zijn bovendien verhalen die elkaar tegenspreken. Voor sceptici die tot elke prijs normale literaire kritiek vermijden om de Bijbel te kunnen typeren als sprookjesboek, zijn die tegenspraken prijsschieten, maar voor oudheidkundigen bewijzen ze vooral dat er eerdere tradities zijn geweest. Immers, wie een verhaal vol tegenspraken maakt, bewijst dat hij niet alles verzonnen heeft; er waren al verhalen, die hij niet overtuigend harmoniseert. Er zal dus weleens iemand genaamd Mozes hebben geleefd (de Traditionskern), maar diens leven ligt besloten in de mist der mondelinge overlevering.

Chronologie

De verhalen over Mozes en de Uittocht zijn op schrift gesteld en de auteur van 1 Koningen, een deel van het Deuteronomistische Geschiedwerk, biedt een intrigerende opmerking: volgens hem bouwde koning Salomo de tempel van Jeruzalem 480 jaar na de Uittocht uit Egypte. Deze tempel wordt rond 930 gedateerd, dus we plaatsen Mozes rond 1410 v.Chr. Dat zou zijn geweest ten tijde van koning Amenhotep II, of eventueel zijn voorganger Toetmoses III, want de chronologie is veel minder zeker dan vaak wordt aangenomen. In elk geval: de Uittocht vond, volgens de bijbelse chronologie, plaats ten tijde van de goed gedocumenteerde Achttiende Dynastie, en een deel van het probleem is dat geen enkele Egyptische bron het vertrek van Hebreeuwse slaven vermeldt.

Er zijn wetenschappelijke en minder wetenschappelijke pogingen gedaan om te sleutelen aan de tekst. De aanname is dan bijvoorbeeld dat het niet ging om het vertrek van honderdduizenden slaven, die een krach zonder weerga zou hebben veroorzaakt, maar om kleinere aantallen. Of men neemt aan dat de datering niet klopt. Zo is wel geopperd dat de naamloze farao van de Uittocht Ramses II was of zijn zoon Merenptah, twee eeuwen na de bijbelse datering. Deze herdatering creëert een nieuw probleem, want in die tijd viel Kanaän onder Egyptisch gezag, terwijl we in het verhaal over de Intocht niets lezen over Egyptische garnizoenen. Dus hebben geleerden de datering van de Intocht verschoven naar het moment waarop er geen garnizoenen meer waren. Maar naarmate er meer archeologisch bewijs kwam, bleek de Egyptische aanwezigheid langer te hebben geduurd. Nu kunnen we de Intocht nog verder verschuiven, maar dan zijn we dus feitelijk begonnen de gebeurtenissen te verplaatsen naar een moment waarop er geen informatie meer is om het tegen te spreken. Tja.

Los daarvan: het is wat raar om een en dezelfde bron, in dit geval Exodus, te gebruiken om én de historiciteit van zekere gebeurtenissen en personen te bewijzen, én te beweren dat die bron niet klopt. Historici doen dat wel vaker, zoals wanneer ze de Dode-Zee-rollen toeschrijven aan de essenen, maar het moge duidelijk zijn dat er risico’s aan zijn verbonden.

[Wordt vervolgd]

#1Koningen #AchttiendeDynastie #AmenhotepII #bronkritiek #chronologie #DeuteronomistischGeschiedwerk #DouraEuropos #Exodus #Intocht #Karna #Kinderdijk #koningSalomo #Merenptah #Micha #mondelingeLiteratuur #mondelingeTradities #RamsesII #RomulusEnRemus #SargonVanAkkad #ToetmosesIII #Traditionskern #Uittocht

Overgeleverde teksten

Een kopiist voltooit zijn werk

De discussie ging over het doorgeven van antieke verhalen. Het ligt voor de hand dat die veranderden toen ze nog mondeling waren. U kent vast wel het kleuterschoolspelletje waarbij de kinderen in een kring zitten, het eerste kind het tweede kind iets in het oor fluistert dat die moet doorfluisteren aan het volgende kind, en dat als het bericht de kring rond is gegaan, er een totaal andere boodschap is. Doorgegeven verhalen veranderen bovendien ook als ze op schrift staan. Waren er, opperde een van de discussianten, niet ook aanpassingen gedaan aan de Bijbel?

