Faits divers (49)

De berg Nemrud

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer: de reconstructie van het Proto-Indo-Europees, Anatolië, falend erfgoedbeleid en een tof proefschrift.

Medeklinkers

Ferdinand de Saussure, de beroemde taalkundige, debuteerde in 1879 met Mémoire sur le système primitif des voyelles dans les langues indo-européennes, waarin hij uitlegde dat het Proto-Indo-Europees drie medeklinkers moest hebben gekend die sindsdien waren verdwenen. De hypothese, die bekendstaat als de laryngaaltheorie, was omstreden maar werd bevestigd toen Bedřich Hrozný het Hittitisch ontcijferde, de eerste van inmiddels minimaal negen Anatolische talen. Aron Groot schreef een mooie uitleg.

Meer Turkije

En nu we het toch hebben over het antieke Anatolië, zeg maar het huidige Turkije: dat was dus een lappendeken van culturen. Negen talen: dat zegt wel iets. Als u over die pluriformiteit meer wil weten, is er nu een online-cursus, gegeven door mevrouw Yağmur Koyuncu. Er is geen webpagina, dus ik deel de poster.

Aanmelden kan met dit mailadres. Let op: ik haal dit binnenkort weg om een stortvloed aan spam vóór te zijn. Dus geef u snel op.

Arnhem

Mijn moeder is geboren en opgegroeid aan de Jansstraat in Arnhem. Ze heeft me een halve eeuw geleden eens meegenomen naar dat huis, liep daar de winkel binnen die er toen was gevestigd, en vroeg of ze haar zoon de middeleeuwse kelder mocht laten zien. Dit tot groot plezier van de verkoopster. Inmiddels staat dat huis er niet meer, want het is vandaag een jaar geleden afgebrand. En die kelder, die een monumentenstatus had, die is inmiddels gesloopt.

De eigenaar en de aannemer zouden, zo lees ik, hebben geweten dat dit niet mocht. Er wordt nu onderzoek gedaan. Het kan natuurlijk allemaal zijn gekomen door een misverstand. Maar ik moest denken aan minister van Cultuur Jet Bussemaker, die zei dat rijksmonumenten waarvan de restauratie duurder was dan het verwachte financiële rendement, konden worden gesloopt. En ik moest denken aan het uitblijven van hoger beroep toen iemand die een opgraving had geplunderd, ervan afkwam met een boete van 250 euro. Als de minister en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zo duidelijk aangeven dat ze erfgoedbescherming niet nodig vinden, kan ik me iets voorstellen bij een cynische afweging: om te verhinderen dat je veel geld kwijt bent aan een restauratie, neem je het risico van een betrekkelijk geringe boete.

Ik zeg niet dat het zo is gegaan. Maar het zou niet voor het eerst zijn.

Romeinse veenontginning

Er is superleuk onderzoek van de noordelijke rand van de Romeinse wereld. De aandacht ging lange tijd uit naar de terpen en wierden, waar in de IJzertijd en Romeinse tijd goed werd geboerd. Meer naar het zuiden, op het veen, zouden nauwelijks mensen hebben gewoond. Archeoloog Marco Bakker heeft nu een proefschrift gepresenteerd waarin hij bewijst dat al in de vierde eeuw v.Chr. in Fryslân mensen woonden in een lange gordel van wel tachtig kilometer en zo’n tien kilometer breed.

Net als de boeren op de terpen waren de veenbewoners geen arme lui: ze woonden althans in flink grote boerderijen. Niet dat het makkelijk was. Net als de terpbewoners, die hun woonplaats jaar in, jaar uit moesten bevechten op de zee, zo waren de veenboeren gedwongen landbouwgrond te winnen door het veen te ontwateren. Dat was arbeidsintensief, maar ontwaterd veen is feitelijk humus en dus vruchtbaar. Helaas zet de rot ook meteen in, waardoor de bodem inklinkt, zodat de boerderij er niet eeuwig stond. Net als in Zeeland, waar eveneens veenkussens werden ontwaterd, was het in de derde eeuw na Chr. gedaan met de exploitatie van het veen. Meer informatie hier en daar.

