Alexander de Grote op weg naar Gaugamela

Munt van Mazaios (Staatliches Münzkabinett, München)

Ik liet u gisteren achter bij de brug die Hefaistion, de beste vriend van Alexander de Grote, over de Eufraat aan het bouwen was, toen aan de overzijde van de rivier het leger arriveerde van Mazaios. Hij was een Babyloniër in Perzische dienst. Alexanders biograaf Arrianus vertelt:

De Macedoniërs hadden nog geen verbinding gemaakt die doorliep tot aan de andere oever, omdat ze vreesden dat de troepen van Mazaios het bruggenhoofd zouden aanvallen. Maar toen Mazaios hoorde dat Alexander zelf in aantocht was, sloeg hij met zijn hele leger op de vlucht. Zodra hij weg was, werden de bruggen doorgetrokken naar de overkant en ging Alexander er met zijn leger overheen.noot Arrianus, Anabasis 4.9.14-15; vert. Simone Mooij.

Een Macedonische nederlaag

Arrianus’ idee dat Mazaios op de vlucht sloeg toen de Macedonische koning naderde, gaat direct of indirect terug op de woorden waarmee Alexander, Parmenion en de andere commandanten de gebeurtenis aan hun soldaten uitlegden. Het zal hen zeker bemoedigd hebben dat het eerste treffen met de vijand tijdens deze operatie was uitgelopen op zo’n gemakkelijk succes.

De Macedonische generale staf heeft ongetwijfeld beter geweten. Weinig manoeuvres van Perzische commandanten waren namelijk zó succesvol als die van Mazaios. Alexander was van plan geweest langs de rivier op te rukken naar Babylon, waar hij de aanwezigheid vermoedde van Darius’ nieuwe leger. De schepen die als drijvers voor de bruggen waren benut zouden dienen om het zware materieel te vervoeren. Deze route was de kortste en was bovendien bekend uit de Anabasis van Xenofon. Nu bleek echter dat Darius de weg had geblokkeerd. Het was al na de oogsttijd en in het rivierdal lag het graan opgeslagen in versterkte nederzettingen die Mazaios eenvoudig kon verdedigen of vernietigen. Zijn aftocht richting Babylon betekende dat de Macedoniërs nergens voedsel zouden vinden.

Peutingerkaart: “wegens watergebrek verlaten en onbewoonbare vlakten”

Ze waren gedwongen een andere route te nemen en dat kon alleen de zogeheten Koninklijke Weg zijn, waarvan Alexander wist dat die ergens in het onbekende oosten lag, door de gebieden achter de rivier de Tigris. En het was ronduit onmogelijk snel door Mesopotamië op te rukken in die richting. Op deze breedte bestaat het gebied tussen de twee grote stromen uit een onbegaanbare woestijn, waar het in de hoogzomer al snel 50 graden is. De Romeinse Peutingerkaart typeert het gebied als “wegens watergebrek verlaten en onbewoonbare vlakten” en het is ook in de moderne tijd een obstakel. De ingenieurs die eeuwen later de Bagdadspoorlijn zouden aanleggen, kozen niet voor niets voor een tracé over de minder droge steppe in het noorden. Dat was ook het gebied waar de Macedoniërs nu doorheen zouden trekken, om de woestijn heen.

Darius’ opmars

Toen Darius vernam dat Alexander zich had laten dwingen tot deze omweg en oprukte naar de Tigris, trok hij vanuit Babylon naar het noorden om slag te leveren in het kerngebied van het voormalige koninkrijk Assyrië. Hij wist dat zijn vijand hier vroeg of laat naar toe zou komen en zocht een ruim strijdperk uit waar zijn numerieke meerderheid, anders dan bij Issos, goed tot haar recht zou komen. Zijn commandocentrum richtte hij in te Arba’il (het huidige Erbil), een hooggelegen versterking die befaamd was om haar heiligdom voor de vruchtbaarheidsgodin Ištar en getuige haar naam “vier-godenstad” nog meer cultusplaatsen bezat

De citadel van Arbela

Het was een uitstekende basis. Hier kwam namelijk de Koninklijke Weg samen met de wegen naar Armenië en de oostelijke satrapieën, zodat het eenvoudig was een groot leger samen te trekken. Het door Darius geselecteerde slagveld lag vijfenzeventig kilometer noordwestelijker bij een heuvel die de vorm had van de bult van een dromedaris en daarom werd aangeduid met de Semitische naam van dat dier, gammalu. De Macedoniërs verbasterden de plaatsnamen tot Arbela en Gaugamela.

