Het Forum Romanum

Er zijn maar een paar plekken op aarde die je écht, zonder marketing-hype, kunt aanduiden als werelderfgoed. Eén zo’n plek is het Forum Romanum in Rome. Hier – en hier in de omgeving – zijn dingen gebeurd die u en mij nog altijd raken en die ook betekenis hebben voor mensen in pakweg Rio de Janeiro, Manila of Nairobi. Niet per se positief, niet per se door iedereen benoembaar, maar wel reëel. Leuk is daarbij dat er volop onderzoek plaatsvindt. Of het nu gaat om de hoek achter de tempel van Vesta, waar in de jaren tachtig grote huizen uit de zesde eeuw v.Chr. zijn opgegraven, of om het huidige onderzoek voor het Senaatsgebouw, er is nog volop ruimte voor andere visies en nieuwe inzichten.

Stenen en stemmen

Onlangs publiceerden Guido Cuyt (wereldberoemd in Antwerpen) en Michiel Verweij hierover Het Forum Romanum. Stenen en stemmen. Simpel samengevat: een volledige en actuele beschrijving van een van de allerbelangrijkste archeologische sites in Italië. Ik zou liegen als ik zei dat het rijk geïllustreerd was, maar de illustraties zijn goed gekozen en gaan voor een deel terug op de maquette die Cuyt van het Forum Romanum heeft gemaakt.

Cuyts maquette

Het bevat verder een overzicht van de relevante geschreven bronnen en álle inscripties, alsmede een historisch overzicht van de geschiedenis van deze bijzondere plek in de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. De belangrijkste identificaties dateren van na de Italiaanse eenwording in 1870; de belangrijkste opgraver was Giacomo Boni (aan wie onlangs een expositie was gewijd); de huidige presentatie gaat terug op de jaren twintig, dertig en is feitelijk een etalage van het fascisme.

Het aardigste aan het boek is de vanzelfsprekendheid waarmee de auteurs de inscripties laten spreken via de stenen waarop ze zijn aangebracht. Het is principieel verkeerd een antieke tekst, in welke taal dan ook, te lezen zonder eerst aandacht te besteden aan het materiële aspect. Dat zal niemand betwijfelen als het gaat om bijvoorbeeld de Nag Hammadi-codices, waarvan de datering en dus de interpretatie volledig afhankelijk is van de vondstcontext, maar het geldt ook voor zoiets simpels als een inscriptie.

De tempel van Saturnus (achteraan)

Saturnus

Ik hoorde Cuyt onlangs in Antwerpen met merkbaar plezier uitleg geven over inscriptie EDCS-17301056.

Senatus populusque Romanus
incendio consumptum restituit

Geen moeilijke tekst: de Romeinse Senaat en het Volk hebben iets hersteld nadat het was verwoest door een brand. Het lijdend voorwerp ontbreekt. Het lijdend voorwerp is namelijk het gebouw waarop de inscriptie is aangebracht. In dit geval: de tempel van Saturnus.

Die is inderdaad afgebrand tijdens de regering van keizer Carinus, wat een redelijk scherpe datering oplevert rond 283-285. Zo staat het ook in de database van Clauss en Slaby.

Behalve dat het niet kloppen kan. Zo lang er keizers in Rome resideerden, waren zij degenen die zo’n inscriptie lieten aanbrengen. Dat het dit keer de Senaat was,  inclusief een dode-letter-verwijzing naar de Volksvergadering, suggereert dat het gebeurde in de vierde of vroege vijfde eeuw. Ook de kapitelen suggereren een laatantieke datering. Je kunt de tekst, hoe simpel ook, dus niet analyseren zonder eerst naar de archeologie te kijken.

Laatantiek kapiteel van de Saturnustempel

Mommsen

Ik ben het boek van Cuyt en Verweij momenteel aan het lezen. Ik verwacht nog meer leuke dingen te vinden en zal er vast op terugkomen. Het Forum Romanum. Stenen en stemmen is in elk geval een tof boek. ik had voor geen goud het detail willen missen dat de Italiaanse autoriteiten de grote Theodor Mommsen een gebiedsverbod oplegden.