PS

Nu het geweld in Libanon weer oplaait, attendeer ik op mijn boek over dat land. Er is al een fors bedrag opgehaald voor Cordaid.

#AnatolischeTalen #Arnhem #AronGroot #BedřichHrozný #erfgoedbescherming #FaitsDivers #FerdinandDeSaussure #Fryslân #historischeTaalkunde #HittitischeTaal #JetBussemaker #laryngaaltheorie #MarcoBakker #ProtoIndoEuropees #veenontginning #YağmurKoyuncu

Overgeleverde teksten

Een kopiist voltooit zijn werk

De discussie ging over het doorgeven van antieke verhalen. Het ligt voor de hand dat die veranderden toen ze nog mondeling waren. U kent vast wel het kleuterschoolspelletje waarbij de kinderen in een kring zitten, het eerste kind het tweede kind iets in het oor fluistert dat die moet doorfluisteren aan het volgende kind, en dat als het bericht de kring rond is gegaan, er een totaal andere boodschap is. Doorgegeven verhalen veranderen bovendien ook als ze op schrift staan. Waren er, opperde een van de discussianten, niet ook aanpassingen gedaan aan de Bijbel?

Mondeling overgeleverde teksten

Eerst even iets over dat mondelinge doorgeven. Ik speelde net vals door het te vergelijken met dat kleuterspelletje. Men had destijds namelijk een manier om de informatie accuraat door te geven: poëzie. Alliteratie, ritme en rijm helpen goed om een korte boodschap intact te houden. De Latijnse bezweringsformule pastores pecuaque salva servassis, “herders en vee, bescherm ze”, gaat terug tot het Proto-Indo-Europees en is een millennium of drie mondeling doorgegeven. Daarbij zijn wat aanpassingen gedaan aan de taal, maar het allittererende zinnetje zelf bleef bewaard.

Een ander voorbeeld: als de plot maar goed is, gaat een verhaal ook lang mee. Dat denken we althans en het klinkt plausibel. Het sprookje van Sjaak en de Bonenstaak is met zekerheid oer-, oeroud (lees maar hier). Het probleem met deze redenering is echter dat we niet weten welke verhalen verloren zijn gegaan. Misschien hadden die wel een veel sterkere plot. En trouwens, wat is dat eigenlijk, een sterke plot? Kortom, mondelinge tradities zijn niet helemáál onbetrouwbaar, maar eigenlijk hebben we er niet voldoende vat op.

Geschreven overgeleverde teksten

Als informatie eenmaal op schrift staat, kunnen we wel zien hoe ze wordt doorgegeven. En inderdaad, er zijn aanpassingen. Omdat de discussie de Bijbel noemde, haal ik daar een voorbeeld uit:

De Heer zette David tegen het volk op met de woorden: “Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.”noot 2 Samuël 24.1; NBV21.

David doet keurig wat hem wordt opgedragen en wordt vervolgens bestraft. Voor de auteur van dit verhaal was dat geen probleem: God is te groot voor de menselijke criteria voor goed en kwaad. Een paar eeuwen later was men daar anders over gaan denken. De auteur van Kronieken past het verhaal aan:

Satan keerde zich tegen Israël en zette David ertoe aan in Israël een volkstelling te houden.noot 1 Kronieken 21.1; NBV21.

Wie nog meer bewerking zoekt, kan Genesis leggen naast Kronieken naast de apocriefe Henochitische literatuur, het Genesis-apocryphon, en Jubileeën, het Boek der reuzen en het Boek van Noach. Ik meen dat het Emanuel Tov, een van de grote kenners van de Dode-Zee-rollen, was die voor dit genre de term “reworked scripture” bedacht. Het simpele punt is: dit was een voorindustriële samenleving, waarin informatie schaars was en hoog werd aangeslagen. Men vond het om die reden belangrijker mensen juist te informeren dan de bedoeling van de auteur correct weer te geven. Men voelde zich daarom vrij de tekst te verbeteren als de opsteller zich, naar de nieuwere inzichten, had vergist. Dat op die manier juist verkeerde informatie kon ontstaan, is ons probleem, niet het hunne.

