MoM: Eliminatie

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

Vorige week blogde ik over de Hangende Tuinen van Babylon en vertelde ik dat er verschillende antieke bronnen bestaan over die tuinen, maar dat die allemaal teruggaan op één bron. Dit betekent dat informatie uit de afgeleide bronnen mag worden genegeerd. Dit staat bekend als “eliminatie”. Het is een krachtig instrument om betrouwbaardere en minder betrouwbare informatie te scheiden, omdat we zo in elk geval auteurs uit de discussie halen die anderen napapagaaien.

Eerst een makkelijk voorbeeld waarvan het belang in één keer duidelijk is. We hebben vier verslagen van de laatste dagen van Jezus van Nazaret: de evangeliën van Matteüs, Marcus, Lukas en Johannes. Daartussen zitten wat verschillen, zoals u voor uzelf kunt constateren als u de laatste woorden van Jezus erop naslaat. Aangezien kan worden bewezen dat Matteüs en Lukas zijn afgeleid van het evangelie Marcus, hebben we voor de procesgang in feite maar twee getuigenissen, namelijk Marcus en Johannes. Matteüs en Lukas zijn, ten opzichte van Marcus, elimineerbaar. Dit betekent dat de beruchte zelfvervloeking van de Joden die Matteüs als enige vermeldt (“zijn bloed kome over ons en onze kinderen”) ook elimineerbaar is. Als Mel Gibson deze toont in zijn film The Passion of the Christ, wijkt hij af van zijn opzet de gebeurtenissen historisch zo accuraat mogelijk te tonen.

Wie dit instrument wil toepassen, moet goed weten wat hij aan het doen is. Een tweede, veel lastiger voorbeeld is Tacitus’ verslag van de slag in het Teutoburgerwoud. Bij elke zin moet je bedenken: wat vond Tacitus in zijn bron en wat heeft hij ermee gedaan? Tacitus las bijvoorbeeld in zijn bron dat de Romeinse nederlaag had plaatsgevonden in een saltus Teutoburgiensis. Dat “saltus” kan van alles aanduiden dat een beetje onbewoonbaar is: woud, vlakte, moeras, engte. Tacitus meent dat het gaat om een woud en gebruikt dan ook weleens een synoniem, silva, dat uitsluitend kan slaan op bossen en ander geboomte. Alleen: van een andere antieke auteur, Florus, weten we dat de nederlaag plaatsvond op een drassige vlakte. Tacitus geeft dus, ten opzichte van een verloren bron, een interpretatie die elimineerbaar is (en misleidend).

Dit stripverhaal is geloofwaardiger dan Tacitus.

Iets specifieker: Tacitus’ silva is elimineerbaar ten opzichte van het saltus dat hij aantrof in zijn bron (de Geschiedenis van de Germaanse Oorlogen van Plinius de Oudere). Al in de negentiende eeuw werd dit probleem geconstateerd maar omdat Tacitus gold als een betere auteur dan Florus, is men toch op zoek gegaan naar een woud waar het Romeinse leger ten onder ging. Toen de archeologen het slagveld identificeerden – inderdaad: een engte langs een moeras – waren ze verbaasd dat uit pollenonderzoek bleek dat het in de Oudheid een open landschap was geweest.

Derde voorbeeld: de overgave Vercingetorix, de Gallische leider die met zijn leger bij Alesia was afgesneden van de buitenwereld, er niet in slaagde uit te breken en niet door de Galliërs kon worden ontzet. Het zijn spannende hoofdstukken uit Caesars Gallische Oorlog, maar het einde is vermoedelijk niet waar: dat de officieren van Vercingetorix’ leger hem aan de Romeinen uitleverden. We hebben namelijk een andere bron: Cassius Dio, die omstreeks 230 na Chr. een overzicht van de Romeinse geschiedenis publiceerde en beweert dat de Galliër tot het laatst zijn lot meester was: hij diende zich onaangekondigd bij het Romeinse kamp aan. Caesar wist niet van de komst van zijn tegenstander – boomlang en in een imposante wapenrusting, volgens Dio – en schonk hem geen genade: Vercingetorix werd in de boeien geslagen.