Mondeling overgeleverde teksten

Eerst even iets over dat mondelinge doorgeven. Ik speelde net vals door het te vergelijken met dat kleuterspelletje. Men had destijds namelijk een manier om de informatie accuraat door te geven: poëzie. Alliteratie, ritme en rijm helpen goed om een korte boodschap intact te houden. De Latijnse bezweringsformule pastores pecuaque salva servassis, “herders en vee, bescherm ze”, gaat terug tot het Proto-Indo-Europees en is een millennium of drie mondeling doorgegeven. Daarbij zijn wat aanpassingen gedaan aan de taal, maar het allittererende zinnetje zelf bleef bewaard.

Een ander voorbeeld: als de plot maar goed is, gaat een verhaal ook lang mee. Dat denken we althans en het klinkt plausibel. Het sprookje van Sjaak en de Bonenstaak is met zekerheid oer-, oeroud (lees maar hier). Het probleem met deze redenering is echter dat we niet weten welke verhalen verloren zijn gegaan. Misschien hadden die wel een veel sterkere plot. En trouwens, wat is dat eigenlijk, een sterke plot? Kortom, mondelinge tradities zijn niet helemáál onbetrouwbaar, maar eigenlijk hebben we er niet voldoende vat op.

Geschreven overgeleverde teksten

Als informatie eenmaal op schrift staat, kunnen we wel zien hoe ze wordt doorgegeven. En inderdaad, er zijn aanpassingen. Omdat de discussie de Bijbel noemde, haal ik daar een voorbeeld uit:

De Heer zette David tegen het volk op met de woorden: “Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.”noot 2 Samuël 24.1; NBV21.

David doet keurig wat hem wordt opgedragen en wordt vervolgens bestraft. Voor de auteur van dit verhaal was dat geen probleem: God is te groot voor de menselijke criteria voor goed en kwaad. Een paar eeuwen later was men daar anders over gaan denken. De auteur van Kronieken past het verhaal aan:

Satan keerde zich tegen Israël en zette David ertoe aan in Israël een volkstelling te houden.noot 1 Kronieken 21.1; NBV21.

Wie nog meer bewerking zoekt, kan Genesis leggen naast Kronieken naast de apocriefe Henochitische literatuur, het Genesis-apocryphon, en Jubileeën, het Boek der reuzen en het Boek van Noach. Ik meen dat het Emanuel Tov, een van de grote kenners van de Dode-Zee-rollen, was die voor dit genre de term “reworked scripture” bedacht. Het simpele punt is: dit was een voorindustriële samenleving, waarin informatie schaars was en hoog werd aangeslagen. Men vond het om die reden belangrijker mensen juist te informeren dan de bedoeling van de auteur correct weer te geven. Men voelde zich daarom vrij de tekst te verbeteren als de opsteller zich, naar de nieuwere inzichten, had vergist. Dat op die manier juist verkeerde informatie kon ontstaan, is ons probleem, niet het hunne.

Zo moeten we ook kijken naar – ik noem eens wat – de antieke wetenschappelijke uitgaven van de homerische poëzie. Niemand bekreunde zich om de dichter zelf, het ging erom een goed gedicht te maken. Ander voorbeeld: de codificatie van het Romeins Recht door keizer Justinianus, waarin alle geldbedragen mechanisch werden aangepast aan de in zijn tijd gangbare valuta.

Hoe erg is dit alles?