#boek #Carinus #epigrafie #ForumRomanum #GuidoCuyt #Italië #MichielVerweij #Rome #Saturnus #TheodorMommsen

Een Thracische huurling in Numidië

Grafstèle van een Thracische huurling (Archeologisch museum, Constantine)

Onderzoek in wat destijds bekendstond als de Franse departementen Oran, Algiers en Constantine, midden twintigste eeuw. In 1929 publiceerde Stéphane Gsell het eerste deel van Inscriptions latines de l’Algérie, dat alleen nog maar het oostelijkste deel van het oostelijkste departement bevatte. Hoe lastig de productie van dit boek was verlopen, blijkt wel uit het feit dat het officiële jaar van publicatie 1922 was: het boek heeft zeven jaar op de plank gelegen. Deel twee, dat de westelijke helft van het departement besloeg, verscheen in 1957. Het overlijden van Gsell, de Tweede Wereldoorlog en de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog hadden nogal wat problemen veroorzaakt, om het eufemistisch uit te drukken.

Dat bemoeilijkte ook vervolgonderzoek. Sommige inscripties vragen nog altijd om nadere inspectie, zoals de bovenstaande stèle, die we alleen kennen uit het deel uit 1957, alsmede een notitie van Jeanne Robert-Vanseveren en Louis Robert, de twee grootste epigrafen (inscriptiekenners) van de moderne tijd. De stèle is afkomstig uit het El-Hofra-heiligdom te Constantine, waarover ik al eens eerder blogde. Ze dateert uit de tweede eeuw v.Chr. De Roberts voegden aan de tekst van de inscriptie toe dat op de vindplaats ook diverse wijdingen waren gevonden aan de god Baäl-Hammon en aan de godin Tanit in haar rol van “aangezicht van Baäl”.

Dat stond vijf jaar geleden eveneens op het bordje met toelichting in het museum van Constantine: het gaat om een vijfregelige, in Griekse letters geschreven Punischtalige wijding aan Baäl-Hammon en Dame Tanit, aangezicht van Baäl. Ik vermoed dat degene die het bordje opstelde, de tekst niet begreep en de toelichtende woorden van de Roberts verkeerd heeft uitgelegd, want het gaat feitelijk om een grafschrift dat is gevonden bij dat heiligdom. En het gaat om een doodnormale Griekse tekst, al bevat die wel enkele Punische namen.

Μυθυνιβαλ Ἁμμιλ-
καρος σEεραλις ἔστησε
τὸ μνημεῖον τοῦτο
Ἀπολλοθέμιδι Θρᾳκὶ
Ἀσκληπιοδώρου

Mattanbaäl, zoon van Hammil-
kar sEeralis richtte
deze grafstèle op voor
Apollothemis de Thraciër,
zoon van Asklepiodoros.

Een Thracische huurling dus, in dienst van de Numidische koning Massinissa of een van zijn zonen, of misschien Jugurtha. En de inscriptie is dus opgericht door een vriend met een Punische naam: Mattanbaäl, “geschenk van Baäl”. Die naam is nog eeuwen populair gebleven in de regio, zij het in vertaling. Augustinus noemde zijn zoon Adeodatus.

Het probleem waarvan je hoopt dat er eens iemand naar gaat kijken, is het tweede woord in de tweede regel: σEεραλις. Ik heb de Latijnse hoofdletter E maar ingevoegd omdat het tweede teken daar nog het meeste op lijkt.

Tweede regel: -καρος σEεραλις ἔστησε (klik=groot)

We hebben geen idee wat σEεραλις betekenen kan. Is het de achternaam van Hamilkar? Dat kan. Het kan ook een functie zijn. Het woord kan Punisch zijn, maar – gegeven de vindplaats niet onwaarschijnlijk – eveneens het slecht begrepen Numidisch. Zolang we de tweede letter niet kennen, tasten we in het duister en weten we alleen dat het geen Grieks is.

Daar zou eens iemand naar moeten kijken. Eventueel met scan-apparatuur en de AI-techniek waarmee een paar jaar geleden ook de Mesha-stèle is onderzocht. Dat leverde destijds een onverwachte tweede vermelding op van koning David. Zo’n verrassing ligt nu natuurlijk niet in het verschiet, maar er zijn specialisten die heel blij worden als er een extra woord wordt ontcijferd in de vrijwel onbekende Numidische taal.

In elk geval: we hebben te maken met een Thraciër in Numidische dienst, bevriend met een Karthager die schreef in het Grieks. Alles loopt weer eens vrolijk door elkaar en dat is eigenlijk wel zo leuk.