Toen de Perzen het terrein hadden geëgaliseerd om het berijdbaar te maken voor strijdwagens en ruiters, was het zaak ervoor te zorgen dat Alexander zich niet naar een andere plaats begaf. Darius liet zijn tegenstander daarom ongestoord oprukken door het zuidoosten van het huidige Turkije. Het gebied deed de Macedoniërs denken aan hun vaderland en ze doopten de waterrijke stad Urhai, gelegen op een hoog boven de vlakte uitstekende rots, om tot Edessa, naar een Macedonische stad die net zo hoog lag en beroemd was om haar waterval. In het nabijgelegen Harran liet Alexander zijn mannen enkele dagen rusten en moet hij, gelovig als hij was, hebben geofferd in de tempel voor de maangod Sin. Via het bosrijke Nisibis bereikten de Macedoniërs op 18 september 331 v.Chr. de Tigris, ergens ter hoogte van de huidige Eski Mosul stuwdam.

Edessa

In de val

De Macedoniërs marcheerden een val in. Darius had het leger van Mazaios, dat zich inmiddels bij hem had gevoegd, vooruit gestuurd om het gebied te brandschatten. Alexanders troepen vonden onvoldoende voedsel om zich genoeg te voeden, maar voldoende om niet terug te keren. Overal staken Mazaios’ Babylonische ruiters de rieten daken van de huizen, de korenschoven, de gewassen en de voorraden in brand. De voorde door de Tigris ontruimden ze na een korte schermutseling: Mazaios liet de Macedoniërs verder in de fuik lopen.

Ze waren nu in Assyrië. Hoewel het machtige koninkrijk met die naam al drie eeuwen daarvoor was onderworpen door de Babyloniërs, wier imperium weer was opgenomen in dat van de Perzen, sprak de naam “Assyrië” nog altijd tot de verbeelding. De val van de eens zo machtige hoofdstad Nineveh had ook in Europa indruk gemaakt.

De Tigris

Uit de Babylonische Astronomische Dagboeken weten we dat op de avond van de Macedonische oversteek paniek uitbrak in het Perzische leger. Het ligt voor de hand de oorzaak daarvan te zoeken in het nieuws dat de vijand de rivier was overgestoken. Maar in feite was er geen reden voor paniek. Alexander had exact gedaan wat de grote koning wilde. Door de doorwaadbare plaatsen in de Eufraat en de Tigris vrijwel onbewaakt te laten, had de Pers bewerkstelligd dat zijn vijand optrok naar het slagveld van zíjn keuze. Darius was de situatie volledig meester en zijn zege leek gegarandeerd.

Over de slag bij Gaugamela heb ik al geblogd. U leest hier hoe slechte voortekens werkten als self-fulfilling prophecy en leidden tot de Perzische nederlaag. Volgende maand vervolg ik deze reeks met Alexanders opmars vanuit Assyrië naar Babylon.

[Een overzicht van alle blogjes over Alexander de Grote is hier.]

#AlexanderDeGrote #Arbela #Arrianus #Bagdadspoorlijn #DariusIIICodomannus #dromedaris #Edessa #Erbil #Eufraat #Gaugamela #Harran #KoninklijkeWeg #Mazaios #Nineveh #Nisibis #Parmenion #Peutingerkaart #Tigris

De Romeinen hadden een uitgebreid netwerk van wegen. Van sommige kennen we het bestaan (alleen) van de Peutinger Kaart, anderen kennen we (alleen) dankzij archeologische opgravingen.

#ArchInk #archeologie #network #PeutingerKaart #RomeinseWegenInNederland

Vragen rond de jaarwisseling (3)

Reconstructie van het gezicht van Sensaos (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik nodigde u onlangs uit om vragen te stellen voor het lijstje “Vragen rond de jaarwisseling” van 2024. De eerste zes vragen beantwoordde ik hier, de volgende zes daar, en hier zijn er nog eens zes.

