Een metafoor voor het verleden

Aristoteles (Huis van de Europese Geschiedenis, Brussel)

Zonder Aristoteles zouden we geen debat hebben gehad over de val van het Romeinse Rijk, schreef ik geen blogjes over de Eerste Tussenperiode en hoefden we ook de Zeevolkencrisis niet te bediscussiëren. Hadden wetenschappers daarentegen wat meer Ovidius gelezen, dan was ons een hoop bespaard gebleven. Helaas is het niet zo en nou zitten we dus met de brokken.

Groei, bloei en neergang

De moeilijkheid is te illustreren aan de hand van een van Aristoteles’ bekendste werken, de Poëtika, waarvan het overgeleverde deel is gewijd aan tragedies. (Een slothoofdstuk over komedies ontbreekt.) De auteur beschrijft hoe het genre zich stap voor stap ontwikkelde, tot het zijn eindvorm bereikte. Aristoteles gebruikt dus een botanische metafoor: de tragedie groeide steeds meer naar wat de filosoof beschouwde als natuurlijk einddoel.

Griekse en Romeinse auteurs gebruikten dezelfde metafoor als het ging om beeldende kunst. Die groeide en bloeide tot ze de klassieke vorm had bereikt. Uit de lucht gegrepen was deze wijze van beschrijven niet: denk maar aan de ontwikkeling van de archaïsche kouroi naar de klassieke beeldhouwkunst van de vijfde en vierde eeuw. Maar nu het probleem: als je eenmaal werkt met de organische metafoor van groei en bloei, dan is de volgende fase die van neergang. Cessavit ars, schrijft Plinius de Oudere, “de kunst hield op te bestaan”. Gelukkig – voor Plinius althans – volgde op de herfst en winter van de kunst weer een nieuwe lente, die kunsthistorici weleens aanduiden als neoclassicisme.

De metafoor van groei, bloei en verval is hardnekkig gebleven. Laat-Romeinse historici gebruikten die voor Republiek, het vroege Keizerrijk en de periode die wij de Crisis van de Derde Eeuw noemen, zodat ze de vierde eeuw konden aanduiden als een nieuw begin. En de metafoor bleef het ook na de Oudheid goed doen. Het vijftiende-eeuwse idee van een “renaissance” veronderstelt een Romeinse bloeitijd, een middeleeuwse winter en een nieuw begin, letterlijk een wedergeboorte.

En zo zijn latere geschiedkundigen in de val gelopen die Aristoteles ongewild had opengezet. Montesquieu en Gibbon schreven in de achttiende eeuw over een neergang van het Romeinse Rijk, hoewel de Romeinen de vierde eeuw zeker niet zo hebben ervaren. Toen de negentiende-eeuwse oudheidkundigen na de ontcijfering van de hiëroglyfen de geschiedenis van Egypte reconstrueerden, zagen ze af van het antieke beeld van een opeenvolging van een stuk of dertig dynastieën, maar onderscheidden ze bloeitijden (Oude Rijk, Middenrijk, Nieuwe Rijk) en eeuwen van verval (de Tussenperioden). Het einde van de Bronstijd werd opgevat als een enorme crisis, die de oudheidkundigen ophingen aan de migratie van de Zeevolken. Het is de verdienste van latere oudheidkundigen dat ze bewezen dat er in deze “vervaltijden” minstens zo veel continuïteit als verandering was.

Structuur en continuïteit

Begrijp me niet verkeerd: die veranderingen waren er wél. De “val” van Rome mag dan geen “val” zijn geweest, het zegt natuurlijk wel iets als je hoofdstad in een eeuw tijd driemaal wordt geplunderd en als er een demografische neergang is. En ik zou niet graag in twaalfde-eeuws Enkomi hebben gewoond. Er zijn natuurlijk volop dingen veranderd. Maar niet elke verandering kun je zomaar typeren als een neergang of een breuk. Ging het Hittietenrijk “ten onder” of was er sprake van decentralisatie?

Ik denk dat we beter kunnen zeggen: alles verandert voortdurend. All is flux. Wie een andere metafoor zoekt, zou Ovidius’ Metamorfosen kunnen nemen: daarin is de hele schepping voortdurend aan het veranderen is. Maar je kunt natuurlijk ook gewoon het probleem verwoorden met het instrumentarium van de sociale wetenschappen: alles verandert, maar soms veranderen ook de structuren. Dat heet dan een breuk in de geschiedenis. Of een stroomversnelling, om een hydrologische metafoor te gebruiken.