Omdat Dio in zijn beschrijving van het beleg van Alesia Caesars eigen verslag volgt, zou je concluderen dat deze informatie elimineerbaar is. Maar zo simpel is het niet. Dio kende namelijk meer bronnen over Caesars campagnes in Gallië en wijkt regelmatig af van wat de Romeinse generaal schrijft. Waar we kunnen controleren wie er gelijk heeft, Caesar of Dio, blijkt deze laatste vaak goed te hebben herkend waar Caesar overdrijft en dan terecht een andere bron te kiezen.

Wie heeft gelijk, Caesar of Dio? Er is een verschil: terwijl we niet kunnen bedenken waarom Dio’s bron een Vercingetorix zou presenteren die onverwacht opduikt terwijl hij in feite is overgeleverd, kunnen we wél bedenken waarom Caesar een uitlevering zou verzinnen terwijl zijn tegenstander in feite zelf het initiatief nam tot capitulatie. Caesar liet zich namelijk graag voorstaan op de clementie waarmee hij verslagen vijanden bejegende. Dat hij die niet had betoond aan de Gallische generaal, paste niet in dat beeld en diende dus te worden onderdrukt. De volkomenheid van de Gallische nederlaag werd beter geïllustreerd door de stamhoofden zelf Vercingetorix te laten uitleveren.

Dat je Dio’s informatie niet zomaar mag elimineren, ontdek je alleen als je weet dat hij meer bronnen gebruikte dan Caesars eigen verslag. De oudheidkundige die dit instrument toepast, moet de betreffende bronnen volledig kennen – en eerlijk is eerlijk: dit gaat weleens verkeerd.

#Alesia #antiekeGeschiedschrijving #Babylon #bloedOverDeKinderen #eliminatie #HangendeTuinenVanBabylon #JezusVanNazaret #JuliusCaesar #Matteüs #PubliusCorneliusTacitus #slagInHetTeutoburgerwoud #Vercingetorix

Het Forum van Augustus (2)

Karyatide uit het Forum van Augustus (ik weet niet meer waar ik deze foto heb genomen)

Wie het Augustusforum, waaraan ik ook het vorige blogje wijdde, betrad vanaf het Forum van Caesar, zag op het plein eerst een beeld van keizer Augustus in een vierspan. Daar achter verrees de vijfendertig meter hoge tempel van Mars de Wreker. De onverwachte aanblik van zo’n groot bouwwerk moet enorme indruk hebben gemaakt, zeker als het witte Carraramarmer op een zomermiddag fonkelde in de zon.

Aan de voet van de ook nu nog imponerende trap stonden fonteinen, waarvan tegenwoordig alleen lage muurtjes resteren die amper boven het gras uitsteken. Hier stonden ook enkele standbeelden die ooit van Alexander de Grote waren geweest. In het gevelveld van de tempel lag links een beeld van Palatinus (de personificatie van de heuvel waarop Rome was ontstaan), daarop volgde een zittende Romulus die het voorteken van de twaalf gieren gadesloeg (een voorteken dat ook Octavianus eens zei te hebben ontvangen), en middenin stonden een schaars geklede Venus en een stoere Mars. Rechts van hem stond Victoria, zat Roma en lag de riviergod Tiber. Door deze verwijzingen naar de stichtingssage presenteerde Augustus zich als nieuwe Romulus.

De binnenkant van de tempel was een bont geheel. De vloer bestond uit alle soorten marmer van het Middellandse-Zee-gebied en dat bracht de omvang van het rijk en dus de macht van de heerser in herinnering. Achterin stond op een sokkel van enkele nog altijd zichtbare treden van Egyptisch albast een beeldengroep: een baardige Mars leunde op een lans, met aan zijn zijde een elegant geklede Venus die van haar zoontje Amor het zwaard van haar geliefde kreeg aangereikt. De groep kan worden gereconstrueerd aan de hand van een reliëf dat is gevonden in Algiers.

