The Power and the Glory

Ik weet nooit goed wat te doen in een boekhandel. Voor al die boeken hebben mensen zich ingespannen: de schrijver, de meelezers, de redacteuren, de persklaarmaker, de vormgever, de drukker. Respect voor hun inzet en liefde zou je dwingen álles te lezen. Hier staat het puikje van onze beschaving. Mijn oplossing: neem in dubio iets mee van Graham Greene. Er zit weliswaar wat kwalitatief minder materiaal bij (laat Travels with my Aunt gerust staan), maar meestal is Greene aangename lectuur.

Zijn beste roman is The Power and the Glory (1940). Ik moest er onlangs aan denken omdat een recent album van Corto Maltese, De levenslijn (2024), speelt tegen dezelfde achtergrond: de Cristero-oorlog in Mexico. De overheid heeft in de jaren twintig een reeks anticlericale maatregelen genomen waardoor katholieke geestelijken hun leven niet zeker waren. Greene vertelt hoe een priester in het geheim rondzwerft door de zuidelijke deelstaat Tabasco, waar de maatregelen in volle heftigheid werden uitgevoerd, en langzaam maar zeker in een fuik geraakt. Zijn uitwegen worden een voor een afgesneden.

Whisky priest

Ondertussen worstelt de man met zijn tekortkomingen. Hij drinkt, hij heeft een kind verwekt, en als hij dat meisje ontmoet, voelt hij geen spijt – waar hij dan weer wél spijt van heeft. Bovendien schiet hij tekort in de pastorale zorg voor de straatarme boeren. De biecht afnemen lukt nog wel, maar door de drooglegging is er geen wijn te koop, terwijl hij die nodig heeft om de mis op te dragen. Whisky weet de priester dan weer wel te bemachtigen.

Hij wordt op de hielen gezeten door een onberispelijk handelende luitenant. Het is geen kwaaie man; hij stopt de priester zelfs wat leefgeld toe als hij hem, zonder te herkennen wie hij voor zich heeft, als dronken zwerver heeft gearresteerd en weer vrij laat. De luitenant is er echter wel van overtuigd dat de bestrijding van bijgeloof en irrationaliteit niet kan zonder afschrikwekkende voorbeelden. Hij zal uiteindelijk de priester tegen de muur zetten, maar de luitenant staat zijn slachtoffer ook toe een stervende bij te staan.

Dit is natuurlijk een van de troeven van het boek. Als de luitenant een schoft was, zou dit melodrama zijn geweest. Vergelijk het met Hamlet: zijn dilemma’s zouden ongeloofwaardig zijn als wij Claudius dronken op het podium zien. Maar Claudius is, van het eerste tot het laatste bedrijf, every inch a king en dat maakt Hamlets twijfel invoelbaar.

Katholicisme

The Power and the Glory is al vijfentachtig jaar oud en het katholicisme is dat van lang geleden. Ik neem aan dat niemand nog zal denken dat het sacrament ongeldig is als een geestelijke de mis opdraagt zonder wijn. Maar in het Mexico van de “whisky priest” was het dat wel. Dit oude katholicisme betekent tevens dat een stervende zijn nooit opgebiechte zonden mee zal moeten nemen naar het hiernamaals. Dat maakt het lot van de priester wel heel wreed. Weliswaar staat de luitenant hem toe te biechten, maar de afvallige priester die de biecht zou moeten afnemen, kan dit uiteindelijk niet doen.

Zonder vergeven te zijn, staat de veroordeelde voor het vuurpeloton. Hij is een martelaar voor het geloof, maar de man is in alles mislukt. Hij heeft gefaald als priester, hij heeft gefaald als vader, en hij heeft zelfs zijn eigen ziel niet kunnen redden. Ik ken weinig boeken waarin de schrijver zijn personage zo onbarmhartig te pakken nam.

Eigenlijk vind ik dat behoorlijk schokkend. Een boek hoeft voor mij niet per se goed af te lopen, maar er moet voor de slachtoffers enige hoop zijn, iets dat hun lijden betekenis geeft. In het gijzeldrama La casa de papel is er geen rechtvaardiging voor Ariadna, die in doodsangst een relatie begint met een van de gijzelnemers, en feitelijk wordt verkracht. Dat maakte voor mij de reeks met terugwerkende kracht weerzinwekkend.