We zouden wat meer moeten kijken naar de wijze waarop we de continuïteit en discontinuïteit van een historische structuur vaststellen. En nu oudheidkundigen, na de “linguistic turn” in de sociale wetenschappen, anders moeten denken over het structuurbegrip, is daarvoor de situatie eigenlijk gunstiger dan ooit.

Ouwe, dooie Griekse man

En overigens: we zien hier dat het nadenken over een ouwe, dooie Griekse man zo nu en dan nuttig is. Het doet je begrijpen (hoop ik) welke mal je eigen denken gedachten helpt vormen. Anders gezegd, kennis van de Griekse cultuur helpt je zo nu en dan (en minder vaak dan oudheidkundigen claimen) doorgronden waarom je denkt zoals je denkt. En als je dat snapt, kun je je ervan losmaken en betere gedachten gaan formuleren. De geesteswetenschappen zijn best zinvol.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#aristoteles #charlesDeMontesquieu #edwardGibbon #eersteTussenperiode #linguisticTurn #metafoor #pliniusDeOudere #publiusOvidiusNaso #structuur #valVanHetRomeinseRijk #zeevolken

Het Nieuwe Rijk van Egypte

Hatshepsut (Medelhavsmuseet, Stockholm)

Ik heb al eerder geschreven over de driedelige History of Ancient Egypt van John Romer. Het eerste deel (2013) vertelde het fascinerende verhaal van het ontstaan van de cultuur van de farao’s: zeg maar de Naqada-tijd, de unificatie van de Nijlvallei en uiteindelijk de bouw van de Grote Piramide. Het tweede deel, verschenen in 2017, vond ik heel sterk: het vertelde niet alleen het verhaal van het Oude Rijk, de Eerste Tussentijd en het Middenrijk, maar toonde ook hoe het beeld dat wij hebben van de Bronstijd, is geschapen door de negentiende-eeuwse archeologen. Ik was diep onder de indruk van dat boek. Ik wou dat ik zoiets kon schrijven.

Egypte zonder Egyptenaren

En nu is er het derde deel, waarin Romer het Nieuwe Rijk behandelt. Zeg maar de Dynastieën Vijftien tot en met Twintig. Opnieuw biedt Romer naast het verhaal over het oude Egypte een analyse van de wijze waarop onze kennis uit vondsten en teksten is opgebouwd én de wijze waarop ons beeld door negentiende-eeuwse en twintigste-eeuwse geleerden is gevormd. Dat zijn vrijwel allemaal Fransen, Duitsers en Britten; Labib Habachi is de enige Egyptenaar waar Romer aandacht aan besteedt.

Toetmoses III (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Dat is ergens ook logisch, want wie wil tonen dat ons traditionele beeld van Egypte een westerse schepping is, kan niet al te veel Egyptenaren gebruiken in z’n verhaal. Niettemin lijkt het me dat Romer hier wat eenzijdig is (vgl. de Egyptische fotografen waarover ik al eens eerder blogde of dit boek over Ottomaanse archeologie). Eigenlijk had ik best wel eens willen weten wat zo’n Zahi Hawass, voordat hij zijn ego ging plaatsen boven zijn werk, nu eigenlijk heeft gedaan. Hij moet toch ooit eens een keer een zekere verdienste hebben gehad.

Van Avaris naar Pi-Ramesses

Dit gezegd zijnde, Romer heeft een fascinerend verhaal te vertellen. Het komt erop neer dat hij uitlegt dat de Hyksos, waarmee hij begint, geen werkelijk vreemde heersers waren, zoals vaak beweerd, maar dat er in de oostelijke Delta altijd diverse bevolkingsgroepen waren geweest. Hier lag de hoofdstad Avaris, een open samenleving met niet alleen Egyptische en Voor-Aziatische trekken, maar ook invloeden vanuit de Egeïsche wereld, zoals gedocumenteerd met beroemde Minoïsche wandschilderingen. Het hof van de Hyksos in Avaris was een nieuwe wereld.