Voor ons is dit allemaal wat onhandig, want wij vinden het wel belangrijk te weten wat de precieze woorden van deze of gene auteur zijn. Als er van een bepaalde tekst maar één handschrift is, zullen we nooit weten of er mee is gerommeld. Daarvoor is immers vergelijkingsmateriaal nodig.

Toch zijn er een paar hoopvolle tekenen. Een daarvan is dat we van redelijk wat teksten middeleeuwse kopieën hebben én antieke papyri, en dan blijkt de wildgroei toch niet zo groot te zijn. Een schrijffoutje hier of daar, dat wel, maar als er een standaardtekst was, werd die redelijk nauwkeurig doorgegeven. Niettemin: het blijft een punt van aandacht.

#2Samuël #BoekDerReuzen #BoekVanNoach #DodeZeeRollen #EmanuelTov #GenesisApocryphon #HenochitischeLiteratuur #Homeros #Jubileeën #Justinianus #koningDavid #Kronieken #mondelingeLiteratuur #poëzie #ProtoIndoEuropees #ReworkedScripture #Satan #SjaakEnDeBonenstaak

Proto-Indo-Europees in de Breestraat - Mainzer Beobachter

Het Proto-Indo-Europees is de moeder van bijna alle Europese talen. De ontdekking is een enorme geesteswetenschappelijke triomf.

Mainzer Beobachter

Gilgameš en Achilleus

Achilleus en Patroklos (Altes Museum, Berlijn)

Ik heb vaker verteld dat er nogal wat overeenkomsten zijn tussen de diverse mythen, sagen en sprookjes. De grote vis van Sindbad de Zeeman is die van Sint-Brandaan; de voor zijn zonden gestrafte plek kan de stad Sodom zijn maar ook het klooster in het Solse Gat of het dorp van Filemon en Baukis. Zulke overeenkomsten zijn er. Om het tot heldenverhalen te beperken: het overzicht van Jan de Vries is oud maar nog altijd handig. Voor verhalen in het algemeen is er de Aarne-Thompson-Uther Index, die ik onder andere hier beschreef.

Een deel van de verklaring tussen de overeenkomsten zal zijn gelegen in de menselijke psyche: ik wil aannemen dat mannen uit alle culturen draken willen doden & prinsessen bevrijden. Ook zijn er migranten die verhalen meenemen, zoals Sjaak en de Bonenstaak. En verder springen verhaalmotieven sowieso over van de ene naar de andere cultuur. Zo kan het gebeuren dat de Olympische Spelen het een en ander gemeen hebben met het verhaal over de lijkspelen die Gilgameš voor Enkidu organiseerde.

Gilgameš en Achilleus

Ook de parallellen tussen Gilgameš en Achilleus zijn intrigerend. Het zijn beide krachtpatsers, zoals ook Simson, Cúchulainn, Rostam, Beowulf, Herakles en Siegfried. De mannetjesputter is een standaardtype, dat voortleeft in Spiderman, Wonder Woman, Batman, Jerom en The Bride.

Er zijn meer gelijkenissen. Gilgameš en Achilleus zijn halfgoden: de Griek is een zoon van de godin Thetis, de Mesopotamiër is zelfs voor tweederde goddelijk. Dit is inherent aan het krachtpatsertype, zie het overzicht van De Vries nog even. Een andere gelijkenis tussen Gilgameš en Achilleus, eveneens behorend tot het standaardrepertoire, is dat ze een vriend hebben, Enkidu en Patroklos. Parallellen te over natuurlijk: David en Jonathan, Herakles en Iolaos, Asterix en Obelix.

Specifieker is dat de verhalen over Gilgameš en Achilleus ook thematisch overeenstemmen. Immers, beide helden verliezen hun vriend, en deze confrontatie met de eindigheid van het leven leidt tot inzicht. Dit is minder algemeen, al komt het Nibelungenlied natuurlijk pas op gang als Kriemhild haar partner Siegfried verliest, waarna we wachten op de mokerslag van de slotregel. De overeenkomst met het Nibelungenlied is overigens niet helemaal zuiver, want het literair knappe is vanzelfsprekend dat het inzicht wél de lezer maar niet Kriemhild bereikt.

