Een grafmozaïek uit Sétif

Een grafmozaïek uit Sétif (Archeologisch museum, Sétif)

De Algerijnse stad Sétif oogt opvallend modern. De trams zijn van hetzelfde type als in Rotterdam, er zijn wolkenkrabbers en er is een uitstekend archeologisch museum. Ik blogde al eens over mijn eerste bezoek. Tot de pronkstukken behoort een verzameling mozaïeken uit twee christelijke basilieken, die zijn opgegraven in 1959, dus midden tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962). De vloeren van deze godshuizen bestonden uit mozaïeken.

Dat was niet ongebruikelijk, maar deze mozaïeken gaven de plaatsen aan waar in de kerk mensen lagen begraven, en zulke “grafmozaïeken” – bestaat dit woord? – zijn zeldzamer. In de ene basiliek in Sétif waren er twintig, in de andere vijftig. Zulke mozaïeken bestaan altijd uit een mooie rand om wat geometrische figuren en een grafschrift. Een opvallende naam is Adeodatus, een naam waarover ik al eens blogde omdat het de Latijnse vertaling is van het oud-Fenicische Mattan-ba’al, “godsgeschenk”, Dieudonné.

Grafschrift van Maria Equitiola

Het standaardgrafschrift bestond strijk en zet uit de naam van de overledene, uit de datum van zijn/haar dood of van zijn/haar begrafenis (eigenlijk weten we niet wat is bedoeld), en vaak ook de leeftijd. Hier is een voorbeeld:

Memoria Mariae
Equitioliae quae et Sili-
qua vixit annis XX
VIIII, praecessit in pace
die pridieidus Ma-
rtias an[no] p[rovinciae] CCCLIIII

ofwel

Graf van Maria Equitiolia, ook bekend als Siliqua. Ze leefde 29 jaar, en ging naar de vrede op 14 maart in het provinciale jaar 354.

Ik licht deze inscriptie (EDCS-10702000) eruit omdat ze gebruik maakt van een provinciale jaartelling. Terwijl wij gewend zijn aan een vrijwel universele, van oorsprong christelijke jaartelling, kende men in de Oudheid een wildgroei aan jaartellingen. In de oostelijke provincies was dat vaak de Seleukidische jaartelling, die begon in het jaar 311 v.Chr. In Mauretanië telde men vanaf het jaar van de Romeinse annexatie, dat wij 39 na Chr. noemen. Dit graf dateert dus van 14 maart 393.

Wij zijn, zoals gezegd, gewend aan een eenheidskalender. Moderne joden en moslims hanteren doorgaans naast hun eigen religieuze jaartelling ook de gebruikelijke jaartelling. De wereld van de Romeinen heeft zo’n systeem nooit gehad; de jaartelling ab urbe condita, “sinds de stichting van de stad”, was maar één jaartelling onder vele, en heeft in de Oudheid nooit veel status gehad. De Romeinen hadden simpelweg nooit één kalender met één, algemeen erkend beginpunt nodig.

[Dit was het 515e voorwerp in mijn reeks museumstukken. Mocht het u boeien: ik organiseer in september een reis naar Algerije.]

#Adeodatus #Algerije #chronologie #grafschrift #jaarrekening #MauretaniaCaesariensis #mozaïek #Sétif

Een Thracische huurling in Numidië

Grafstèle van een Thracische huurling (Archeologisch museum, Constantine)

Onderzoek in wat destijds bekendstond als de Franse departementen Oran, Algiers en Constantine, midden twintigste eeuw. In 1929 publiceerde Stéphane Gsell het eerste deel van Inscriptions latines de l’Algérie, dat alleen nog maar het oostelijkste deel van het oostelijkste departement bevatte. Hoe lastig de productie van dit boek was verlopen, blijkt wel uit het feit dat het officiële jaar van publicatie 1922 was: het boek heeft zeven jaar op de plank gelegen. Deel twee, dat de westelijke helft van het departement besloeg, verscheen in 1957. Het overlijden van Gsell, de Tweede Wereldoorlog en de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog hadden nogal wat problemen veroorzaakt, om het eufemistisch uit te drukken.