Venus en Mars en een vereerder (Musée national des antiquités, Algiers)

Aan weerszijden stonden de veldtekens die ooit door vijanden waren buit gemaakt maar later heroverd. Zo waren hier de in 53 v.Chr. door de Parthen op Crassus veroverde standaards, die ten tijde van Augustus waren teruggegeven aan zijn adoptiefzoon Tiberius. (Dit is de scène die is afgebeeld op het borstpantser van de Augustus van Primaporta.) Waarschijnlijk waren hier ook de adelaars te zien van het Zeventiende, het Achttiende en het Negentiende Legioen te zien, die waren verloren tijdens en heroverd na de slag in het Teutoburgerwoud.

De plaats van de heroverde veldtekens

Het forum had verschillende functies. Sommige kwamen we al tegen in het vorige blogje: rechtspraak en oorlogszaken. Uit andere bronnen weten we dat dit de plaats was waar jonge mannen werden ingeschreven in het dienstplichtigenregister (hoewel ze zelden werden opgeroepen), waar verslagen vijanden hun eed van trouw aflegden en waar de ridders hun jaarlijkse diner hadden. Augustus’ biograaf Suetonius vermeldt een incident:

Eens woonde keizer Claudius op het Forum van Augustus een rechtszitting bij toen hij de geur opsnoof van een maaltijd die in de tempel van Mars daar vlakbij werd klaargemaakt. Hij verliet de zitting, begaf zich naar de priesters en ging bij hen aan tafel.noot Suetonius, Claudius 33.1; vert. Den Hengst.

Achter de galerijen aan weerszijden van het plein lagen grote, halfronde ruimtes, zogenaamde exedra’s. Tegenwoordig resteren er twee, maar er waren er aanvankelijk nog twee, gelegen in de richting van het Forum van Caesar. Ze zijn gesloopt om ruimte te creëren voor het Forum Transitorium en het Trajanusforum.

Het Forum van Augustus, met rechts een van de exedra’s

De nissen in de muren van de exedra’s boden plaats aan standbeelden. Die in de noordwestelijke galerij stelden Augustus’ voorouders voor: middenin de nu zichtbare exedra stond een beeld van de legendarische voorouder Aeneas, met daaromheen alle andere voorouders, de  Julii. Dit was niets nieuws: elke Romeinse familie die het zich kon permitteren, bewaarde de portretten van haar overledenen en toonde zo haar geschiedenis. De omvang van de portretgalerij was een van de zaken waarin de rivaliteit tussen de aristocratische geslachten tot uiting kwam, en het spreekt vanzelf dat de galerij in het Augustusforum moest tonen dat de keizerlijke familie iedereen overtrof.

Lofrede op een illustere Romein (Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

De exedra aan de overzijde vormde een “hall of fame” van voorname Romeinen uit heden en verleden. Centraal stond het beeld van – alweer – Romulus, geflankeerd door succesvolle generaals, bekende politici en de principes van de Senaat. De laatsten waren zeer belangrijk in de augusteïsche propaganda: door hen hier af te beelden, suggereerde Romes eerste keizer dat zijn eigen alleenheerschappij eigenlijk heel gewoon was – er waren gedurende de hele republikeinse periode dominante politici geweest.

Augustus bepaalde dat alle generaals die in de toekomst een triomftocht hielden of zogeheten triomfale eretekenen kregen, recht hadden op een standbeeld. Toen twee exedra’s werden gesloopt, werden de daar geplaatste beelden overgebracht naar de nieuwe fora: zowel het Forum Transitorium als het Trajanusforum hadden vergelijkbare galerijen. Zo gaf Augustus elke voorname Romein de ruimte en presenteerde hij zijn alleenheerschappij alsof ze paste binnen de republikeinse staatsinrichting. Het forum was echter ook bedoeld als persoonlijk monument. Niet voor niets stond zijn standbeeld midden op het plein. Er was nog een tweede beeld, dat zijn persoonlijke beschermgod voorstelde. Het was geplaatst in een apart vertrek in de noordhoek van het forum. Met een hoogte van tien meter was het de oudste van de colossi die Rome in de keizertijd sierden.