Het zegt veel over de kwaliteit van The Power and the Glory dat ik zó geschokt was door het lot van de whisky priest, dat ik een priester ben gaan vragen hoe dit eigenlijk zat. Die kon me geruststellen. Als iemand als martelaar sterft, dan zijn z’n zonden vergeven, ook als ’ie niet kon biechten, en de priester van The Power and the Glory is iemand die het martelaarschap noch vermijdt noch opzoekt. Ik ga ervan uit dat Greene, die katholiek was, dit heeft geweten toen hij dit boek maakte; ik weet dat hij tijdens het schrijven van The Power and the Glory met een geestelijke correspondeerde.

Twee waarheden

Kortom: een schitterend boek, dat u zeker lezen moet. Maar misschien moet u de laatste bladzijden overslaan. Tot vlak voor het einde blijven twee waarheden naast elkaar bestaan, namelijk enerzijds dat de al te menselijke priester zijn energie en talent efficiënter had kunnen inzetten door naar een andere deelstaat te gaan waar hij langer in leven zou zijn gebleven en meer mensen had kunnen helpen, en anderzijds dat hij in een regio zonder hoop of kans op vergeving iets goeds heeft gebracht. De lezer die ik ben, waardeert een boek dat die twee waarheden naast elkaar laat bestaan, ongeveer zoals Greene in Monsignor Quixote (meer) het socialisme en het katholicisme gelijkwaardig presenteert.

The Power and the Glory eindigt met de aankomst van een andere priester, die de zielzorg meteen overneemt van z’n gefusilleerde voorganger. Als christen mag Greene natuurlijk aangeven dat de voorzienigheid aan het werk was en dat Gods zegen rustte op de whisky priest. Maar literair vind ik het eigenlijk jammer.

[Eerder gepubliceerd op de culturele website VersTwee.]

#CortoMaltese #CristeroOorlog #GrahamGreene #Hamlet #katholicisme #Mexico #MonsignorQuixote #priesterschap #ThePowerAndTheGlory

De onbekende god

Altaar voor een onbekende god (Antiquarium van het Palatijn, Rome)

We zullen vermoedelijk nooit weten wie Gaius Sestius Calvinius was, behalve dat hij in Rome het bovenstaande altaar oprichtte. Het is gevonden op de plek die bekendstaat als Velabrum, dat wil zeggen de doorgang tussen Palatijn en Capitool die het Forum Romanum verbond met het Forum Boarium, de veemarkt. De tekst, die bekendstaat als EDCS-17200112, is eenvoudig:

Sei deo sei deivae sac(rum)
C(aius) Sextius C(ai) f(ilius) Calvinus pr(aetor)
de senatinoot Je zou senatus hebben verwacht. sententia
restituit

Dat wil zoiets zeggen als

Aan hetzij een god, hetzij een godin
Door Gaius’ zoon praetor Gaius Sestius Calvinius
Op last van de Senaat
Heeft hij dit vernieuwd.

Er waren destijds vele goden, en het kon goed verkeerd gaan als je er een vergat. Gelukkig gaven de goden hun wensen door middel van voortekens te kennen, en dan waren er priesters die de zogeheten Sibillijnse Boeken raadpleegden. Die vertelden dan welke godheid wenste te worden toegevoegd aan het pantheon. Maar soms werd het voorteken niet begrepen en dan waren de rampen niet te overzien. Zo liet in 387 v.Chr. een onbekende godheid weten dat hij verering wenste door expliciet te spreken, maar de Senaat sloeg geen acht op de mysterieuze sprekende stem, en binnen de kortste keren leed het leger aan het riviertje Allia een nederlaag tegen de Galliërs, die vervolgens de stad bezetten en het Capitool belegerden. Kortom, je kon beter een altaar hebben waar je offerde aan goden die je ongewild was vergeten.

Zo’n altaar hebben we dus ook hierboven. Het dateert vermoedelijk uit de eerste helft van de eerste eeuw v.Chr. Het werkwoord “heeft dit vernieuwd” bewijst dat dit soort altaren zorgvuldig werd gecontroleerd en op gezette tijden aangepast aan de eisen van de tijd. (Er is overigens een theorie dat de formulering “aan hetzij een god, hetzij een godin” diende om de naam van de beschermgoden van Rome niet te hoeven noteren, zodat vijanden die niet konden ontdekken, maar ik geloof die theorie niet omdat die namen algemeen bekend waren.)

Zo’n altaar was natuurlijk ideaal voor religieuze vernieuwers. De Handelingen van de apostelen vertellen dat de apostel Paulus verwees naar zo’n monumentje toen hij in Athene een nieuwe tak van jodendom kwam uitleggen:

“Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig u in ieder opzicht bent. Want toen ik in de stad rondliep en alles wat u vereert nauwlettend in ogenschouw nam, ontdekte ik ook een altaar met het opschrift: ‘Aan de onbekende god’. Wat u vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen.”noot Handelingen 17.22b-23; NBV21.

