De “Herkulanerinnen”

De Herkulanerinnen (Zwinger, Dresden)

De Duitser die rond het midden van de achttiende eeuw meer wilde weten over klassieke kunst, maar de middelen niet had om naar Rome te reizen, kon naar Dresden gaan, waar de keurvorst van Saksen een prachtige collectie had staan. Antiquarisme, dus het verzamelen van oudheden, behoorde destijds nu eenmaal tot de taken van een heerser. Friedrich August I de Sterke breidde in 1728 de Dresdense verzameling uit door de privécollecties van twee Italiaanse kardinalen te kopen – samen 164 stukken. Het materiaal stond opgesteld in de Groβe Garten ten oosten van de stad, waar de koning van Pruisen er danig van onder de indruk was. En dat was natuurlijk altijd de bedoeling geweest.

Winckelmann

Johann Joachim Winckelmann, de grondlegger van de kunstgeschiedenis die van 1748 tot 1755 in Dresden verbleef, oordeelde echter dat de collectie, mooi als ze was, niet goed stond opgesteld. Ze stonden “als haringen in een ton”. Dat weerhield hem er niet van zo’n beetje in katzwijm te vallen bij de bovenstaande drie beelden: de Herkulanerinnen. Ik overdrijf een beetje, maar met deze beelden begint de kunstgeschiedenis.

De Herkulanerinnen komen uit het theater van Herculaneum, een van de in 79 na Chr. door de Vesuviusuitbarsting verwoeste steden. Ze zijn in 1710 of 1711 gevonden en kwamen, na een zwerftocht via Rome en Wenen, een kwart eeuw later aan in Dresden, waar inmiddels Friedrich August II aan de macht was gekomen. In zijn Gedancken über die Nachahmung der Griechischen Wercke in der Mahlerey und Bildhauer-Kunst prijst Winckelmann de beelden: niet alleen waren het de eerste grote vondsten uit Herculaneum maar wat ze des te indrukwekkender maakte, was de plooival van hun gewaden. Het is misschien wat wonderlijk om juist dat aspect van de beelden te prijzen, maar het illustreert dat Winckelmann meer deed dan alleen genieten van kunst: hij was geen antiquariër maar een kunsthistoricus.

Standaardmodellen

Steeds wanneer hij “griechischen Werken vom ersten Range” zag, vertrouwde hij zijn lezers toe, nam hij een “erhabenen Stand” aan. Ik heb dat altijd als een curieuze opmerking beschouwd, maar in Dresden herkende ik dat zoiets echt gebeurt. Wie de Herkulanerinnen nu op hun ereplaats ziet staan, recht als vanzelf de rug en neemt een even statige houding aan. Ik heb het bij verschillende mensen geobserveerd, ook bij de kinderen die tegelijk met ons bij die beelden stonden. Het zal wel te maken hebben met spiegelneuronen. Ik zou weleens een boek willen lezen over de fysieke reacties die mensen hebben op esthetische prikkels.

Het linkse en het rechtse beeld zijn identiek en wat Winckelmann, die meende dat het drie Vestaalse Maagden waren, niet weten kon, was dat dit standaardbeelden waren waarvan er dertien gingen in een Grieks-Romeins dozijn. Ze gaan terug op Griekse originelen uit de late vierde eeuw voor Chr. en wie een dame wilde eren met een standbeeld, kon zo’n standaardmodel bestellen. Alleen de portretkop was maatwerk. Moderne oudheidkundigen spreken tegenwoordig van de typen Groβe Herkulanerin (de middelste) en Kleine Herkulanerin (de twee andere), en zo zijn er nog wat andere standaardmodellen. Er zijn momenteel ruim 200 grote en bijna 170 kleine Herkulanerinnen bekend, gevonden in ruim 140 plaatsen rond de Middellandse Zee.

Polychromie

Hoewel de drie Herkulanerinnen onder de vulkanische resten hebben gelegen en in de openlucht hebben gestaan, zijn er nog verfsporen zichtbaar. Over de polychromie was nog wat discussie, want de eerste kunsthistorici (Winckelmann incluis) meenden dat veel antieke beelden wit waren geweest – ongeveer zoals de sculptuur in de barokstad Dresden. Daarom zijn classicistische beelden uit de achttiende en negentiende eeuw zo blank als marmer. In de negentiende eeuw werd echter duidelijk dat alle antieke beelden beschilderd waren geweest.