Zo moeten we ook kijken naar – ik noem eens wat – de antieke wetenschappelijke uitgaven van de homerische poëzie. Niemand bekreunde zich om de dichter zelf, het ging erom een goed gedicht te maken. Ander voorbeeld: de codificatie van het Romeins Recht door keizer Justinianus, waarin alle geldbedragen mechanisch werden aangepast aan de in zijn tijd gangbare valuta.

Hoe erg is dit alles?

Voor ons is dit allemaal wat onhandig, want wij vinden het wel belangrijk te weten wat de precieze woorden van deze of gene auteur zijn. Als er van een bepaalde tekst maar één handschrift is, zullen we nooit weten of er mee is gerommeld. Daarvoor is immers vergelijkingsmateriaal nodig.

Toch zijn er een paar hoopvolle tekenen. Een daarvan is dat we van redelijk wat teksten middeleeuwse kopieën hebben én antieke papyri, en dan blijkt de wildgroei toch niet zo groot te zijn. Een schrijffoutje hier of daar, dat wel, maar als er een standaardtekst was, werd die redelijk nauwkeurig doorgegeven. Niettemin: het blijft een punt van aandacht.

#2Samuël #BoekDerReuzen #BoekVanNoach #DodeZeeRollen #EmanuelTov #GenesisApocryphon #HenochitischeLiteratuur #Homeros #Jubileeën #Justinianus #koningDavid #Kronieken #mondelingeLiteratuur #poëzie #ProtoIndoEuropees #ReworkedScripture #Satan #SjaakEnDeBonenstaak

Proto-Indo-Europees in de Breestraat - Mainzer Beobachter

Het Proto-Indo-Europees is de moeder van bijna alle Europese talen. De ontdekking is een enorme geesteswetenschappelijke triomf.

Mainzer Beobachter

Klankwetten en taal-universalia

Oké, dit is wel een heel obligaat plaatje bij een blogje over taalkunde, maar hé, het had ook een Toren van Babel kunnen zijn en dat was als cliché nog erger.

Nog niet zo lang geleden, laten we zeggen rond 1970, bestond het idee dat wetenschappelijke kennis veelal was te herleiden tot wetmatige verbanden. Ongeveer zoals in de exacte wetenschappen dus. In de archeologie was dit een van de ambities van wat destijds bekendstond als Nieuwe Archeologie en tegenwoordig als processuele archeologie; historici hadden het over het positivistische of het wetmatige verklaringsmodel. In beide gevallen is men van de ambitie teruggekomen. De postprocessuele archeologen en latere generaties historici accepteerden dat het voor het verklaren van de verschijnselen ook weleens handig kon zijn je in te leven in de actoren – klassieke hermeneutiek, met andere woorden. Dat was én een erkenning dat er in de geesteswetenschappen een element van subjectiviteit aanwezig zou blijven én een opdracht om die subjectiviteit zoveel mogelijk in te perken.

Klankwetten

Anders dan deze twee oudheidkundige specialismen, heeft de historische taalkunde nooit de ambitie laten varen de verschijnselen wetmatig te verklaren. En inderdaad zijn talen te beschrijven aan de hand van regels die, voor de verschijnselen die ze beschrijven, algemeen zijn; tegelijk zijn die verschijnselen wat beperkter gedefinieerd dan in de natuurwetenschappen.

Ik zal wat voorbeelden geven van de wijze waarop klankwetten worden gevonden. Het eerste ontleen ik aan het moderne Nederlands en Afrikaans, die beide teruggaan op dezelfde prototaal, namelijk het vroegmoderne Nederlands.

NederlandsAfrikaansvroegvroegvroegervroërlaaglaaglagerlaër

De verklaring is een klankwet: “in het Afrikaans verdwijnt een /g/ als die tussen twee klinkers staat”. Het Afrikaans kent op deze klankwet uitzonderingen als quagga, maar die zijn evident ontleend aan een andere taal. Onze klankwet kent geen uitzonderingen. In dit voorbeeld kunnen we dat ook verifiëren, want in zestiende- en zeventiende-eeuwse Nederlandse teksten is sprake van vroegh, vroegher, laegh en laegher.