En daarmee rond ik mijn zondagse blogje over het Nieuwe Testament af.

[Dit was het 505e voorwerp in mijn reeks museumstukken. Een overzicht van de reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#Athene #HandelingenVanDeApostelen #inscriptie #NieuweTestament #onbekendeGod #Paulus #priesterschap #Rome #SibillijnseBoeken #voortekens

De barmhartige samaritaan

Barmhartige samaritaan (Rossano-codex)

Dat je zorg draagt voor mensen die in de problemen zijn geraakt, is elementair fatsoen. En omdat dat fatsoen weleens ontbreekt, hebben we een en ander tevens vastgelegd in wetten en verdragen. Zo simpel is het. Je hebt geen antieke tekst nodig om medemenselijkheid te begrijpen. Desondanks komt, sinds de Nederlandse Tweede Kamer besloot hulp aan illegaal in ons land verblijvende mensen strafbaar te stellen, de parabel van de barmhartige samaritaannoot Ik spel natuurlijk samaritaan, want de samaritanen waren (en zijn) een antieke geloofsgemeenschap en de namen van religieuze groepen spellen we in onderkast. De burger wordt geacht de wet te kennen, dus u schudt moeiteloos Spellingsbesluit 1995, artikel 16.7, onder S uit uw mouw, en u schrijft ook jood, christen en moslim. tot vervelens toe langs.

Ik houd er niet van de antieke literatuur te leggen in het procrustesbed der actualiteit. De Oudheid is in zichzelf voldoende interessant. Maar nu de barmhartige samaritaan ineens overal wordt geciteerd, bied ik toch wat losse aantekeningen, die ik baseer op het onvolprezen The Jewish Annotated New Testament, waarover ik al eerder schreef. (Er is een uitgebreide Nederlandse vertaling, maar die heb ik even niet bij de hand.)

Medemenselijkheid

De evangelist Lukas leidt het verhaal in met twee aan Jezus gestelde vragen. De eerste luidt wat iemand moet doen om het eeuwig leven te verwerven. Het antwoord is simpel:

Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.noot Lukas 10.27; NBV21.

Dit is een combinatie van Deuteronium 6.5 en Leviticus 19.18b en is een standaardantwoord. We vinden het eveneens in Lukas’ bron Marcus; de argumentatie is gebaseerd op een farizese redenatiefiguur die bekendstaat als Gezerah Shavah; we kennen deze conclusie ook uit de rabbijnse literatuur; de Romeinse auteur Plinius de Oudere zag het eveneens zo. Kortom, tot hier is er niets bijzonders aan de hand.

Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: “Wie is mijn naaste?”

Toen vertelde Jezus hem het volgende: “Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen.”noot Lukas 10.29-32.

Je hoort regelmatig dat deze mensen geen EHBO verleenden omdat ze hun rituele reinheid moesten bewaren: het waren immers mensen die werkten in de tempel, en rituele reinheid was belangrijk. Dan raak je geen stervende aan. Alleen: het staat er simpelweg niet.

Op en neer naar Jeruzalem

Nu staan er wel meer dingen niet in het Nieuwe Testament. Je kunt zeggen dat onuitgesproken kon blijven wat elke toehoorder begreep. Maar het Grieks bevat een duidelijke tegenaanwijzing. In die taal, afkomstig uit een land met nogal wat bergen en dalen, loop je zelden zomaar van A naar B, maar je klimt of daalt van A naar B. En in de parabel is echt sprake van afdalen, κατέβαινεν. Het werk in de tempel zit erop en de rituele reinheid doet er dus niet langer toe.

Waar komt dat idee van de rituele reinheid vandaan? Ik vermoed dat het samenhangt met het christelijke vooroordeel dat joden geen genadige god hadden, maar een god die hen dwong “punten te scoren” om een plaats te verwerven in de wereld die nog zou komen. Daarom, zo wilde het vooroordeel, hadden de joden eindeloos veel regeltjes. En dus een obsessie met rituele reinheid. Die veronderstelde obsessie hebben christelijke lezers in dit verhaal gelezen.

Aäron, Levi, Israël

De reden waarom de priester en de leviet de ongelukkige negeren, vernemen we dus niet, en is voor het verhaal ook niet belangrijk. Het priesterschap was erfelijk en een joodse priester stamde af van Mozes’ broer Aäron. Het levietschap was eveneens erfelijk: de levieten stamden af van Levi, een van de twaalf zonen van de aartsvader Jakob. De rest van de bevolking (de afstammelingen van de andere zonen van Jakob dus) staat bekend onder de verzamelnaam Israël. Na Aäron en Levi zou Israël moeten komen: de toehoorder verwachtte dat de derde passant een gewone jood zou zijn die deed wat gods grondpersoneel naliet. De schok in de parabel is dat degene die de zaken netjes afhandelt, niet de verwachte gewone jood is, maar iemand die geen deel uitmaakt van het verbondsvolk.