Koningin Nefertiti (afgietsel van een origineel in het Neues Museum in Berlijn)

Een wereld die door de heersers van de Zeventiende Dynastie uit Thebe onder de voet werd gelopen. Zij namen de wijdere cultuur nu mee naar het zuiden, waar de traditionele Egyptische vormen dus werden verrijkt met de internationale stijl van Avaris. Een voorbeeld is de innovatieve hofcultuur ten tijde van koningin Hatshepsut. Meer innovatie ten tijde van Toetmozes III en vooral ten tijde van Amenhotep III. De tijdens zijn regering geschapen cultuur radicaliseerde ten tijde van Echnaton, die Amarna als hoofdstad nam. De Amarna-kunst is echt anders.

Na de Amarna-tijd verplaatst het zwaartepunt weer naar Thebe en daarvandaan weer naar het noorden. Zwaartepunt betekent hier: alle grote bouwprojecten waarmee de farao zich presenteerde als vertegenwoordiger van de mensen vis-à-vis de goden. Ten tijde van de diverse Ramsessen van de Negentiende en Twintigste Dynastie was de hoofdstad Pi-Ramesses in de oostelijke delta, maar evengoed werd er gebouwd in Thebe. De kunst oogt traditioneel maar is vaak heel vernieuwend. En dan houdt het boek op, eigenlijk bij de Zeevolken.

Toetanchamon (Metropolitan Museum, New York)

Veranderend Egypte

Romer geniet ervan het gangbare beeld onderuit te halen. Hyksos? Geen vreemde heersers dus. Hatshepsut? Vergeet dat romantische verhaal maar dat ze haar zoon Toetmozes achtergesteld zou hebben. En dus heeft Toetmozes III, eenmaal alleenheerser, geen aanleiding gehad om zichzelf alsnog te bewijzen met veldtochten in Kanaän. Veldtochten die overigens minder spectaculair waren dan vaak beweerd (ook op deze blog). Et cetera.

Ik had wel een aantal keren iets van “dat wisten we al”. Dat de Amarna-kunst ten tijde van Echnaton wortelde in de artistieke vernieuwing ten tijde van Amenhotep III, zagen we bijvoorbeeld op de Echnaton-expositie in het Rijksmuseum van Oudheden. Die was in 2000, dus bijna een kwart eeuw geleden. Dat de Zeevolken geen onverwachte crisis waren, wisten we ook al. In zulke gevallen wordt Romers omkering van bestaande beelden een gimmick. Soms overdrijft hij ook. Ik denk niet dat je Herodotos als bron voor de IJzertijd van noordelijk Egypte terzijde kunt schuiven omdat hij zich zo lelijk vergist over zuidelijk Egypte in de Bronstijd.

Desondanks heb ik History of Ancient Egypt met veel plezier gelezen. Romer laat zich weinig gelegen liggen aan apologetische interpretaties die, als ze niet bedoeld waren om het gelijk van de Bijbel te bewijzen, dan toch waren gebaseerd op religieuze vertellingen. Hij schrijft ook goed. Zijn verhaal over de Zeevolken is niet vrij van een amusant sarcasme.

Ramses IV, met make-up (Louvre)

De Late Tijd

Ik had eigenlijk gehoopt dat Romer een vierde deel zou schrijven. Want laten we eerlijk zijn: we hebben nu drie delen over Egypte als Egypte mogen lezen, en dat is allemaal heel boeiend, maar Egypte onder Libische, Nubische, Assyrische, Perzische en Macedonische heersers is óók interessant. Er was zeker sprake van continuïteit. De Romeinse keizer Hadrianus wordt nog precies hetzelfde afgebeeld als koning Narmer, drie millennia eerder. Het werd mij niet voldoende duidelijk waarom Romer zijn verhaal eindigt waar hij eindigt.

Misschien speelt ergens mee dat Romer vindt dat de Egyptische cultuur moet worden behandeld als die van een zelfstandige, bouwende hofhouding, niet als de cultuur van een land dat was onderworpen aan vreemde mogendheden. Toen ik het museum in Cairo bezocht, viel me op dat ook de Egyptische archeologische dienst de IJzertijd stiefmoederlijk bedeelde.

Ik zou niet willen uitsluiten dat dit is hoe het moderne Egypte kijkt naar zichzelf: wel de Bronstijd, niet de internationale IJzertijd. Als Romer die modern-Egyptische visie op oud Egypte is gaan delen, is het des te vreemder dat hij in dit mooie derde deel van zijn A History of Ancient Egypt zo weinig Egyptische egyptologen noemt.

