De grenzen van de Oudheid
Jan Collaert, “Nieuwe ontdekkingen” (1600)Ik blogde onlangs over de ruimtelijke grenzen van de Oudheid. Volgens mij is de traditionele verdeling naar op taal gebaseerde culturen – dus Griekenland, Egypte, Perzië enz. – inmiddels achterhaald en is het nu zinvoller het verleden te bestuderen aan de hand van maatschappijtypen. Immers, het maatschappijtype stelt grenzen aan wat een gegeven cultuur vermag en het eigene blijkt uit de binnen die grenzen gemaakte keuzes. Er is echter nog een tweede afbakening van de Oudheid: de begrenzing in de tijd. Ook die is historisch gegroeid.
Drie tijdperken, twee transities
Ik heb ooit geweten wie de verdeling Oudheid – Middeleeuwen – Nieuwe Tijdnoot Die laatste wordt weer verdeeld in Nieuwe Tijd en Nieuwste Tijd, maar dat laat ik even buiten beschouwing. heeft bedacht; het was een geestelijke die werkzaam was op Corsica, als ik me goed herinner. Feit is in elk geval dat men ten tijde van de Italiaanse Renaissance het idee had dat er een nieuwe tijd was begonnen en dat er twee verledens waren om uit te kiezen: de Romeinse tijd (goed) en de Middeleeuwen (slecht). In allerlei opzichten zocht men aansluiting bij de Oudheid. Men zocht antieke teksten, men probeerde de oude filosofie te doen herleven, men zette gebouwen neer met quasi-antieke façades, en men streefde naar herstel van het vroegste christendom.
Inderdaad vond in de vijftiende en zestiende eeuw een enorme transitie plaats, maar het was een transitie naar een nieuwe tijd, en geen terugkeer naar een (sowieso geïdealiseerd) verleden. De gravure van Jan Collaert hierboven vat het mooi samen: de Amerika’s, het scheepskompas, geschut, het uurwerk, guiacum, distillatie-instrumenten, zijde, verbeterde stijgbeugels en vooral: de drukpers. Wij zouden vermoedelijk boekhoudtechnieken, de aardappel, de filologie en de prijsrevolutie toevoegen, maar het beeld is duidelijk.
En het zal u ook duidelijk zijn dat het een overgangsperiode is geweest, waarbij men niet op 31 december 1500 besloot dat de Middeleeuwen voorbij waren. De meeste mensen wisten sowieso niet wat de datum was. Ik denk wel dat je kunt zeggen dat de jaren 1485-1520 even ingrijpend waren als 1785-1820, maar scherper valt de transitie niet te dateren.
De eerste transitie
Van de weeromstuit is gedacht dat de overgang van Oudheid naar Middeleeuwen dan ook wel een ingrijpende transitie zou zijn geweest. Daarover discussieert men al sinds Montesquieu. Daar komt ons idee vandaan dat er een door “barbaren” veroorzaakte “val” van het Romeinse Rijk zou zijn geweest – waarmee men eigenlijk bedoelt dat het keizerlijk hof in West-Europa niet meer de plek was om politiek te bedrijven en dat het keizerlijk bestuursapparaat plaats maakte voor kleinere bestuurlijke eenheden. Dit zou tussen pakweg 450 en 480 zijn beslag hebben gehad, met het jaar 476 als jaartal voor in de geschiedenisboekjes.
Dat het Romeinse Rijk zou zijn “gevallen” door toedoen van “barbaren” is echter al zeker een eeuw geleden gecorrigeerd. Wat we wel zien, is een stroomlijning van het christendom, aanpassingen in de militaire structuur, sterke bevolkingsafname, grotere sociale mobiliteit, veranderingen in het staatsapparaat en nog zo het een en ander. Deze processen zijn al in de derde eeuw ingezet en gingen door tot de Arabische veroveringen in de zevende eeuw. Wie de feitelijke transitie zou willen dateren kan het niet scherper doen dan tussen 540 en 645.
Vier tijdperken
Maar het is complexer dan dat. In die Arabische veroveringen culmineren eerdere processen: het ontstaan van een Arabisch monotheïsme, de integratie van de Arabische wereld en de professionalisering van de Arabische krijgskunst. Terwijl die de Arabische wereld sterker maakten, verzwakten de in de vorige alinea genoemde, gelijktijdige processen de Romeinse wereld. In combinatie vormen zij het grandioze slotakkoord van de antieke cultuur. Daarom is de oude driedeling Oudheid – Middeleeuwen – Nieuwe Tijd inmiddels vervangen door een vierdeling: Oudheid – Late Oudheid – Middeleeuwen – Nieuwe Tijd.
Kortom: de eindgrens van de Oudheid is verschoven, in onze richting, naar boven. En dit gebeurde in de negentiende eeuw nog een keer, alleen toen de andere kant op, naar onderen: namelijk toen de hiërogliefen en het spijkerschrift werden ontcijferd. Rond 1800 duurde Oudheid van koning David tot koning Clovis, dus zeg maar van 1000 v.Chr. tot 500 na Chr. Inmiddels is het van 3000 v.Chr. tot 650 na Chr.
Je kunt het ook anders zien. De Oudheid is de periode waarover we naast de archeologie wél geschreven teksten hebben, maar eigenlijk te weinig voor normale geschiedschrijving – dat wil zeggen het zoeken naar de oorzaken van gebeurtenissen. Het is juist deze onmogelijkheid die het vak zo uitdagend maakt, of maken kan.
[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]
#ArabischeVeroveringen #CharlesDeMontesquieu #grenzenVanDeOudheid #JanCollaertII #RomeinsKeizerschap