13. Hoe gradueel ging het klassieke Latijn als voertaal uit West-Europa over in de Romaanse talen?

Voor zover ik weet ligt er een probleem met onze data: we hebben alleen geschreven teksten. Uiteraard bevatten die regelmatig opmerkingen over de spreektaal, maar de schrijftaal kennen we wel beter dan de dagelijkse omgangstaal. Het klassieke Latijn en het klassieke Grieks bleven lang in gebruik omdat dit de talen waren waarmee de elites met elkaar communiceerden. Ze hadden een positie die vergelijkbaar is met het hedendaagse standaard-Arabisch.

Ondertussen waren er in de spreektaal wel degelijk ontwikkelingen. Het gesproken Latijn in Numidië zal anders zijn geweest dan het gesproken Latijn in de Lage Landen, omdat in de ene provincie de vroege Berbertalen invloed hadden, terwijl in het Rijnland Gallische en Germaanse invloeden waren. We hebben een paar aanwijzingen voor de spreektaal. In onze contreien kende men een /h/-achtige klank die de Romeinen niet kenden en op verschillende manieren weergaven. De bewoners van Zuid-Holland heetten dus Cananefaten en Hiananefaten. De Hauhae, “hooghemers” ofwel de bewoners van de terpen en wierden, werden op deze manier Chauken.

In de vijfde eeuw viel de eenheids-schrijftaal weg. Wat daarna in inscripties geschreven wordt, staat veel dichter bij de spreektaal. Het Latijnse novem, “negen”, heeft dan zijn laatste medeklinker al verloren en is al op weg naar het Franse neuf. Evengoed waren er literaire auteurs die een Latijn schreven dat een Cicero zou hebben begrepen.

Of de ontwikkeling gradueel of snel verliep, is moeilijk te zeggen omdat ontwikkelingen binnen de spreektalen in de eerste Romeinse eeuwen eeuwenlang moeilijk kenbaar zijn, als het ware bedekt door de Latijnse schrijftaal. In de vijfde eeuw zijn er echter zeker verschillen en vanaf de negende eeuw zijn die voldoende scherp om hedendaags Frans te herkennen – bijvoorbeeld in de Straatsburger Eden.

Tot slot: het was een spel van enerzijds een natuurlijke ontwikkeling van de spreektaal en anderzijds het vasthouden aan oude taalvormen. Dat laatste gebeurde deels omdat mensen netjes voor de dag wilden komen en dus vasthielden aan klassieke vormen (zoals autochtone Nederlanders het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke vormen handhaven als correct Nederlands), en deels omdat die vormen waren ingeburgerd. Vooral veel gebruikte werkwoorden bevatten daardoor overblijfselen van oudere taalfasen, eigenlijk een soort archaic survivals.

14. Behoorden de vroege Friezen bij de Vikingen in Engeland?

Of we zo precies kunnen zijn, weet ik niet, maar een recente expositie in het Fries Museum in Leeuwarden maakt wel duidelijk dat ook de bewoners van het laatantieke/vroegmiddeleeuwse kustgebied zich aansloten bij de Vikingen. Meer informatie daar.

15. Welke andere publicisten zijn er die net zoals Erasmus de klassieke bronnen grondig en systematisch bestudeerd hebben?

Erasmus had allerlei collega’s, zoals Cornelis Gerritsz en Reinier Snoy, die allebei over de Bataven hebben gepubliceerd. Ook Gerard Geldenhouwer schreef daarover. Zij leefden in de zestiende eeuw en zijn verantwoordelijk voor het “Gelderse geschiedbeeld”, waarin de Bataven gelden als voorlopers van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Janus Dousa is verantwoordelijk voor het misverstand dat het Lugdunum op de Peutingerkaart Leiden zou zijn.

Iets eerder leefden Alexander Hegius en Rudolf Agricola, die zich bezighielden met het Grieks, een taal die maar weinig West-Europeanen in de vijftiende eeuw beheersten. Kortom, Erasmus was de enige niet.

16. Waarom wordt een monumentaal gebouw uit de Middeleeuwen, bijvoorbeeld een kathedraal, hersteld en een monumentaal gebouw uit de Oudheid, bijvoorbeeld een tempel, niet?