#AchttiendeDynastie #Amarna #AmenhotepIII #Avaris #boek #Bronstijd #Echnaton #Hatshepsut #hofcultuur #Hyksos #JohnRomer #LabibHabachi #Nefertiti #NegentiendeDynastie #NieuweRijk #PiRamesses #RamsesIV #ThebeEgypte_ #ToetmosesIII #TwintigsteDynastie #VijftiendeDynastie #ZahiHawass #Zeevolken #ZeventiendeDynastie

Het vroegste Cilicië

De kust van het Rauwe Cilicië

De noodzaak van spellingsregels is verzonnen door mensen die dachten dat u en ik niets beters te doen hebben. Desondanks hanteer ik toch wel een paar principes. Regel één: gij zult niet invisibiliseren. We proberen immers een beetje inclusief te zijn. Ik probeer dus, al is het maar bij benadering, een naam weer te geven in een spelling die de taal van de betrokkene benadert. Homeros was een Griek en heette geen Homerus. Niet dat het altijd lukt een naam zelfs maar bij benadering correct weer te geven. Het wordt wat gek Julius Civilis aan te duiden als *Kivilaz. En een Latijnse naam geef ik aan in het Latijn. Appianus zal zijn naam zelf wel hebben geschreven als Appianos, maar ik houd het desondanks maar op Appianus.

Regel twee: sommige namen zijn te ingeburgerd. Zolang we niet al te veel invisibiliseren, moeten we die maar handhaven. Jezus, Plato, Hannibal, en Alexander Grote dus maar. De namen van de Romeinse provincies moeten ook maar zo blijven. Ik weet het: je zou Epeiros moeten schrijven, maar laten we het toch maar houden op Epirus. En ook liever Cilicië dan Kilikia. Waarmee ik eindelijk ter zake ben.

Topografie

Cilicië is de antieke naam van het zuiden van het huidige Turkije. Zeg maar het deel tegenover Cyprus. Het bestond uit twee delen: het ontoegankelijke en bergachtige westelijke en noordelijke deel, ook bekend als “het rauwe Cilicië”, en de zuidoostelijke vlakte, waar diverse rivieren zorgden (en zorgen) voor een rijke graanoogst.

Het Taurusgebergte vormt de grens met Cappadocië, dat destijds een veel groter gebied besloeg dan de wonderlijke rotslandschappen die tegenwoordig zo heten. De verbinding tussen Cappadocië en Cilicië is een bergpas, de Cilicische Poort. Naar het oosten toe ligt Syrië, bereikbaar over de bergpas die bekendstond als Syrische Poort. Er was destijds geen kustweg naar het westen en als u bovenstaande foto bekijkt, begrijpt u waarom die pas in de twintigste eeuw is aangelegd.

Hittieten en Neo-Hittieten

De twee delen van Cilicië horen al sinds mensenheugenis bij elkaar. Al in de tweede helft van het tweede millennium v.Chr. vormde de regio, die toen Kizzuwatna heette, één onderdeel van het Hittitische Rijk. De bronnen uit die tijd vermelden de twee belangrijkste steden op de vlakte: Tarca, dat later Tarsos zou heten, en Adanija ofwel Adana. Men sprak in Kizzuwatna Luwisch, een Anatolische taal, en de voornaamste bestuurder was een prins uit de koninklijke familie, die in de bronnen simpelweg “priester” heet.

Neo-Hittitische sfinx uit Karatepe

Het Hittitische Rijk overleefde de Zeevolkentijd niet. Lange tijd was de periode na pakweg 1200 v.Chr. een “dark age”, maar duisternis trekt onderzoek aan en oudheidkundigen, vooral afkomstig uit Duitsland, hebben in de tweede helft van de twintigste eeuw de duisternis deels laten optrekken. De twee gebieden maakten deel uit van een Hittitische opvolgersstaat die bekendstaat als Tarhuntassa, waarvan de hoofdstad ergens in het westen in Pamfylië lag. We noemen Tarhuntassa, net als het meer oostelijk gelegen Karchemiš, een Neo-Hittitische staat omdat het feitelijk een voortzetting was van de aloude Hittitische bestuursstructuur, zij het dat de centrale overheid er niet langer was.

Assyrië

De Assyrische bronnen maken onderscheid tussen het vruchtbare oostelijke gebied Qu’e (met als belangrijkste steden Karatepe en Adana) en het berggebied Hilakku. Van dit laatste woord is ons Cilicië afgeleid.