[Dit was het 494e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#Adeodatus #BaälHammon #Constantine #ElHofra #epigrafie #huurlingen #inscriptie #JeanneRobertVanseveren #LouisRobert #Numidië #StéphaneGsell #Tanit #Thracië

Kindergraf

Kindergraf (Archeologisch museum, Mérida)

Het is lang geleden dat ik Mérida bezocht, het antieke Augusta Emerita, in het westen van Spanje. En ik baalde ervan dat ik de afgelopen maanden niet naar Xanten kon, waar een expositie was over de Spaanse stad. Gelukkig was iemand zo vriendelijk me foto’s te sturen, zoals de bovenstaande. In de databank van Manfred Clauss en Wolfgang Slaby staat deze tweede-eeuwse inscriptie bekend als EDCS-42700176.

D(is) M(anibus) s(acrum)
Vicarius Iuv(entii) Vitalis
ser(vus) vixit an(nos) III m(enses) IX
d(ies) XVIIII. H(ic) s(itus) e(st). S(it) t(ibi) t(erra) l(evis)
Cornelia Corinthia
Anna f(aciendum) c(uravit)

Ofwel

Aan de goddelijke schimmen gewijd.
Vicarius, slaaf van Juventius Vitalis,
leefde 3 jaar, 9 maanden, 19 dagen.
Hij ligt hier. Moge de aarde licht voor je zijn.
Cornelia Corinthia Anna
heeft dit laten maken.

Er zijn wat onduidelijkheden. Misschien heette degene die het graf liet maken feitelijk “Cornelia uit Korinthe”, en mogelijk is Anna een tweede persoon, zodat de laatste Latijnse afkorting niet moet worden aangevuld als curavit maar met het meervoud curaverunt. En de eigenaar van de slaaf kan ook een eigenares zijn geweest, Juventia Vitalis. Verder lees ik Vicarius hier als naam, maar het kan horen bij servus, en een servus vicarius was een slaaf die eigendom was van een andere slaaf; de woordvolgorde is dan echter wat raar. Ik laat deze details even wat ze zijn, want de precieze tekst is niet waar het me om gaat.

Het eerste waarop ik de aandacht wil vestigen is de naam Anna, of Hanna: een oosterse naam. Cornelia Corinthia Anna zou een slavin kunnen zijn geweest. Een slavin met eigen vermogen, peculium, waarmee ze een steenhouwer kon betalen om een fatsoenlijk grafschrift te maken.

Maar wat mijn aandacht vooral trok is de leeftijd en stand van de overledene: een onvrije van drie. Romeinse kleutergraven zijn goed gedocumenteerd, slavengraven eveneens, maar een inscriptie met deze combinatie kende ik nog niet.

Ik stel me voor dat het een vrolijk blaag is geweest, Vicarius, het kind van Juventius Vitalis en zijn slavin Anna. Iedereen hield van het joch en daarom liet zijn moeder een mooie grafsteen maken. Waarom niet de vader? Ik heb geen idee. Misschien was hij dood. Misschien heeft Anna zich hier postuum van de man gedistantieerd. Kortom, een inscriptie die spreekt tot de verbeelding.

In elk geval: een grafschrift voor een onvrije kleuter. In de literaire teksten is dat niet helemaal zonder parallel, maar een inscriptie is bij mijn weten ongebruikelijk. En ze vertelt ons iets over slavernij en moederliefde.

[Dit was het 480e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#AugustaEmerita #epigrafie #inscriptie #kind #Mérida #peculium #slavernij #Spanje

Augusta Emerita - Livius

De EDCS: een databank voor inscripties

Een damnatio memoriae van Maximianus Thrax uit Sétif

Mijn zakenpartner heeft het weleens over de “inscriptietoeter”. Daarmee waarschuwt hij me als hij op een opgraving een oud inschrift ziet. Die moet ik dan fotograferen. Ik moet inmiddels duizenden van die dingen hebben vastgelegd en die foto’s gaan dan naar de EDCS.

De EDCS is de digitale Epigraphik-Datenbank van oudheidkundige Manfred Clauss en de onlangs overleden IT-specialist Wolfgang Slaby. U vindt haar hier. Voor wie in inscripties is geïnteresseerd, is het een enorme verbetering. Vroeger moesten oudheidkundigen die een inscriptie wilden raadplegen, zich behelpen met het Corpus Inscriptionum Latinarum ofwel CIL. Dat was een boekenkast vol onhandelbaar logge, in wit kunstleer gebonden folianten, waarin alle bekende Latijnse inscripties stonden. Duizenden, tienduizenden. Soms met een tekeningetje erbij. Er zijn soortgelijke boekenreeksen voor het Grieks en de Semitische talen en voor kleine corpora als de Achaimenidische Koningsinscripties.