Er zijn meer overeenkomsten tussen Gilgameš en Achilleus, en ik heb er voor dit blogje nog even naar gekeken, maar ik voor mij vind ze zelden overtuigend. Eén voorbeeld is dat Homeros een mooie vergelijking inlast waarin hij Achilleus’ rouwbeklag vergelijkt met het gebrul van een leeuw, en dat de redacteur van het Epos van Gilgameš iets soortgelijks schrijft. Tja. Zoveel vergelijkingsmateriaal stond dichters nou ook weet niet ter beschikking. Los daarvan: een leeuwenbeeldspraak ligt voor de hand als je het hebt over een held van het krachtpatsertype.

Kortom, de parallellen tussen Gilgameš en Achilleus zijn nogal standaard of nogal voor de hand liggend. Ze zijn er omdat ze er, heldenverhalen zijnde heldenverhalen, altijd zijn. Alleen het feit dat ze niet alleen hun vriend verliezen maar daardoor ook komen tot inzicht, is werkelijk opvallend. Je zou iets specifiekers willen hebben om te bewijzen dat een van de twee dichters bekend was met het – ongetwijfeld mondeling doorgegeven – werk van de ver weg wonende collega of iets soortgelijks.

Criteria

Begrijp me niet verkeerd: de overeenkomsten zijn er. Ik veronderstel dat Sin-leqi-unnini (zoals de redacteur van het Epos van Gilgameš heet) informatie heeft geput uit dezelfde zee van verhalen waaruit Homeros putte. Het zou dus vooral vreemd zijn geweest als er tussen de twee krachtpatsers géén overeenkomsten waren. Dat is de basis. Er kan daarenboven ook beïnvloeding zijn geweest: de oostelijke tekst, of iets dat erop leek, is op een of andere manier bekend geweest in het westen. Of andersom, want niets weerhoudt ons van de aanname dat de Babyloniër een Mykeens verhaal heeft gehoord.

Maar je zult zoiets moeten bewijzen. Minimaal moet je vaststellen dat er culturele contacten zijn geweest. (Dat is in dit geval overigens niet moeilijk.) Maar er zijn veel, veel meer criteria nodig. Dit is des te urgenter nu de hermeneutische buitengrens is weggevallen. Het denken daarover is, zoals de trouwe lezers van deze blog weten, het wezen van de DNA-revolutie. En ik vrees dat de oudheidkunde te weinig generalisten heeft om er echt werk van te maken.

#Achilleus #Batman #DNARevolutie #Enkidu #EposVanGilgameš #Gilgameš #Herakles #hermeneutischeBuitengrens #Homeros #Ilias #Kriemhild #leeuw #mondelingeLiteratuur #Patroklos #Siegfried #SinLeqiUnnini #Spiderman #Thetis

Mondelinge literatuur - Mainzer Beobachter

De DNA-revolutie plaatst de mondelinge literatuur centraal omdat de hermeneutische buitengrens in feite is verdwenen.

Mainzer Beobachter

3500 jaar Sint-Joris (1)

Sint-Joris (muurschildering uit Bahdidat)

Draken bestaan niet en drakendoders bestaan dus evenmin. En toch hebben we een verhaal over Sint-Joris die een draak versloeg en een prinses bevrijdde. Dat moet ergens vandaan zijn gekomen.