Wie zich werkelijk wil verdiepen in de materie, moet ook nog even kijken naar 2 Kronieken 28.15, maar ik ga snel verder naar het einde van de vertelling. Jezus vervolgt:

“Een samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: ‘Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.’ Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?”

De wetgeleerde zei: “De man die medelijden met hem heeft getoond.”

Toen zei Jezus tegen hem: “Doet u dan voortaan net zo.”noot Lukas 10.33-37.

Het antwoord van de wetgeleerde is ronduit grappig: “de man die medelijden heeft getoond”. De wetgeleerde kan het woord “samaritaan” niet eens over z’n lippen krijgen.

#barmhartigeSamaritaan #EvangelieVanLukas #GezerahShavah #Jeruzalem #leviet #NieuweTestament #priesterschap #ritueleReinheid #samaritaanseGeloofsgemeenschap

Alexander de Grote in Tyrus (1)

Een Fenicische priester uit Tyrus (Louvre, Parijs)

Zoals de regelmatige lezers van deze blog inmiddels hebben gemerkt, ben ik begonnen aan een reeks over de oorlog van Alexander de Grote tegen het Perzische Rijk. In eerdere afleveringen vertelde ik over de wijze waarop hij aan de macht kwam en zijn wederwaardigheden in het huidige Turkije. Over de slag bij Issos, waarin de Macedoniërs de Perzische troepen van Darius III Codomannus versloegen, had ik lang geleden al eens geblogd. Dat gevecht, in de eerste dagen van november 333 v.Chr., eindigde in een afschuwelijke slachting omdat de Perzen niet weg konden komen.

Na afloop begon Alexander een relatie met een Perzische maîtresse, Barsine. Over haar heb ik eerder geschreven; ze moet een soort Doña Marina zijn geweest, die de Macedoniërs hielp bij het begrijpen van de oosterse cultuur. Maar niet voldoende, zoals we constateren bij het vervolg: hoe Alexander Fenicië veroverde.

Fenicië

De operatie was logisch. Als de Macedoniërs de havensteden van Fenicië zouden bezetten, konden de Perzen nooit meer een vloot naar Griekenland en Macedonië sturen. In 355 en 340 had zo’n herhaling van Xerxes’ expeditie in de lucht gehangen, dus Alexanders strategische zorg was niet op niets gebaseerd.

Een door Alexander in Byblos geslagen munt (Nationaal Museum, Beiroet)

De operatie verliep aanvankelijk van een leien dakje. Arwad, Byblos en Sidon gaven zich meteen aan Alexander over. De Perzische koning was immers enkele weken eerder verslagen en kon de steden niet beschermen. De koning van Sidon, Abdalonymos (Fenicisch: Abd-ʾIlonim, “dienaar van de goden”) zou zijn loyaliteit tonen door helemaal tot in India met Alexander mee te reizen en zich te laten begraven in een schitterende sarcofaag waarop ook Alexander stond afgebeeld.

Bij Tyrus verliep de Macedonische zegetocht echter anders. Weliswaar wilde de stad zich overgeven, maar Alexander wilde daarna offeren aan de stadsgod Melqart. Dat was echter onmogelijk. Waar in Griekenland en Macedonië iedereen aan de goden kon offeren, was dit in de Levant voorbehouden aan enkele priesterlijk families –kohen in het Fenicisch. Alexanders offer zou heiligschennis zijn. De Macedonische koning legde het religieuze bezwaar uit als een weigering te capituleren en besloot de stad te bestormen. Het was tegelijk een propagandastunt, want Tyrus lag op een eiland, 750 meter uit de kust: de Macedoniërs zouden een dam aanleggen om de wereld hun superieure belegeringstechniek te tonen.

Het beleg van Tyrus

De belegering en verdediging van Tyrus werden inderdaad een demonstratie van alle destijds bestaande ingenieurstechnieken. De Macedoniërs bemachtigden de bouwmaterialen voor de aanleg van de zestig meter brede dam door een op het vasteland gelegen stadswijk te slopen. Het transport was in handen van de plaatselijke bevolking, die dus de eigen huizen moest afbreken en de stenen in zee moest werpen. Aanvankelijk ging het snel, maar de zee werd dieper naarmate de dam zich verder uitstrekte in de richting van het eiland. Bovendien namen de Tyriërs tegenmaatregelen: boogschutters schoten vanaf allerlei vaartuigen op de bouwers op de dam. Dit dwong de Macedoniërs om de dam te beveiligen met lange schermen en twee hoge, verrijdbare torens, uitgerust met katapulten.