Dit is dus het principe: je zoekt voorbeelden – uiteraard meer dan vier – en herkent (induceert) patronen. Het resultaat is een wet, omdat de verandering altijd optreedt, zij het in een beperkt aantal situaties. In dit geval immers voor één taal en één medeklinker tussen twee klinkers. Omdat taalkundigen echter zo vaak en zo veel van dit soort regelmatigheden hebben kunnen vaststellen én geverifieerd gekregen, hebben ze vertrouwen in de reconstructies van niet bewaard gebleven oude talen. Neem de volgende woorden:

NederlandsDuitsEngelskrachtKraftcraftschachtSchaftshaftachterafter-afterluchtLuftloftstichtenStiften– (maar vgl. stiff)

Je zou een regel kunnen formuleren “een oud-Germaanse /ft/ wordt in het Nederlands /cht/”. Voor we concluderen dat het zo is, moeten we natuurlijk kijken of er uitzonderingen zijn. Onze taal kent allerlei woorden die, net als in het Engels en Duits, eindigen op /ft/, maar dat zijn vaak leenwoorden (zoals lift). Er zijn nog een paar restgevallen, zoals bruiloft, dat niet zou mogen bestaan. We zouden brulocht hebben verwacht, dat inderdaad is gedocumenteerd. De oude vorm bruiloft heeft alleen overleefd in het Hollandse dialect en heeft zich daarvandaan over de andere dialecten verspreid.

Concreet betekent dit dat we Duitse en Engelse ft-woorden én Nederlandse cht-woorden mogen gebruiken als we het Proto-West-Germaans reconstrueren, wat de databasis aanzienlijk verbreedt. We kunnen dus vertrouwen hebben in de reconstructie van oude talen.

Taal-universalia

Ook al zijn de klankwetten vrij solide, je zou een controle willen hebben op de reconstructie van een niet bewaard gebleven oude taal. Gelukkig zijn er ook taal-universalia: algemene kenmerken die gelden voor alle talen. Er zijn zo’n 6000 talen gedocumenteerd, en niet één daarvan blijkt klinkerloos te zijn. Sterker nog, zelfs de taal met (voor zover bekend) het kleinste aantal klanken, het Ubykh, heeft nog altijd twee klinkers. Met N=6000 mogen we aannemen dat elke taal tenminste één klinker heeft. Als we een oude taal zouden reconstrueren zonder klinkers, is er iets mis gegaan.

Nu is zo’n reconstructie nog nooit gemaakt, dus dit voorbeeld is gratuit. Interessanter is dat als een taal een /g/ heeft, die taal ook een /d/ heeft, en dat als een taal een /d/ heeft, er ook een /b/ is. Deze wetmatigheid is bepaald niet gratuit, want bij de reconstructie van het Proto-Indo-Europees zijn de /g/ en de /d/ goed aantoonbaar, maar is de /b/ dat een stuk minder. Er zijn daarvoor complexe verklaringen bedacht.

Taal-universalia zijn belangrijk, omdat ze aangeven in welke richting talen veranderen kunnen. Als we een taal hebben met een /b/, een /d/ en een /g/, en als die een van die medeklinkers verliest, dan zal dat altijd eerst de /g/ zijn en pas later de /d/. Omgekeerd, een taal met alleen een /b/ kan er wel een /d/ bij krijgen maar nooit een /g/.

Een vergelijkbaar voorbeeld: een taal met tweevoud (dualis) kent ook een meervoud, en een taal met een meervoud kent ook enkelvoud. Als een taal met tweevoud, zoals het oudste Grieks, vereenvoudigt, zal het die vorm als eerste verliezen.

Kortom

Samenvattend: de taalkunde heeft goed gedocumenteerde klankwetten voor levende talen, kan de methode om klankwetten op te sporen extrapoleren naar verdwenen talen, en kan de reconstructie gedeeltelijk verifiëren met taal-universalia.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#GermaanseTalen #historischeTaalkunde #inductie #klankwet #ProtoIndoEuropees #taalUniversalia #taalkunde

De Urheimat van het Proto-Indo-Anatolisch

De twee takken van het Proto-Indo-Anatolisch

Ik vertelde onlangs dat het er sterk op lijkt dat het Proto-Indo-Europees en het Proto-Anatolisch afstammen van dezelfde oertaal, die linguïsten aanduiden als Proto-Indo-Anatolisch ofwel PIA. Voor deze constatering is zowel taalkundig als DNA-bewijs.