De meest invloedrijke versie zal die zijn uit de Gulden Legende, een collectie christelijke heiligenlevens die rond 1260  is samengesteld door Jacob van Voragine, de aartsbisschop van Genua. Ik citeerde die al eens op deze blog. Als de heilige Georgius, zoals Joris in het Latijn heet, ergens in Libië een prinses wil bevrijden en daartoe ten strijde trekt tegen een waterdraak, beschermt hij zichzelf met een kruisteken, velt zijn lans en verwondt het ondier. Daarop beveelt hij de prinses de draak met haar ceintuur aan te lijnen en “als een goed afgerichte hond mee de stad binnen te brengen”. Bij het zien van het monster willen de bewoners vluchten naar de nabijgelegen bergen, maar Georgius legt hun uit dat God hem heeft gezonden om hen te bevrijden van het kwaad en dat ze zich alleen maar hoeven laten dopen. Als ze dat doen, zal hij de draak alsnog doden. En zo geschiedt: twintigduizend mensen bekeren zich tot het christendom, Joris doodt het ondier en er zijn vier span ossen nodig om het kadaver de stad weer uit te krijgen.

Pure chantage, zou je zeggen.

Een zee van verhalen

We hebben een vermoeden over de herkomst van dit verhaal. Genua, waar Jacob van Voragine aartsbisschop was, was een beroemde handelsstad met contacten tot in Libanon. De Genovese familie Embriaco was daar heer en meester in de haven van Byblos. Het verhaal kan door kooplieden of kruisridders naar Italië zijn gebracht vanuit het Midden-Oosten.

Sint-Joris (Monreale)

Daar circuleerde de legende toen al, maar omdat het een verhaal was dat mensen mondeling aan elkaar doorgaven, weten we niet hoe het verhaal destijds luidde. Of beter: hoe de verhalen destijds luidden. Elke verteller paste de details immers aan zijn publiek en aan de omstandigheden aan. De luisteraars letten niet op de inhoud, want ze wisten allang hoe het afliep, maar letten op de manier waarop het werd verteld. Een goede verteller boeide zijn publiek met een gedetailleerde beschrijving van de draak, met levendige dialogen, met een exposé over de kleding van de prinses en een lange uitweiding over het verdriet van haar ouders. En uiteraard met een in geuren en kleuren verteld gevecht.

Die vertellingen werden opgeschreven op plaatsen waar Sint-Joris en de draak niet allang en alom bekend waren. Zoals in Genua. Of in Georgië aan de Zwarte Zee, waar, zo’n twee eeuwen voordat een reiziger het verhaal meenam naar Genua, al een reiziger was aangekomen met hetzelfde verhaal. Zo hebben we dus twee getuigenissen voor een in het oosten circulerende legende: een Georgische uit de elfde eeuw en een Genovese uit de dertiende eeuw. We hebben ook een elfde-eeuwse muurschildering, trouwens, uit Centraal-Turkije.

De echte Sint-Joris

We weten van het bestaan van oudere versies. Veel oudere zelfs. Ze circuleerden al in de vijfde eeuw. In deze legende is Georgius een Romeinse soldaat die in Lydda, het huidige Lod bij Tel Aviv in Israël, leefde in de tijd van de christenvervolgingen. Toen hem werd gevraagd zijn christelijke geloof af te zweren, weigerde hij en daarom werd hij op 23 april 303 terechtgesteld. Het staat vast dat er een kerk voor hem is gebouwd in Lydda. Het verhaal over de soldaat zal wel waar zijn, al is het maar omdat het vrij sober is, past bij een reële situatie en geen ongeloofwaardige elementen heeft. Zoals een draak.

En nu wordt het interessant. We kennen namelijk wel een andere vroege, eveneens te paard gezeten drakendoder-heilige. Dat is Sint-Theodorus. In het Midden-Oosten zijn nog allerlei middeleeuwse kerken waar de bezoeker op de ene muur Sint-Georgius ziet en op de tegenoverliggende muur Sint-Theodorus. Het lijkt erop dat onze Georgius, die dus een martelaar was uit Lydda, zijn draak heeft overgenomen van Theodorus. In de zee van oosterse legenden spoelde weleens een motief van de ene heilige naar de andere, zeker als de heiligen op elkaar leken. Als de ene heilige ridder een draak had gedood, waarom dan de andere niet ook?