De belegeringsdam vandaag de dag

Opnieuw namen de Tyriërs tegenmaatregelen. Ze laadden enkele schepen met brandbaar materiaal en wisten die te richten op de belegeringstorens. Op deze manier brachten ze enorme schade toe, zodat de Macedoniërs de dam verder moesten beschermen met zware balken, die dienden als golfbrekers en buffers. Ook besloten ze de dam te verbreden, zodat het lichaam stabieler was en meer ruimte bood voor geschut. Ondertussen hadden de Tyriërs de stadsmuur verhoogd en voorzien van katapulten en blijden, waarmee ze het leven van de belegeraars nog verder bemoeilijkten.

Maar Tyrus was gedoemd. Het beleg was al een half jaar gaande toen Alexander in de zomer de beschikking kreeg over een eigen vloot, bestaande uit de schepen van Arwad, Byblos, Sidon en enkele Cypriotische steden. De Tyriërs beheersten de zee niet langer en wisten dat hun stad ooit zou worden ingesloten en bestormd. Ze slaagden er nog in hun vrouwen en kinderen naar het veilige Karthago te sturen, maar voor de mannen resteerde nu alleen de harde eindstrijd. Terwijl de Macedoniërs volop graan konden confisqueren, zagen de Tyriërs hun rantsoenen slinken.

[wordt vervolgd]

#Abdalonymos #AlexanderDeGrote #Barsine #belegering #Melqart #priesterschap #Tyrus

Monsignor Quixote (2)

In het eerste deel van dit stuk wees ik op het gekunstelde karakter van Graham Greenes boek Monsignor Quixote. Deze onnatuurlijkheid doet gelukkig niet af aan de leesbaarheid. Zoals ik al zei is de vriendschap van de twee mannen schitterend getekend, terwijl hun gesprekken ergens over gáán.

De afgelopen vijftig eeuwen – zo lang dus als we de geschiedenis kennen – zijn de meeste mensen op een of andere wijze religieus geweest. Een humanist kan dat niet zomaar als irrelevant terzijde schuiven: het verlangen naar Iets Hogers, wat dat ook moge zijn, is blijkbaar onderdeel van het mens-zijn. Omgekeerd zijn de antwoorden die de godsdiensten tot op heden hebben geboden te beperkt, te tijdgebonden, te irrationeel om in onze tijd nog te overtuigen. Voor beide standpunten valt iets te zeggen en Greene geeft aan beide ruimte, waarbij hij vooral onderstreept dat zekerheid iets is voor tevredenen en legen.

Monsignor Quixote is dus vooral een filosofische dialoog, met als conclusie dat een leven zonder twijfel niet de moeite waard is. Ik typeerde het boek ook als een road movie: de twee mannen zijn op een queeste. Dit is uiteraard een overeenkomst met Cervantes’ beroemde roman (dit keer geen classificatieprobleem: om de avonturen van de vernuftige edelman uit La Mancha te typeren als roman, hoeven de definities niet te worden opgerekt).

De overeenkomsten zijn er op twee niveaus. Enerzijds binnenin de tekst: Monsignor Quichot beweert af te stammen van de ridder van de droevige figuur en noemt zijn Seat 600 Rosinant, er zijn mensen die hem vragen of hij écht afstamt van Don Quichot en Sancho vergelijkt ergens een ontmoeting met de Guardia Civil met het gevecht dat de dolende ridder leverde met de windmolens. Anderzijds gebruikt Greene de klassieker van Cervantes om zijn eigen tekst te structureren: de monseigneur en de burgemeester maken twee reizen, overnachten in een bordeel, denken iets goeds te doen als ze in feite een crimineel helpen en komen in nog meer herkenbare situaties terecht.

De overeenkomst gaat echter verder dan spiegelende scènes: zoals Don Quichot gelooft in oude boeken, zo leest en herleest Monseigneur Quichot de mystieke teksten van het christendom (en heeft de burgemeester Het communistisch manifest op zak). En zoals de ridder van weleer in naïviteit leeft maar op zijn sterfbed een realist blijkt te zijn, zo legt ook zijn afstammeling zijn argeloosheid af in de daverende slothoofdstukken, waarin de goede monseigneur komt te overlijden.