Nu zijn er aanzienlijke verschillen tussen deze twee prototalen. Ik vertelde al eens dat de Indo-Europese talen drie woordgeslachten hebben en de Anatolische talen twee. Zo’n groot verschil kan niet zijn ontstaan in drie of vier generaties. Taalkundigen denken daarom dat er een paar eeuwen zijn verstreken tussen de tijd waarin we beide prototalen moeten plaatsen (zeg tweede helft vierde millennium v.Chr.) en de tijd van hun gedeelde voorganger. Dat zal de tweede helft van het vijfde millennium zijn geweest. Zie het stamboompje hierboven. En nieuwsgierig als we zijn, zouden we willen weten op welke plek dat Proto-Indo-Anatolisch gesproken is geweest. Anders geformuleerd: waar was de Urheimat van het PIA?

Van de Wolga naar Oekraïne, de Balkan en Anatolië

Er zijn twee theorieën. Traditioneel – dat wil zeggen: sinds 2007 – identificeren oudheidkundigen de Chvalynskcultuur, die in het vijfde millennium v.Chr. bestond langs de Midden-Wolga, als de Urheimat van het PIA. Die groep zou dus in tweeën zijn gesplitst. De ene groep migreerde zuidwestwaarts en werd de Yamnaya-cultuur, die in de loop van een millennium het genetisch profiel ontwikkelde dat zich later, met de Indo-Europese migraties, verspreidde naar West-Europa en India. De andere groep bewoog westwaarts, richting Beneden-Donau, en trok vervolgens over de Bosporus Anatolië binnen. Dit waren dus de sprekers van het Proto-Anatolisch.

Aan deze migraties is niet vreemds: in Centraal-Eurazië zijn allerlei migranten gedocumenteerd die van het droge oosten naar het wat vochtiger westen trokken: Skythen, Sarmaten, Hunnen, Avaren en zo voort. Ook migraties van de Balkan over de Bosporus naar Anatolië zijn niet zonder parallel, zoals die van de Frygiërs en de Galaten. We zullen zien dat er meer argumenten zijn voor de traditionele visie: de PIA-Urheimat lag aan de Midden-Wolga, de groep splitste, de PIE-Urheimat lag in Oekraïne en de Proto-Anatolisch-sprekenden trokken via de Beneden-Donau verder naar West-Anatolië.

Sinds 2018 is er echter een andere hypothese, die een PIA-Urheimat postuleert in het gebied ten zuiden van de Kaukasus, dus Armenië en omgeving. Vanuit deze regio zou er enerzijds een beweging noordwaarts zijn geweest, waar dan de PIE-sprekende Yamnaya-cultuur in Oekraïne ontstond, en een beweging westwaarts, waar de Proto-Anatolisch-sprekenden zich vestigden in Anatolië. Zie ik het goed, dan is de argumentatie beperkt tot “we hebben DNA-bewijs” en ontbreekt een weerlegging van de argumenten die pleiten voor de traditionele verklaring. Het bewijs is dus maar half, terwijl je juist extra bewijs zou verwachten als een migratie van zuid naar noord over de Kaukasus wordt gepostuleerd – want daarvoor bestaan nauwelijks parallellen. En bijzondere claims vergen bijzonder bewijs.

De argumenten voor de traditionele visie

Een eerste argument voor de traditionele visie veronderstelt dezelfde redenering als waarmee onderzoekers de Urheimat van de Proto-Indo-Europees-sprekenden zochten: ze kijken naar woorden. Het Proto-Indo-Anatolisch blijkt nu wel woorden te kennen die duiden op veeteelt (herder, weide, rund, schaap…), maar niet voor akkerbouw (kikkererwt, linzen, tarwe, ploeg…). Anders gezegd: we moeten een gebied vinden waar in het vijfde millennium v.Chr. wél veetelers waren, maar geen akkerbouwers. Daaraan voldoet de Chvalynskcultuur, en het gebied bezuiden de Kaukasus niet. Dat is zelfs de regio waar de akkerbouw is uitgevonden.