De vlakte van Qu’e was het eerste deel dat in Assyrische handen viel. Koning Tiglat-pileser III (r.744-727 v.Chr.) benoemde een gouverneur, die resideerde in Adana. Qu’e was echter geen vanzelfsprekend onderdeel van het Assyrische Rijk: na de dood van koning Sargon II in 705 keerde de oude dynastie terug, het huis van Muksa. Over de stichter daarvan zal ik bij gelegenheid nog eens bloggen, want dat is de Mopsos die volgens Griekse bronnen na de Trojaanse Oorlog een stad in Cilicië had gesticht.

De Assyrische koning Esarhaddon (r.680-669) heroverde Qu’e, maar Hilakku bleef onafhankelijk. De Assyriërs waren niet voldoende geïnteresseerd in het arme berggebied. Tijdens de regering van Aššurbanipal (r.668-631 v.Chr.) werd Hilakku echter bedreigd door de Kimmeriërs, een nomadenstam die het koninkrijk Urartu al onder de voet had gelopen. Daarom plaatste Hilakku zich onder Assyrische bescherming.

[Wordt vervolgd]

#Adana #AnatolischeTalen #Aššurbanipal #Cilicië #CilicischePoort #DarkAges #Esarhaddon #Hilakku #Hittieten #KaratepeAslantaş #Karchemiš #Kimmeriërs #Kizzuwatna #LuwischeTalen #Mopsos #NeoHittieten #Pamfylië #QuE #SargonII #SyrischePoort #Tarhuntassa #Tarsos #Taurus #TiglatPileserIII #Zeevolken

Mopsos

Hiërogliefisch Luwische inscriptie uit Karatepe

De oude Grieken hadden verhalen over een legendarische held Mopsos, die werkte als ziener in Klaros, in het westen van het huidige Turkije. Na de verwoesting van Troje zou hij de gastheer zijn geweest van enkele Griekse krijgers, waaronder de Griekse waarzegger Kalchas. De twee futurologen deden een wedstrijdje wie het meeste wist, en kort nadat Mopsos had gewonnen, overleed Kalchas.

Daarop trok Mopsos naar het oosten, richting Syrië en Fenicië. In Cilicië zou hij enkele steden hebben gesticht, zoals Mopsoukrenai (“Mopsosbronnen”) en Mopsouestia (“Mopsoshaard”). Volgens de Grieks-Romeinse geograaf Strabon regeerde de ziener vanuit de stad Mallos, ten zuidoosten van het huidige Adana; Ploutarchos meldt dat er in zijn tijd, begin tweede eeuw na Chr., in Cilicië nog een orakel van Mopsos was.

Azatiwataya

Tot zover de Griekse sagen. Nu wat historische informatie over het Anatolië van de Zeevolkentijd. Rond 1200 v.Chr. werd de Hittitische hoofdstad Hattusa ontruimd en viel het centrale gezag weg. De oude provincies of deelkoninkrijken overleefden onder Hittitische dynastieën, die in de IJzertijd een voor een werden onderworpen door de Assyriërs. Tot de steden die bloeiden tussen de neergang van Hittitenrijk het de opkomst van Assyrië, behoorde Karatepe-Aslantaş, een van de mooiste ruïneparken van Turkije. De stad, die ooit Azatiwataya heette, is ontdekt in 1946.

Fenicische inscriptie uit Karatepe

Een van de vorsten was Azatiwata, die rond 700 v.Chr. een tweetalige inscriptie heeft nagelaten: de ene versie, zevenenzeventig regels lang, was gesteld in het aan wetenschappers allang bekende Fenicisch, terwijl de andere versie was gesteld in Hiërogliefisch Luwisch, dat dankzij deze inscriptie kon worden ontcijferd. Koning Azatiwata identificeert zichzelf als de heerser van een koninkrijk dat in het Fenicisch Dnnym heette, ofwel Adana. Misschien heeft het iets te maken met het Zeevolk dat in het Egyptisch bekendstaat als Denyen, maar dat is speculatie.

Moxos, Mpš, Mopsos

Het opvallende is nu dat Azatiwata, anders dan zijn tijdgenoten, niet opschept dat hij een koning was die alles veroverde, vernietigde en plunderde. In plaats daarvan vertelt hij dat hij zijn volk in overvloed en rust liet leven, dat hij de vrede lief had (en daarom zorg droeg voor het leger en de forten) en dat hij vrede sloot met alle koningen. “Zelfs op de ooit gevreesde plaatsen waar geen man durfde gaan, wandelen tegenwoordig vrouwen met hun spintol”.