Zoals ik al aangaf kun je Greenes boek óók lezen als een tragedie, met een catastrofe aan het einde. Monseigneur Quichot wordt oprecht kwaad als hij ziet hoe een Mariabeeld wordt bekleed met bankbiljetten. Zijn optreden tegen deze blasfemie wordt zijn dood. Het is een intens pessimistische scène: de menselijke waarden waarover de katholieke priester en de communistische humanist het eens zijn, bezwijken uiteindelijk voor het kapitalistische winstbejag. Het vasthouden aan de oude idealen, en niet de ontmoeting met de Guardia Civil, is het eigenlijke windmolengevecht, en zoals u weet zijn in het universum van Don Quichot de zogenaamde realisten de dwazen en is de zogenaamde dwaas de enige die werkelijk begrijpt wat in dit ondermaanse van waarde is.

Ik heb met dit laatste iets meer van de plot weggegeven dan ik wilde, maar u weet nog niet wat het slothoofdstuk is. Daarover verklap ik niets, maar ik verzeker u dat het indrukwekkend is, dat Sancho en Monseigneur Quichot allebei gelijk blijken te hebben, dat het mysterie intact blijft en dat het u zal ontroeren. En tot slot is er de onbeantwoorde vraag waarmee het boek eindigt: hoe komt het dat haat, zelfs de haat van en voor een man als Francisco Franco, ophoudt als iemand sterft, terwijl liefde overleeft en kan groeien?

#DonQuichot #FranciscoFranco #GrahamGreene #MonsignorQuixote #priesterschap #roman

Sadduceeën (1)

Schriftgeleerde met boekrol (Catacombe van Petrus en Marcellus, Rome)

Een Jood behoorde tot het uitverkoren volk; in dank daarvoor hield hij zich aan de Wet van Mozes; om dat zo goed mogelijk te doen, bediscussieerden schriftgeleerden de details. We spreken van halacha. Zo ontstonden diverse stromingen, waarvan de farizeeën de bekendste zijn. Je hoort ook over zeloten, sicariërs, essenen. Daarnaast was er de sekte die bekend is van de Dode-Zee-rollen uit Grot 1 bij Qumran. Volgens verouderd onderzoek is die sekte dezelfde als die van de essenen, maar dat is bepaald niet onomstreden. We lezen verder over herodianen, die misschien ook al gelijk zijn aan de essenen. En dan zijn er nog sadduceeën. Daarover wil ik het vandaag hebben.

De sadduceeën worden vaak gepresenteerd als rijke, pro-Romeinse joden, met veel invloed op de tempelcultus. Dit laatste lijkt in eerste instantie te zijn gebaseerd op weinig meer dan een terloopse opmerking uit de Handelingen van de apostelen (5.17), waarin staat dat hogepriester Ananos I medestanders had onder de sadduceeën. Inhoudelijker is de typering van Flavius Josephus dat de sadduceeën naast de Wet geen normatieve boeken hadden. Daarin verschilden ze van de andere halachische stromingen. De lijst van normatieve boeken van de farizeeën was bijvoorbeeld veel langer: min of meer wat nog altijd de joodse Bijbel is. De sekte van de Dode-Zee-rollen erkende naast de Wet en enkele profeten ook eigen geschriften (zoals 4QMMT), maar lijkt bijvoorbeeld Ester niet te hebben erkend.

Het dwaalspoor Josephus

Flavius Josephus helpt ons traditiegetrouw van de wal in de sloot. Hij reduceert de halachische veelkleurigheid tot drie stromingen – farizeeën, sadduceeën en essenen – en alsof die kaalslag nog niet voldoende is, presenteert hij de stromingen zó dat een Griekse of Romeinse lezer er stoïcijnen, epicureeërs en pythagoreeërs in herkent. Voor de sadduceeën geldt dan de epicurese visie dat God weliswaar de wereld heeft geschapen, maar zich er verder niet mee bezighoudt, zodat noch Noodlot noch Voorzienigheid bestaan. Dat laat mensen de vrijheid hun leven in te richten volgens hun eigen noties van goed en kwaad. Omdat de ziel met het lichaam sterft, is er geen hiernamaals en zijn er geen helse straffen of hemelse beloningen.

Helemáál uit de lucht gegrepen is dit niet. Dat de sadduceeën niet geloofden in het leven na de dood, vinden we ook bij Marcus 12.18-27 en in Handelingen 23.8.