Een tweede, ietwat omstreden argument is dat het Proto-Indo-Europees verwant is met de Oeraalse talen (zoals het Fins, Hongaars, Ests, Laps, en Samojeeds). Deze talen komen vrijwel zeker uit de Oeral, en dat ligt aanzienlijk dichter bij de Midden-Wolga dan bij de zuidelijke Kaukasus.

Het derde argument is dat het Proto-Anatolisch, dat in de traditionele visie een lange zwerftocht heeft gemaakt van de Midden-Wolga naar de Balkan naar West-Anatolië, onderweg leenwoorden heeft opgepikt. Zo lijken het Grieks (Indo-Europees) en het Hittitisch (Anatolisch) allebei hetzelfde woord voor geul te hebben ontleend aan een derde taal. Dit type onderzoek is nog nauwelijks gedaan, maar wie weet promoveert er nog eens iemand op.

Sterker is het vierde argument. De Anatolische talen bevinden zich in de Bronstijd merendeels in het westen van Anatolië. Van de talen uit die familie bevindt het Hittitisch in Centraal-Turkije zich nog het verst naar het oosten, maar het Palaïsch en het onlangs geïdentificeerde Kalasmisch zitten in het noordwesten en het Luwisch is ook een westelijke taal. Deze verspreiding past beter bij de traditionele visie dan bij de nieuwe Kaukasus-theorie.

Toch de Kaukasus?

Die nieuwe theorie is gebaseerd op het al geconstateerde feit dat enkele typische kenmerken van het Yamnaya-DNA ontbreken in Anatolië. Het gaat hier om het erfelijk materiaal dat nogal misleidend wordt aangeduid als “Eastern Hunter-Gatherers”, hoewel het dus gaat om mensen uit het noorden die in het vijfde millennium v.Chr. al veetelers waren geworden. De Yamnaya-mensen hadden deze genen wel, terwijl de Anatolischsprekenden ze niet hadden. Indien ook die laatsten zouden afstammen van de Chvalynskcultuur, zou je echter hebben verwacht dat ze dit erfelijk materiaal hadden meegenomen. De Anatolische genen lijken daarentegen veel meer op het DNA van de mensen bezuiden de Kaukasus.

Of misschien had ik moeten schrijven: de Anatolische genen lijken meer te lijken op het DNA van de mensen bezuiden de Kaukasus. Want het onderzoek dat tot de afwezigheid van het Eastern Hunter-Gatherers-materiaal in Anatolië concludeerde, was gebaseerd op veertien voorbeelden, en dat is niet heel veel.

Bovendien: we zoeken de verspreiding van een taal, en dat hoeft niet per se te zijn gebeurd door een grootschalige (en dus door DNA-onderzoek te achterhalen) migratie. De romanisering van Iberië en Gallië en de arabisering van de Maghreb voltrokken zich grotendeels doordat de bewoners de taal van een nieuwe elite overnamen. Iets dergelijks kan ook zijn gebeurd toen de Proto-Anatoliërs vanuit de Balkan naar trokken naar Anatolië.

Conclusie

Kortom, de Urheimat van het Proto-Indo-Anatolisch is vooralsnog een open kwestie, en ik zou nog niet al te stellig zeggen dat de Urheimat van Indo-Anatolisch in Armenië of omstreken moet worden gezocht. Zoals gezegd bestaat het bewijs van een stelling uit argumenten daarvoor en een weerlegging van de argumenten er tegen. Er zal echt een antwoord moeten komen op de bovengenoemde argumenten, en vooral het eerste en vierde ogen sterk.

Ik attendeer nog even op dit onlangs verschenen artikel dat, als ik het goed begrijp, ammunitie biedt voor beide theorieën.

[Met dank aan Alwin Kloekhorst.]

#AlwinKloekhorst #ChvalynskCultuur #DNAOnderzoek #FinnoOegrischeTalen #historischeTaalkunde #HittitischeTaal #Kalasmisch #Kaukasus #OeraalseTalen #ProtoIndoAnatolisch #ProtoIndoEuropees #Urheimat #YamnayaCultuur