Maar er is nog iets. Azatiwata beweert in zijn inscripties dat hij een afstammeling is van iemand die in het Luwisch Moxos heet en in het Fenicisch Mpš en die geen ander kan zijn dan de Griekse Mopsos. Dat hadden we even niet zien aankomen, dat zo’n legendarische held uit zo’n legendarische oorlog echt heeft bestaan. Of, iets beter geformuleerd: dat een Griekse traditie over een held van lang geleden ook in de Luwische/Fenicische sfeer bekend was.

Het werpt een zeker licht op de verhalen over Grieken die zich na de ondergang van Troje hebben gevestigd op Cyprus of uitzwierven naar Egypte. Niet dat die sagen nu ineens waar zijn. Er is geen reden zoiets te denken. Maar misschien horen we zo nu en dan wel echo’s uit de Late Bronstijd, toen de Mykeense Grieken inderdaad naar de het oosten reisden, of uit de Zeevolkentijd, toen volken met Grieks-achtige namen opdoken in de Levant.

#Adana #Azatiwata #Azatiwataya #Cilicië #Denyen #HiërogliefischLuwisch #Kalchas #KaratepeAslantaş #Klaros #LateBronstijd #Mallos #Mopsos #Mopsouestia #TrojaanseOorlog #Zeevolken

Clarus - Livius

Het rijk van de Lydiërs

De Paktolos

De Lydiërs waren een IJzertijdvolk is het westen van wat tegenwoordig Turkije heet. Ik noem ze op deze blog regelmatig, maar heb nooit uitgelegd wie het nu eigenlijk waren. Dat moet maar eens veranderen.

Mira

Het land van de Lydiërs ligt aan weerszijden van de rivier de Hermos, waar ze hun hoofdstad Sardes bouwden op de plaats waar een ander riviertje zich met de Hermos verenigt: de Paktolos, die goudpoeder met zich meevoert. Met vruchtbaar land, water en goud was het succes van Sardes feitelijk al verzekerd. Al in de Bronstijd had hier een machtig koninkrijk gelegen, Mira, dat als hoofdstad Abasa had gehad, ofwel Efese.

Hoewel Mira aan het begin van de twaalfde eeuw v.Chr. – daar zijn de Zeevolken weer – verdwijnt uit de geschreven geschiedenis, is er aanzienlijke continuïteit tussen Mira en Lydië. De Lydische taal, die we kennen uit ongeveer honderd inscripties, is afgeleid van het Luwisch, dat in Mira de schrijftaal was geweest.

Gyges

De eerste Lydische vorst waarover we horen, was koning Gyges, de stichter van de dynastie der Mermnaden. Zijn regering wordt wel gedateerd tussen 680 en 644 v.Chr., en het laatste jaar is zeker omdat het ook wordt genoemd in een Assyrische bron. Het eerste jaar zal wel nattevingerwerk zijn geweest. De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos schrijft dat Gyges de macht greep ten koste van een eerdere dynastie, die ruim een half millennium had geregeerd. Als alle jaartallen kloppen, begon die eerdere dynastie ruwweg waar Mira ophoudt, maar dat is vermoedelijk toeval.

Sardes

In feite is de geschiedenis van Lydië vóór de Mermnaden gewoon onbekend, hoewel de Hermosvallei op een bepaald moment deel moet hebben uitgemaakt van het koninkrijk Frygië, dat zich wat oostelijker bevond. Het ging in het eerste kwart van de zevende eeuw v.Chr. ten onder, toen de Kimmeriërs de Frygische hoofdstad Gordion verwoestten. Gyges zal daarvan hebben geprofiteerd, en kan de Kimmeriërs hebben afgeslagen.

Archeologen hebben vastgesteld dat Sardes in het tweede kwart van de zevende eeuw, dus een generatie na Gyges, al een indrukwekkende stad was met mooie huizen, bedekt met dakpannen. Niet zo vreemd natuurlijk, met een goudrivier binnen handbereik en een havenstad als Kolofon in het westen, aan de Egeïsche Zee. Gestaag wist Gyges zijn macht uit te breiden over westelijk Anatolië.