Ik denk dat het is omdat kathedralen over het algemeen nog wel overeind staan en vaak ook nog in gebruik zijn. Als de Notre Dame afbrandt, restaureer je die. Maar antieke tempels, tja: het zijn al eeuwenlang ruïnes, we kennen ze niet anders. Ik denk ook niet dat er iemand is die die abattoirs wil heropenen.

17. Hebt u een mening over reconstructies van schedels, geraamtes of andersoortige restanten van mensen?

In zo’n gezichtsreconstructie komen diverse soorten informatie samen. Om te beginnen de schedel zelf. Omdat we weten hoe dik de huid en de gezichtsspieren zijn, kunnen ze redelijke benaderingen geven van de vorm van het gelaat. Er zijn zulke goede gezichtsreconstructies van bijvoorbeeld onbekende moordslachtoffers gemaakt, dat de nabestaanden de overledene herkenden, en forensisch onderzoek mogelijk werd.

Het tweede soort informatie komt uit de rest van het geraamte. Als iemand zwaarlijvig was, heeft dat sporen nagelaten in de vorm van vergroeide botten en kapotte knieën. Hieruit zijn conclusies te trekken over het vet in het gezicht, dus of mensen een onderkin of andere vetlagen hadden.

Dan is er het DNA. Daarmee kunnen we tegenwoordig uitspraken doen over de kleur van de huid en de ogen. Dat gezichtsreconstructies van prehistorische en antieke mensen tegenwoordig donkerder worden vervaardigd, is geen politieke correctheid, maar gebaseerd op feiten. Vermoedelijk zou het Rijksmuseum van Oudheden de reconstructie van de zestienjarige Sensaos die bovenaan dit stukje staat, tegenwoordig donkerder maken.

Hoewel er dus verbetering is, blijven er subjectieve aannames. Het RMO gaf onlangs uitleg over de keuzes bij de gezichtsreconstructie van Sensaos. De keuze voor nogal volle lippen was gebaseerd op het gegeven dat haar moeder een Nubische naam had, dus uit Oost-Afrika, waar mensen tegenwoordig zulke lippen hebben. Haar kaaklijn lijkt daarentegen meer West-Afrikaans. Het fysisch antropologisch bewijs conflicteerde hier dus met het naamkundig bewijs en welke keuze je ook maakt, ze is subjectief.

18. Hoe herken je een degelijk/goed “publieksgeschiedenisboek”?

Moeilijk te zeggen, omdat er diverse manieren zijn om het publiek aan te spreken. Je hebt de eerste lijn, waarin we de feiten presenteren, zoals de boeken van Bart Van Loo. En je hebt de tweede lijn, waarin we mensen in een staat van vertrouwdheid brengen met het wetenschappelijk proces, zoals ik probeer in mijn boek Oudheidkunde is een wetenschap. En zo zijn er meer verschillen. Het is lastig te zeggen wat boeken goed maakt.

Aanwijzingen dat een boek slecht is, zijn er wel: denk aan een literatuurlijst zonder Franse of Duitse literatuur. En als het gaat over de Oudheid: een classicus die geen archeoloog raadpleegt en vice versa. Auteurs die geen meelezers noemen, hebben onvoldoende zelfkritiek. Maar dit spreekt natuurlijk vanzelf.

Voor straks: fijne jaarwisseling! Voor morgen: gelukkig nieuw jaar!

#archaicSurvival #BartVanLoo #DesideriusErasmus #GerardGeldenhouwer #gezichtsreconstructie #JuliusCaesar #Latijn #Lienden #LugdunumBatavorum #Peutingerkaart #RijksmuseumVanOudheden #romaanseTalen #Sensaos #StraatsburgerEden #taalkunde #vragenRondDeJaarwisseling
Pas sinds kort is zeker dat er in #Bodegraven een #Romeins #fort heeft gelegen, hoewel de plaats niet op de #Peutingerkaart staat. Het #castrum lag er tussen ca. 40 en 275 n.Chr. en had in de laatste fase een stenen omwalling.
https://www.romeinen.nl/weten/nederland-in-de-romeinse-tijd/zuid-holland/bodegraven
Bodegraven | Romeinse limes Nederland en RomeinenNU