Reconstructie van de Groβe Herkulanerin (Zwinger, Dresden)

Tegenwoordig bezit elk museum wel een gipsafgietsel dat in felle kleuren is beschilderd. Die beelden staan in een traditie uit de negentiende eeuw, toen men voor het eerst experimenteerde met gekleurde afgietsels om te reconstrueren hoe de antieke sculptuur eruit had gezien. Een gipsafgietsel van de portretkop van de Groβe Herkulanerin was een van de eerste pogingen.

En zo is rond de Herkulanerinnen enkele keren wetenschapsgeschiedenis geschreven: ze behoren tot de eerste sculptuur uit Herculaneum, ze behoorden tot een van de belangrijkste klassieke collecties, ze stonden centraal in de eerste kunsthistorische publicaties en er is mee geëxperimenteerd om te zien welke kleuren de oude beelden hadden.

[Dit was het 508e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#antiquarisme #Barok #classicisme #Dresden #FriedrichAugustII #Herculaneum #Herkulanerinnen #JohannJoachimWinckelmann #kunstgeschiedenis #polychromie #spiegelneuronen #wetenschapsgeschiedenis

De Dresdener Codex

De watervloed: een alligator (linksboven in het rechtse plaatje) spuugt het water uit.

In december 2012 was ik in Beiroet. De wereld zou immers vergaan – dat stond in de Maya-kalender – en Libanon leek ons wel een toffe plek om dat mee te maken. Een enorme regenbui was het ergste dat ons overkwam.

Die paniek om die Maya-voorspelling was voor een deel gebaseerd op een dertiende-eeuws manuscript dat momenteel in Dresden wordt bewaard in de Sächsische Landes-, Staats- und Universitätsbibliothek. Op negenendertig uitklapbare, dubbelzijdig beschreven bladzijden staan een rituele kalender, berekeningen met betrekking tot de planeet Venus, het een en ander over maans- en zonsverduisteringen, beschrijvingen van ceremoniën, afbeeldingen van goden en andere bovennatuurlijke wezens, en verder nog het een en ander over de regengod Chaac. Het boek is in 1740 verworven door Friedrich August II. Van heinde en verre trok de Codex Dresdensis bezoekers, zoals in 1791 Alexander von Humboldt, die later in Midden-Amerika probeerde meer te ontdekken over de Precolumbiaanse wereld en in 1810 enkele bladzijden publiceerde uit het handschrift in Dresden.

Rosetta, Behistun, Dresden

Geen enkele negentiende-eeuwer – geen Europeaan en geen Maya – kon het lezen. Het hielp ook niet dat de meeste Maya-boeken in de zestiende eeuw zijn vernietigd door de katholieke autoriteiten in Yucatan: er waren geen parallellen.

Detail van de Dresdener Codex

De ontcijfering is dan ook een langdurig proces geweest. In de jaren dertig van de vorige eeuw wist de Amerikaanse taalkundige Benjamin Whorf (die van de beroemde hypothese) aan de hand van het gehele toen bekende corpus vast te stellen dat het ging om een lettergrepenschrift, nadat de Duitse onderzoeker Ernst Förstemann dankzij het Dresdener handschrift de structuur van de kalender al had weten te doorgronden. Zijn landgenoot Paul Schellhas wist met hetzelfde boek de godsnamen te identificeren. Hij kwam in de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog om het leven tijdens de slag om Berlijn.

Tijdens die gevechten vond – althans volgens een apocrief verhaal – een Russische artillerist bij de brandende Berlijnse Staatsbibliotheek een wetenschappelijke uitgave van de Dresdener Codex. De man, Yuri Knorozov, raakte geïnteresseerd en zou zeven jaar later – en dit is niet apocrief – de beslissende stap zetten naar de ontcijfering van het schrift. De Sovjet-Unie prees zijn werk vervolgens omdat Knorozov een marxistisch-leninistische werkwijze had gevolgd, wat voldoende was om westerse wetenschappers er niet naar te laten omzien. Hij kreeg pas na 1975 wereldwijde erkenning.

De Dresdener Codex is, in combinatie met twee of drie soortgelijke manuscripten, dus zoiets als de Steen van Rosetta of de Behistun-inscriptie: het voorwerp dat een wetenschapper in staat stelde een nog vreemd schrift te ontcijferen. En ook de kalender dus.

De Dresdener Codex

2012

Dit is niet de plek om de Maya-kalender in detail uit te leggen, maar het komt erop neer dat er diverse cycli zijn: van twintig dagen, 360 dagen, 7200 dagen en 144.000 dagen ofwel 394 jaren zoals wij die kennen. De dertiende cyclus van 144.000 sinds de schepping in augustus 3114 v.Chr. liep in december 2012 af.