De Mermnaden

Gyges’ succes was tijdelijk. Hoewel de koning van de Lydiërs zich had verbonden met Assyrië, moest hij toezien dat de Kimmeriërs in 644 terugkeerden. Hij werd verslagen en sneuvelde, maar Sardes bleef veilig en het waren de Griekse steden die de ellende te verduren kregen. Het nieuwe koninkrijk was echter sterk genoeg om de gewelddadige dood van de stichter te overleven. Gyges’ zoon Ardys volgde hem op en begroef zijn vader op de vlakte benoorden Sardes, die in het Turks Bin Tepe heet, “de duizend heuvels”.

Bin Tepe

Ardys ging verder waar zijn vader was gebleven. en zette het beleid van zijn vader voort: met veroveringen en verdragen breidde hij de Lydische invloedssfeer uit. In het westen veroverde hij bijvoorbeeld de Griekse stad Priene en sloot hij een verdrag met Milete. Maar het belangrijkste is dat Ardys – zo lijkt het; er is wat discussie – als eerste muntstukken liet slaan, vermoedelijk omdat een vaste coupure het eenvoudig maakte huurlingen te betalen. Bijna elke munt toont een leeuw, wat waarschijnlijk het heraldische symbool was van de Mermnaden.

Rond 625 v.Chr. volgde Sadyattes zijn vader Ardys op, maar hij is nauwelijks meer dan een naan. Zijn zoon en opvolger Alyattes is veel beter bekend. In het westen kon hij Smyrna veroveren, in het oosten nam hij Gordion en hij maakte ook voorgoed een einde aan de dreiging van de Kimmeriërs. De rivier de Halys, ten oosten van het huidige Ankara, was nu de grens van de Lydische invloedssfeer. Hier stuitte zijn leger op 28 mei 585 v.Chr. op de Meden. Omdat er een zonsverduistering was, werd de strijd afgebroken en aanvaardden beide partijen de rivier als afbakening van hun invloedssferen.

Kroisos versus Cyrus

Alyattes liet zijn rijk – zeg maar de westelijke helft van Turkije – na aan zijn zoon Kroisos, die vrijwel alle nog onafhankelijke Griekse steden aan de Egeïsche kust onderwierp. In Efese bouwde hij het beroemde heiligdom van Artemis, of Artimus, zoals de Lydiërs zeiden. Kroisos’ hof was beroemd om de luxe en pracht; tot degenen die er op bezoek zouden zijn geweest, behoren de Griekse fabeldichter Aisopos en de Atheense staatsman Solon.

Lydische munt

Goudrijk als het rijk van de Lydiërs was, was het een natuurlijk doelwit voor de legers van Cyrus, de koning van Perzië. Als we Herodotos mogen geloven, besloot Kroisos de Perzische aanval vóór te zijn en stak hij de Halys over, Cyrus tegemoet. Hij zou zich hebben verbonden met de farao van Egypte, Amasis, en met de Spartanen in Griekenland. Misschien behoorde ook koning Nabonidus van Babylonië tot de anti-Perzische alliantie.

Cyrus versloeg Kroisos ergens ten oosten van de Halys, belegerde zijn tegenstander in Sardes en nam de stad in vóór de Spartanen of Egyptenaren de Lydiërs te hulp konden komen. De Babylonische Naboniduskroniek maakt duidelijk dat Cyrus zijn tegenstander liet executeren, en de Griekse dichter Bakchylides geeft dat indirect ook aan als hij zegt dat Kroisos was weggenomen naar de mythische Hyperboreërs in het uiterste noorden – naar een paradijselijk dodenrijk, met andere woorden. Een deel van Kroisos’ onderdanen lijkt te zijn gedeporteerd naar Nippur in Babylonië, waar kleitabletten een Lydische gemeenschap vermelden.

[Wordt vervolgd]

#Alyattes #AnatolischeTalen #Ardys #Artemis #Bakchylides #BinTepe #CyrusDeGrote #Efese #EgeïscheZee #Frygië #Gordion #Gyges #Hermos #Hyperboreërs #Kimmeriërs #Kolofon #Kroisos #LuwischeTalen #Lydië #Mermnaden #Milete #MiraBronstijdrijk #muntgeld #Naboniduskroniek #Paktolos #Priëne #Sadyattes #Sardes #schrijftaal #slagAanDeHalys #Zeevolken #zonsverduistering