Zesde-eeuwse pelgrimsfles met Sint-Theodoros (Louvre, Parijs)

Ook Sint-Theodorus heeft natuurlijk nooit een draak verslagen. Net als Sint-Georgius was hij een soldaat die tijdens de christenvervolgingen is gedood. Er is weleens geopperd dat het verhaal van de drakenstrijd feitelijk gaat over de onderdrukking van de heidense godsdienst en dus van begin af aan symbolisch bedoeld is geweest. Een aanwijzing daarvoor is dat in de versie die we van Jacob van Voragine kennen, sprake is van de bekering van alle bewoners van een stad.

Een heidense Sint-Joris

Maar misschien is de theorie dat de draak altijd symbolisch bedoeld is geweest, wel te ver gezocht. We weten dat de christenen in de Late Oudheid weleens de vraag hebben gesteld waarom het heidendom alle goede verhalen had, en dat de christenen toen concludeerden dat ze die verhalen maar moesten kerstenen. Als heidense verhalenvertellers op de markt altijd succes hadden bij het publiek, waarom konden de christenen dan niet diezelfde verhalen voorzien van een christelijke held en benutten voor eigen gebruik?

SInt-Theodoros (Archeologisch Museum, Sousse)

Dit is geen plagiaat, het is hoe een mondelinge verhalencultuur werkt. Op dezelfde wijze werd de biografie van de christelijke heilige Hieronymus uitgebreid met een legende over een leeuw. Die kennen we uit een oudere anekdote over een zekere Androkles. Elders lezen we hoe Sint-Nikolaas, bisschop van Myra, kindervriend en goedhuwelijksman, beurzen met goudstukken wierp door het raam van meisjes die anders geen bruidsschat hadden gehad en geen andere toekomst hadden dan het bordeel. Dat werd eerder verteld over de heidense filosoof Apollonios van Tyana. En Theodorus had de draak die hij later zou afstaan aan Georgius, overgenomen van de Griekse held Perseus.

Het verhaal van Perseus is een van de bekendste sagen uit de klassieke wereld. Als hij, gezeten op het paard Pegasos, aankomt bij een havenstad in Libië, ziet hij de prinses Andromeda vastgebonden aan een berg, als een prooi voor een watermonster. Gelukkig maakt Perseus korte metten met het ondier. De Griekse sage loopt niet af met de overgang van de stedelijke bevolking tot een nieuwe religie, maar met een ander feest: een bruiloft. Perseus en Andromeda leven nog lang en gelukkig.

Perseus bevrijdt Andromeda van de zeedraak (fresco uit Boscotrecase; Metropolitan Museum of Art, New York)

Ze zijn overigens allebei, met het paard Pegasus én Andromeda’s ouders Kefeus en Kassiopeia, in de hemel opgenomen als sterrenbeelden. Zelfs het zeemonster is van de partij: het is het sterrenbeeld Walvis.

***

Dit was het nawoord dat ik schreef bij het mooie boek Drakeblood, dat fotografe Robin Butter maakte over het zevenjaarlijkse draaksteken in het Limburgse Bessel. Het boek kan hier worden besteld.

Ik heb nog meer noten op mijn zang. Dit stukje wordt over een uur vervolgd.

#Androkles #Andromeda #AndromedaSterrenbeeld_ #ApolloniosVanTyana #Bessel #Byblos #CassiopeiaSterrenbeeld_ #CepheusSterrenbeeld_ #draak #drakendoder #Embriaco #Genua #Georgië #GuldenLegende #JacobVanVoragine #legende #Lydda #mondelingeLiteratuur #mythologie #Pegasos #PegasusSterrenbeeld_ #Perseus #PerseusSterrenbeeld_ #RobertDMillerII #SintJoris #SintTheodoros #WalvisSterrenbeeld_

Jacobus de Voragine - Wikipedia