Nu vertelt de Popol Vuh, een Maya-boek met mythologische verhalen, dat de goden drie keer hun schepping zagen mislukken, en dat het pas de vierde keer goed ging. En deze schepping was bedoeld voor dertien cycli. De Dresdener Codex bevat een tekening van Chaac, een godin en een alligator die een watervloed uit zijn bek laat stromen. De diverse soorten informatie laten zich natuurlijk combineren tot een apocalyptisch te duiden quasi-voorspelling.

Er is echter geen enkele Maya-tekst, geen codex en geen inscriptie, bekend die aangeeft dat de mensheid niet verder zou kunnen gaan naar de veertiende cyclus. En wat zo grappig is: de Dresdener Codex noemt data die zich laten omrekenen naar data ná december 2012. Anders gezegd: alle paniek was paniek om niets. Maar dat vermoedde u al, en dat vermoedden wij ook al, destijds, daar in het regenachtige Beiroet.

#AlexanderVonHumboldt #BenjaminLeeWhorf #Chaac #Dresden #DresdenerCodex #ErnstWilhelmFörstemann #FriedrichAugustII #MayaS #PaulSchellhas #PopolVuh #YuriKnorozov

Winckelmann in Dresden

Winckelmann (Japanisches Palast, Dresden)

Genieën worden gewoon geboren, net als iedereen. Ze worden pas geniaal als ze een onderwerp hebben waarop ze hun genialiteit kunnen uitleven. Dat geldt ook voor de kunsthistoricus Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), die een heel arme jeugd heeft gehad. Toen hij eenmaal wat geld verdienen kon met het geven van bijles, moest hij de helft afstaan aan zijn ouders in het armenhuis. Hij kon echter een Latijnse school bezoeken en wist genoeg te sparen om twee jaar te studeren in Halle en twee jaar in Jena. Evengoed leefde hij van de bedeling. Een baan als huisleraar volgde, en een betrekking als conrector van een Latijnse school was de volgende stap. Het was een leven van hard werken en roofbouw op zijn gezondheid, maar hij ontgroeide de armoede.

Bibliotheekmedewerker

Alles veranderde in 1748, toen hij als bibliotheekmedewerker in dienst trad van graaf Heinrich von Bünau. Deze had zich drie jaar eerder teruggetrokken uit het openbare leven en leefde nu in kasteel Nöthnitz op een anderhalf uur wandelen van de barokstad Dresden. Daar werkte hij aan een Genaue und umständliche teutsche Kayser- und Reichshistorie, waarvan al vier banden waren verschenen. Nu hij alle tijd had, wilde hij het geschiedwerk afronden en hij was inmiddels bezig met de geschiedenis van de in de tiende eeuw aangetreden Ottoonse Dynastie. Veel succes heeft hij niet gehad bij die arbeid, want er is geen nieuw deel van de Reichshistorie meer verschenen.

Friedrich August II (Zwinger, Dresden)

Winckelmann, dertig jaar oud, solliciteerde in juni 1748 bij de geleerde edelmannoot Een door Hein van Dolen en Eric Moormann gemaakte vertaling van de sollicitatiebrief is opgenomen in Johann Joachim Winckelmann. Een portret in brieven (1993). en werd aangenomen. In de ochtend gaf de graaf zijn bibliothecarissen – de twee andere waren de oudheidkundige Christian Gottlob Heyne en de boekwetenschapper Johann Michael Francke – opdracht om bepaalde gegevens te controleren, waar ze enige tijd mee bezig waren. Bovendien kreeg Winckelmann in 1751 opdracht de bibliotheek, niet minder dan 42.000 boeken, te inventariseren. Hoewel er geen vijfde deel van de Reichshistorie is verschenen, beschikken we wel over de door Winckelmann uitgeschreven aantekeningen, zodat we weten wat Von Bünau over de Ottonen heeft willen vertellen. De aantekeningen zijn gedigitaliseerd en hier te vinden.

Ik ben momenteel in Dresden. De stad was rond het midden van de achttiende eeuw een van de grootste culturele centra van Europa; de schilderijen van Bernardo Bellotto (Canaletto II) documenteren hoe het eruitzag op dat moment. Het is niet moeilijk te begrijpen dat Winckelmann er inspiratie kon opdoen. 42.000 boeken in het kasteel, en deur keurvorstelijke verzameling antieke sculptuur (inclusief de “Herkulanerinnen”) op anderhalf uur wandelen. Ik heb zelf geprobeerd naar Nöthnitz te komen, maar fietsen is hier niet makkelijk: je moet vaak over de stoep rijden, zodat je moet letten op voetgangers en afvalbakken, waardoor je niet op je route kunt letten. Na twee keer te zijn verdwaald was mijn humeur niet meer bestand tegen ook nog de beklimming van een forse heuvel en vond ik het welletjes. Ik ben hier niet om aan sport te doen.