Toch biedt Josephus een misrepresentatie. Die dient om een vierde stroming te delegitimeren: de armen die vanaf het midden van de eerste eeuw in toenemende mate geweld kozen en van Josephus de schuld krijgen van de ondergang van Jeruzalem en het einde van de tempelcultus in 70. Deze vierde stroming zou volgens Josephus aan het jodendom vreemd zijn geweest. Anders gezegd, als de armen erin hadden berust dat de elite de Romeinse belastingdruk op hen afwentelde, dan was alles pais en vree gebleven.

Dit is evident vooringenomen. De misrepresentatie roept de vraag op wat de diverse stromingen dan wel waren. Wat waren de sadduceeën?

Namen

Misschien is de naam afgeleid van şaddûqîn, wat dan zou betekenen dat de sadduceeën zouden afstammen van Sadok, de hogepriester van de koningen David en Salomo. De profeet Ezechiël (40.46) had gezegd dat Sadoks nageslacht zou voorgaan in de tempel en het kan zijn dat de sadduceeën zich via hun naam associeerden met het hogepriesterschap en de cultus in het heiligdom. Een tweede mogelijkheid is echter dat de naam het Hebreeuwse woord voor “rechtvaardige” weergeeft en dat de sadduceeën zich dus aanduidden als “de rechtvaardigen”. Verder komen we niet.

Een andere benadering zou zijn te kijken wie sadducee wordt genoemd. En hier blijkt Josephus weer onontkoombaar. Hoe misleidend hij ook te werk gaat, hij is wel een voorname bron. En hij is de enige die met naam en toenaam mensen identificeert als farizee, esseen of sadducee.

Welnu, het totale aantal geïdentificeerde sadduceeën bedraagt precies één: de hogepriester Ananos II. Josephus vertelt in de Joodse Oudheden 20.197 dat deze in 62 na Chr. opdracht gaf tot de steniging van Jezus’ broer Jakobus de Rechtvaardige en prompt daarna zijn biezen kon pakken. Hij zou, zoals ik al eens vertelde, later leiding geven aan het verzet tegen de Romeinen, dus voorlopig wil ik even van niemand horen dat de sadduceeën pro-Romeins waren.

[Wordt vervolgd]

Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

Zelfde tijdvak


Zware cavalerie

mei 22, 2020
Masada

augustus 8, 2015
M10 | Jonathan de Makkabeeër

december 21, 2022 Deel dit:

#ananosI #ananosIi #essenen #farizeeen #flaviusJosephus #halacha #herodianen #hogepriesterschap #jakobusDeRechtvaardige #nieuweTestament #priesterschap #qumran #sadduceeen #steniging

Barmhartige en andere samaritanen (1)

Altaar uit Sichem (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

U kent de samaritanen – met een kleine letter graag – van de gelijkenis over de barmhartige samaritaan. U weet wel: de evangelist Lukas vertelt over een reiziger die op weg van Jericho naar Jeruzalem in de handen van rovers valt. Uitgeschud ligt hij langs de weg. Een leviet en een priester laten hem voor dood liggen maar een passerende samaritaan neemt zijn verantwoordelijkheid wel. Het is een wondermooi verhaal over beschaving: dat je iemand die niet tot je eigen groep behoort, erkent als medemens. Misschien komt het door deze elegantie dat je niet herkent hoe absurd het eigenlijk is. Geen rover kan de weg van Jericho naar Jeruzalem onveilig hebben gemaakt. Het was een van de drukste en best bewaakte straten in Judea.

Joden en samaritanen

Maar daarover wilde ik het niet hebben. Het gaat om de vraag wat de samaritaanse geloofsgemeenschap nu eigenlijk is. Samaritanen lijken op joden, maar er zijn enkele verschillen, waarvan sommige heel oud.

  • Eén: samaritanen denken dat de tempel niet in Jeruzalem zou moeten staan, maar op de berg Gerizim nabij Sichem (het huidig Nablus);
  • Twee: samaritanen geloven dat hun lijn van priesters de legitieme is, in tegenstelling tot de lijn van priesters in Jeruzalem;
  • Drie: samaritanen aanvaarden alleen de wet van Mozes (Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium) als gezaghebbend. Van deze boeken hebben ze ook een iets andere tekst.
  • Vier: samaritanen erkennen dus de profeten en de geschriften niet als gezaghebbend.

Zoals de gelijkenis van de barmhartige samaritaan suggereert, was de relatie tussen joden en samaritanen gespannen. Lukas kan immers bekend veronderstellen dat het ongebruikelijk was dat een samaritaan een jood hielp. Een deel van die spanning zal samenhangen met de destijds normale stedelijke rivaliteiten, waarover ik al eens blogde. Dat Jeruzalem en Samaria rivaliseerden om het klatergoud dat de Romeinse overheid te verdelen had, is plausibel. Dat die spanningen vervolgens in religieuze vorm tot uitdrukking kwamen, is in de antieke context ook niet meer dan logisch.