Romeinse limes Nederland en RomeinenNU

Peutingerkaart

Rome op de Peutingerkaart (Österreichische Nationalbibliothek)

Ik moet vijftien of zo zijn geweest toen ik in het voormalige museum Kam in Nijmegen de Peutinger-landkaart voor het eerst zag. Of beter: een mooie oude replica uit 1591. De eindeloos lange kaart fascineerde me: ze toonde het hele Romeinse én Perzische wegennetwerk, zij het met heel vreemde proporties. De noord-zuid-verhoudingen zijn samengeperst tot 33 centimeter, terwijl de kaart een kleine zeven meter lang is.

De kaart, genoemd naar de Augsburgse geleerde die haar ontdekte, Konrad Peutinger, is getekend in de Oudheid en (zoals zoveel antieke teksten) overgeleverd in een middeleeuwse kopie. Ze vormt een sleuteldocument voor het begrip van de antieke geografie. Zo leren we dat 35 kilometer ten westen van Tongeren een plaats moet hebben gelegen die “Pernacum” heette. Daar zijn inderdaad Romeinse resten gevonden, namelijk bij Braives, een naam waarin je met enige goede wil het woord “Pernacum” nog herkent.

Voorzichtigheid is echter geboden. De kaart bevat tientallen spelfouten. Zo is van het onbegrijpelijke “Levefanum” – Wijk bij Duurstede of Arnhem-Meinerswijk of Elst? – geopperd dat het een verbastering is van “Haevae fanum”, de tempel van de Bataafse godin Haeva. Een ander probleem is de informatie zélf, die deels teruggaat op de regering van keizer Augustus en deels jonger is. Zo staat Pompeii erop (verwoest in 79 na Chr.) én Constantinopel (dat deze naam pas in de vierde eeuw kreeg). Andere informatie moet teruggaan op een beschrijving van het ParthischSassanidische oosten. Misschien gaat het om het werk van de landmeters van Alexander de Grote, misschien om een Parthisch werk.

Weer andere informatie is onversneden christelijk en dus betrekkelijk laat: zo wordt ergens gezegd dat hier de woestijn is waar de Hebreeën veertig jaar doorheen reisden en is het vignet van Rome – hierboven – voorzien van een afbeelding van de Sint-Pieter, die is gebouwd in 326. Eén ding is zeker: het antieke voorbeeld dateert uit de vierde eeuw en is in de twaalfde of dertiende eeuw slordig gekopieerd.

De online-editie is hier. Alle moderne boeken gaan terug op de uitgave van Konrad Miller uit 1887, die in 1976 onveranderd is herdrukt. Een vriend deed me gisteren een exemplaar cadeau, waar ik erg blij mee ben. (Vandaar dit stukje.) Het origineel ligt in de Österreichische Nationalbibliothek. Ik ben er eens met een vriendin wezen kijken, maar men had alleen een replica liggen – en dat dan nog maar van één van de elf bladen. Een frustrerende teleurstelling die we daarna bij Sacher hebben weggegeten.

[Dit was de 162e aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

Zelfde tijdvak


De Europese canon (16-20)

mei 30, 2024
De Inka’s (3): goud en aardappelen

februari 21, 2024
Turkse TV (10) Khair ad-Din Barbarossa

april 26, 2025 Deel dit: #KonradPeutinger #landmeetkunde #landmeten #Peutingerkaart #spelfout

Delahaye en zijn volgelingen (1)

De Romeinse vlootbasis van Velsen (Graham Sumner)

Regelmatig sturen uitgevers me ongevraagd boeken toe met het verzoek ze op deze blog te bespreken. Soms doe ik het wel, soms doe ik het niet: het hangt af van de beschikbare tijd, onderwerp, belangstelling, auteur en die merkwaardige, subjectieve kwaliteit “of d’r een stukje in zit”. Dat ik niet eerder heb geschreven over de boeken van de Studiekring Eerste Millennium, die me meer dan eens zijn toegestuurd, heeft te maken met de eerste factor: tijd. Ik zal ze ook nu niet bespreken, maar er zit wel een stukje in en het is wel zo beleefd althans iets te schrijven als mensen je boeken cadeau doen.