Theobald von Oer, “Winckelmann in Nöthnitz” (1874)

Toekomstplannen

Terug naar Winckelmann in Nöthnitz. Hij maakte er kennis met het werk van Voltaire en, nog belangrijker, met de cultuurhistorische benadering van Montesquieu. Hij bezocht de Gemäldegalerie en zag de sculpturen van de Antikensammlung, en nam tekenlessen bij de schilder Adam Friedrich Oeser. Die liet Winckelmann kennismaken met de wereld van cameeën en gemmen. Ook ontmoette hij de pauselijke nuntius, die Dresden een verschrikkelijk oord vond maar in Winckelmann een prettige gesprekspartner herkende.

De pauselijke gezant deed Winckelmann een aanbod: hij kon een betrekking krijgen in Rome, waar een kardinaal een bibliothecaris zocht voor een bibliotheek die zeven keer zo groot was als die van graaf Von Bünau. De enige voorwaarde was dat de Lutherse Winckelmann katholiek moest worden; hij werd op in de zomer van 1754 herdoopt. Dat betekende tevens het einde van zijn werkzaamheden in Nöthnitz; Winckelmanns excuusbrief aan de graaf, geschreven in september, vormt onprettige lectuur.noot Eveneens opgenomen in Hein van Dolen en Eric Moormann, Johann Joachim Winckelmann. Een portret in brieven (1993).

Winckelmanns debuut

Winckelmann trok een maand later in bij de schilder Oeser, die leefde in wat toen de Frauengaße was en nu de Frauenstraße heet. Die is in de Tweede Wereldoorlog weggebombardeerd, maar ze is herbouwd, en enkele huizen zien er opnieuw uit zoals in Winckelmanns tijd: vlak voor de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) een einde maakte aan de bloeiperiode van het keurvorstendom Saksen. In het Dresdense stadsmuseum is een maquette van de omgeving van de Frauenkirche in de achttiende eeuw, waarop een deel van deze straat is te zien.

Frauenstrasse, Dresden

In de Frauengaße schreef Winckelmann zijn eerste werk: Gedancken über die Nachahmung der Griechischen Wercke in der Mahlerey und Bildhauer-Kunst. De oplage van het vierenveertig bladzijden lange traktaatje bedroeg vijftig exemplaren, en Winckelmann legde hierin uit dat en waarom de Griekse kunst – en dus niet de Romeinse – volmaakt was geweest en dat de enige hoop voor de huidige generatie kunstenaars was de Grieken na te volgen. Je vraagt je af of hoe Winckelmanns voorkeur voor classicisme zich verhield tot de barokstad waarin hij schreef.

Pamfletten

Het geschriftje verscheen begin 1755, was opgedragen aan keurvorst Friedrich August II van Saksen en sloeg in als een bom. Er verscheen een pamflet waarin Winckelmann werd verweten dat hij slordig had geciteerd en vervolgens was er nog een tweede pamflet. Heel Dresden was nu geïnteresseerd in de man en de keurvorst zegde hem een jaargeld toe: “Dieser Fisch soll in sein rechtes Wasser kommen”. Voorwaarde was wel dat Winckelmann in Italië, waar de opgravingen van de door de Vesuvius bedekte steden was begonnen, kunstvoorwerpen zou kopen voor de Antikensammlung.

Königsstrasse 10, Dresden

Oeser en Winckelmann waren inmiddels verhuisd naar de Königstraße 10 aan de andere kant van de Elbe. Ik ben er wezen kijken en bovenstaande foto toont de huidige situatie, maar het gebouw is feitelijk nieuwbouw en ik weet niet zeker of het huidige huisnummer 10 ook toen huisnummer 10 was.

In elk geval is Winckelmann er niet lang geweest. In september 1755 verliet hij de stad waar hij zijn werkterrein en zijn roeping had gevonden en waar hij de eerste blijken van zijn genialiteit had gegeven. Pas later kwam uit dat hij de twee pamfletten waarmee zoveel aandacht voor zijn Nachahmung was ontstaan, zelf had geschreven.

#AdamFriedrichOeser #Barok #BernardoBellottoCanalettoII_ #CharlesDeMontesquieu #ChristianGottlobHeyne #Dresden #Duitsland #FriedrichAugustII #HeinrichVonBünau #Herkulanerinnen #JohannJoachimWinckelmann #JohannMichaelFrancke #Nöthnitz #Voltaire #ZevenjarigeOorlog