Het idee om de inscripties digitaal aan te bieden, is al meer dan een halve eeuw oud. In 1973, dus al twintig jaar voor “the thousand days that built the future” en vér voordat woorden als “internet” en “surfen” populair werden, opperde de Franse oudhistorica Mireille Corbier om alle Latijnse inscripties te digitaliseren. De EDCS is de implementatie van dat idee.

Er zijn momenteel ruim 550.000 inscripties in opgenomen: het oude CIL en allerlei andere, later ontdekte teksten. Er komen er nog zo’n 5000 per jaar bij. Mijn eigen, kleine bijdrage bestaat uit fotografie en een heel, heel enkele keer een nieuwe inscriptie. In het Algerijnse Sétif heeft een plaatselijke heerser in de negentiende eeuw bijvoorbeeld twee parken gedecoreerd met – ik meen – ruim tweehonderd Romeinse inscripties, en toen ik de foto’s daarvan opstuurde, bleken er allerlei nog onbekende tekstjes bij te zitten.

Elke inscriptie is in de EDCS beschreven met dateringen, een reeks trefwoorden en informatie over bijvoorbeeld het materiaal. Je kunt zoeken op provincie, op woonplaats, en uiteraard ook op woorden en woordcombinaties. Sinds 2021 worden ook Griekse inscripties toegevoegd, vooral uit de westelijke provincies van het Romeinse Rijk; voor de oostelijke provincies bestaan namelijk al Griekse databanken. De EDCS is bovendien gekoppeld aan een stuk of vijftig andere databases, waardoor het mogelijk is vakliteratuur en foto’s van andere websites te consulteren.

Een andere recente verbetering aan de EDCS betreft de spelling. De oude talen – en trouwens, ook de meeste moderne talen – kenden geen voorkeurspelling. De Afrikaanse steden die zichzelf in hun Latijnse inscripties Lepcis en Karthago noemden, heetten in Latijnse teksten uit Italië weleens Leptis en Carthago. Om alle vermeldingen voor een gebruiker in één keer vindbaar te maken, worden momenteel van alle inscripties versies gemaakt in zowel de eigenlijke als een gestandaardiseerde spelling.

Het aardige is dat elke toerist een bijdrage kan leveren, wat de EDCS tegelijk maakt tot een mooi voorbeeld van citizen science. Foto’s zijn heel welkom, want die bieden veel meer informatie dan de tekeningen van weleer.

Sommig onderzoek kan bliksemsnel. Ik heb eens in één avond de mortaliteitsstatistieken van de Mainz doorzocht. Zulk onderzoek zou iemand vroeger een paar dagen hebben gekost. Hartstikke leuk dus. Maar soms ontstaan misverstanden. Een kennis van me constateerde ooit een opmerkelijk taalfeitje en schreef daarover een stukje, om prompt een plagiaatbeschuldiging te krijgen van iemand die dat taalfeitje ook had ontdekt, er jaren aan had gewerkt en het had gepubliceerd in een proefschrift. Niet iedereen heeft al voldoende in de gaten hoe de digitalisering het onderzoek heeft veranderd.

Enfin. De inscriptietoeter ging in 2003, toen ik mijn eerste digitale camera had, voor het eerst af. Ik heb nog ruim duizend oude foto’s, die ik nooit eerder naar de EDCS heb opgestuurd. Die ben ik, op verloren momenten, een voor een aan het bekijken. Ik heb er inmiddels zeven gevonden die nog nooit eerder ergens zijn gepubliceerd, dus dit is geen betekenisloos werk. En je haalt, en passant, je mooiste vakantieherinneringen weer op.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#citizenScience #CorpusInscriptionumLatinarum #damnatioMemoriae #EDCS #epigrafie #ManfredClauss #MireilleCorbier #Sétif #WolfgangSlaby

Damnatio memoriae - Mainzer Beobachter

Een damnatio memoriae is het wegwerken van iemands portretten en namen uit de openbare ruimte.

Mainzer Beobachter