Twee koninkrijken

De religieuze uiting van die spanning gaat in feite terug tot het eerste kwart van het eerste millennium v.Chr. In die tijd was de verering van JHWH in de koninkrijken Israël en Juda al wijdverspreid. Jeruzalem, de hoofdstad van Juda, was toen echter nog niet de enige cultusplaats. In het meer kosmopolitische Samaria, de hoofdstad van Israël, voelde men althans weinig aandrang naar Jeruzalem te gaan om te offeren. Het altaar dat hierboven is afgebeeld documenteert dat de Samarianen hun eigen cultusplekken hadden (hoewel dit altaar niet per se voor JHWH is geweest).

De val van Samaria (724 v.Chr.), de deportatie van een deel van de bevolking en de opkomst van Juda maakten Jeruzalem tot het voornaamste, je enige cultuscentrum. Daar brak ook het monotheïsme door, dat is vastgelegd in de Wet van Mozes, ofwel de eerste vijf boeken van de Bijbel.

De samaritaanse Wet

Deze tekst is overgeleverd in twee versies, de welbekende joodse versie en de samaritaanse versie (“samaritaanse pentateuch”, in jargon). Ook al zijn er verschillen, ze zijn op hoofdlijnen hetzelfde en dat kan alleen betekenen dat ze teruggaan op één origineel. Het heilige boek van de samaritanen is dus samengesteld na de totstandkoming van het joodse origineel – laten we zeggen rond 500 v.Chr.

(Tussen haakjes: je kunt natuurlijk ook redeneren dat de joodse versie tot stand kwam na het samaritaanse origineel. De joodse tekst hangt echter samen met de totstandkoming van het Deuteronomistisch Geschiedwerk, dat bewijsbaar uit Juda stamt. De samaritaanse tekst moet een variant zijn op een joods origineel, niet andersom.)

Dwaalsporen

Dat de samaritanen zijn ontstaan na het ontstaan van de joodse versie van de Wet van Mozes, betekent dat drie theorieën over de oorsprong van de samaritanen onhoudbaar zijn.

  • De samaritanen zelf geloven dat de Ark van het Verbond ooit in een heiligdom heeft gestaan op de berg Gerizim. Later zou de priester Eli die naar Silo hebben gebracht en daarvandaan bracht koning Salomo de heilige voorwerpen naar Jeruzalem. De samaritanen denken dat het schisma tussen de twee geloofsgemeenschappen stamt uit deze vroege tijd.
  • De joodse Bijbel suggereert dat de samaritanen hun oorsprong vinden in het noordelijke koninkrijk Israël. Vanaf het moment waarop de tien noordelijke stammen zich van Juda afscheidden, accepteerden ze onjoodse ideeën. Anders gezegd, het samaritanisme is ontstaan ​​toen de Israëlieten het verbond verlieten.
  • Een andere bijbelse verklaring is dat de samaritanen afstammen van de mensen die zich in Samaria vestigden nadat de Assyriërs Israël hadden veroverd en de oorspronkelijke inwoners hadden gedeporteerd.
  • Deze theorieën hebben met elkaar gemeen dat ze beweren dat één oer-groep in tweeën is gesplitst, op een heel vroeg moment, al voor de Babylonische Ballingschap.

    Ontstaan van de samaritanen

    Het lijkt complexer te zijn. Oorspronkelijk was de cultus van JHWH wijdverbreid, met diverse cultusplaatsen. Jeruzalem begon in de zevende eeuw echter te claimen de enige cultusplaats te zijn van de enige godheid, en codificeerde dit in de Wet. Niet iedereen ging daarin mee. In het voormalige noordelijke rijk bleven oude tradities bestaan, net zoals in Elefantine joden bleven wonen die niet zonder meer het monotheïsme uit Jeruzalem overnamen. Op een bepaald moment (waarover later meer) accepteerden de noordelijke JHWH-vereerders die Wet eveneens, maar brachten daarin enkele wijzigingen in aan.

    Zo moet het zijn begonnen. Met de stad Samaria heeft het, zoals u merkt, betrekkelijk weinig te maken. Samaritanen zijn geen Samarianen.

    [Later meer]

    #barmhartigeSamaritaan #EvangelieVanLukas #Gerizim #Jeruzalem #leviet #Nablus #priesterschap #Samaria #Samarianen #samaritaanseGeloofsgemeenschap #samaritanen #Sichem #Tora