Dat bemoeilijkte ook vervolgonderzoek. Sommige inscripties vragen nog altijd om nadere inspectie, zoals de bovenstaande stèle, die we alleen kennen uit het deel uit 1957, alsmede een notitie van Jeanne Robert-Vanseveren en Louis Robert, de twee grootste epigrafen (inscriptiekenners) van de moderne tijd. De stèle is afkomstig uit het El-Hofra-heiligdom te Constantine, waarover ik al eens eerder blogde. Ze dateert uit de tweede eeuw v.Chr. De Roberts voegden aan de tekst van de inscriptie toe dat op de vindplaats ook diverse wijdingen waren gevonden aan de god Baäl-Hammon en aan de godin Tanit in haar rol van “aangezicht van Baäl”.

Dat stond vijf jaar geleden eveneens op het bordje met toelichting in het museum van Constantine: het gaat om een vijfregelige, in Griekse letters geschreven Punischtalige wijding aan Baäl-Hammon en Dame Tanit, aangezicht van Baäl. Ik vermoed dat degene die het bordje opstelde, de tekst niet begreep en de toelichtende woorden van de Roberts verkeerd heeft uitgelegd, want het gaat feitelijk om een grafschrift dat is gevonden bij dat heiligdom. En het gaat om een doodnormale Griekse tekst, al bevat die wel enkele Punische namen.

Μυθυνιβαλ Ἁμμιλ-
καρος σEεραλις ἔστησε
τὸ μνημεῖον τοῦτο
Ἀπολλοθέμιδι Θρᾳκὶ
Ἀσκληπιοδώρου

Mattanbaäl, zoon van Hammil-
kar sEeralis richtte
deze grafstèle op voor
Apollothemis de Thraciër,
zoon van Asklepiodoros.

Een Thracische huurling dus, in dienst van de Numidische koning Massinissa of een van zijn zonen, of misschien Jugurtha. En de inscriptie is dus opgericht door een vriend met een Punische naam: Mattanbaäl, “geschenk van Baäl”. Die naam is nog eeuwen populair gebleven in de regio, zij het in vertaling. Augustinus noemde zijn zoon Adeodatus.

Het probleem waarvan je hoopt dat er eens iemand naar gaat kijken, is het tweede woord in de tweede regel: σEεραλις. Ik heb de Latijnse hoofdletter E maar ingevoegd omdat het tweede teken daar nog het meeste op lijkt.

Tweede regel: -καρος σEεραλις ἔστησε (klik=groot)

We hebben geen idee wat σEεραλις betekenen kan. Is het de achternaam van Hamilkar? Dat kan. Het kan ook een functie zijn. Het woord kan Punisch zijn, maar – gegeven de vindplaats niet onwaarschijnlijk – eveneens het slecht begrepen Numidisch. Zolang we de tweede letter niet kennen, tasten we in het duister en weten we alleen dat het geen Grieks is.

Daar zou eens iemand naar moeten kijken. Eventueel met scan-apparatuur en de AI-techniek waarmee een paar jaar geleden ook de Mesha-stèle is onderzocht. Dat leverde destijds een onverwachte tweede vermelding op van koning David. Zo’n verrassing ligt nu natuurlijk niet in het verschiet, maar er zijn specialisten die heel blij worden als er een extra woord wordt ontcijferd in de vrijwel onbekende Numidische taal.

In elk geval: we hebben te maken met een Thraciër in Numidische dienst, bevriend met een Karthager die schreef in het Grieks. Alles loopt weer eens vrolijk door elkaar en dat is eigenlijk wel zo leuk.

[Dit was het 494e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#Adeodatus #BaälHammon #Constantine #ElHofra #epigrafie #huurlingen #inscriptie #JeanneRobertVanseveren #LouisRobert #Numidië #StéphaneGsell #Tanit #Thracië