In de tweede helft van de vorige eeuw trok Albert Delahaye (1915-1987) de aandacht met zijn theorie dat de Romeinen nooit, of maar heel kort, in de Lage Landen zouden zijn geweest. Dat dit nu wat merkwaardig klinkt, is omdat wij weet hebben van de archeologische dataexplosie die sindsdien heeft plaatsgevonden. Ook destijds was het idee niet verdedigbaar, maar het bewijsmateriaal was nog niet zo overdonderend rijk als tegenwoordig en Delahaye had zijn bewonderaars. Na zijn dood erkenden die dat de theorie onhoudbaar was, maar ze meenden ook dat er problemen waren met de wetenschappelijke reconstructie van de Romeinse topografie. Onder andere om die te bestuderen, richtten ze de genoemde studiekring op.

De reële problemen

Ik wil er geen enkele twijfel over laten bestaan dat er inderdaad problemen zijn. Nog vorig jaar heeft Jan Verhagen een overtuigend voorstel gedaan om de topografie van het Gelderse deel van de limes aan te passen. Plaatsen waarvan onderzoekers zeker meenden te weten waar ze lagen, bleken toch elders gezocht te moeten worden.[noot]

Het is met de antieke topografie als met de chronologie: het bewijsmateriaal schiet tekort en de puzzel is moeilijk oplosbaar. Op een bepaald moment hebben de wetenschappers besloten dat het beter was andere onderwerpen te onderzoeken, omdat daar meer winst te behalen viel. De puzzel raakte vergeten en nieuwe generaties studenten kenden de problemen niet langer. Er ontstonden onvermijdelijk schijnzekerheden.

De topografische problemen in de Lage Landen zijn echter niet heel groot en ik verwacht dat door nieuwe opgravingen in Nederland en België de laatste puzzels vroeg of laat wel zullen worden opgelost. Tot dat moment is er enige twijfel – over steeds minder en steeds kleinere onderwerpen, maar toch: er is meer reden tot twijfel dan je zou denken als je door bijvoorbeeld de Barrington Atlas bladert.

Het scheermes van Ockham

Tot zover kan ik dus meegaan met de Studiegroep Eerste Millennium. De aangedragen oplossingen zitten me echter niet lekker. In 2007 verscheen het boek De Peutingerkaart en de Lage Landen met verschillende artikelen over de Peutingerkaart, een middeleeuwse kopie van een Romeinse wegenkaart. Eén daarvan is die van Joep Rozemeyer, die meent dat de weg die vanuit Nijmegen naar de zee loopt, niet eindigt bij Katwijk, zoals doorgaans wordt aangenomen, maar bij Antwerpen. Wetenschappers hebben, zoals blijkt uit het artikel van Verhagen, inderdaad te snel plaatsnamen gekoppeld aan archeologische vindplaatsen, maar de limesweg naar Katwijk is goed gedocumenteerd. Je kunt natuurlijk aannemen dat er twee wegen zijn geweest, maar het is, om Ockham te parafraseren, geen goede methode je studieonderwerp zonder noodzaak te verdubbelen.

In zijn boek Kroniek van Trajectum – het is me inmiddels twee keer toegestuurd – neemt Rozemeyer zijn theorie over een weg naar Antwerpen als uitgangspunt om aan te tonen dat de plaats Trajectum, doorgaans geïdentificeerd met Utrecht, moet worden gezocht te Antwerpen. On n’a pas besoin de cette hypothèse: de traditionele identificaties zijn niet volmaakt maar voldoen genoeg.

[Wordt vervolgd]

Noot

Jan Verhagen, “De Gelderse Limes herzien. Een nieuwe identificatie van Romeinse plaatsnamen in Gelderland”, in: Archeobrief 17/3 (2013) 29-37.

Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

Zelfde tijdvak


Irak kort (16): Een paleis van Saddam Hussein

november 12, 2021
Verdwenen Dresden

oktober 21, 2025
Yerevan

mei 25, 2019 Deel dit: #AlbertDelahaye #JanVerhagen #Peutingerkaart #plaatsnaam #ScheermesVanOckham #StudiekringEersteMillennium