De veelkleurige vloer van dit vertrek is een kwart eeuw geleden gerestaureerd. In de muurdecoratie waren twee afbeeldingen opgenomen van Alexander de Grote, vervaardigd door de beroemdste schilder uit de Oudheid, Apelles (ca. 375-ca. 315). Augustus identificeerde zich graag met de Macedoniër, die net als hij Egypte had veroverd en zich als god had laten vereren. Zó ver kon Augustus niet gaan, maar het feit dat het standbeeld van zijn beschermgod groter was dan dat van Mars, zei genoeg.

#Aeneas #AlexanderDeGrote #Apelles #Augustus #Claudius #ForumVanAugustus #ForumVanCaesar #ForumVanTrajanus #Keizerfora #LegioXIX #LegioXVII #LegioXVIII #Mars #Octavianus #Rome #Romulus #slagInHetTeutoburgerwoud #Suetonius

Stuifmeelonderzoek

Drie coupes voor pollenonderzoek (Museo de Almería)

Je ziet stuifmeel nauwelijks, maar het is vervelend poeder. Als het droog weer is en als het spul vrijuit kan zweven, kun je er hooikoorts van krijgen. Maar voor archeologen zijn stuifmeelkorrels leuk, heel erg leuk. Eenmaal onder de (elektronen)microscoop gelegd zijn de verschillende soorten stuifmeel namelijk te identificeren en dat helpt ons iets zeggen over de antieke vegetatie. Overigens gebeurt determinatie vaak niet met het menselijk oog, maar met de computer en artificiële intelligentie.

Mogelijkheden

De conclusies hebben diverse toepassingen. Je kunt niet alleen uitspraken doen over het dieet van de mensen van weleer, maar ook over het oude klimaat. Als een landschap eerst is begroeid met allerlei grassoorten, later met dennen en berken, en daarna met loofbomen, mag je aannemen dat de temperatuur is gestegen. Als er in een gebied meer en meer struikheide is geweest, is dat een aanwijzing voor ontbossing en dat kan weer een aanwijzing zijn voor landbouw. De conclusies beperken zich niet tot de vegetatie. Omdat in de voedselpiramide de flora de basis vormt voor de fauna, kunnen stuifmeelonderzoekers vertellen welke dieren waarschijnlijk in de buurt hebben gewoond.

Eén van de leukere conclusies is dat er landschappen hebben bestaan die we nu niet meer kennen, zoals de zogeheten mammoetsteppe uit de laatste ijstijd. De begroeiing en temperatuur leken wel wat op die van een toendra, maar dat type landschap/vegetatie bestaat alleen op hoge breedten, terwijl de mammoetsteppe ook in onze contreien heeft bestaan. Omdat de vegetatie hier niet hoefde te zijn toegesneden op extreem lange dagen en nachten, groeiden op onze breedten meer en andere kruiden.

Een ander voorbeeld van stuifmeelonderzoek heb ik al eens genoemd. We weten dat rond het midden van de eerste eeuw v.Chr. delen van zuidelijk Limburg opnieuw bebost zijn geraakt. Akkers werden opgegeven. Dat moet haast wel betekenen dat er minder boeren waren en archeologen brengen dat in verband met de genocidale campagne van Julius Caesar tegen de Eburonen. 101% zeker is het niet, maar ik zou zo snel ook geen andere verklaring kunnen noemen. Verwant voorbeeld: de Slag in het Teutoburgerwoud vond niet plaats in een woud maar in een open, moerasachtig gebied.

Beperkingen

Nu zijn er wel wat beperkingen. Om te beginnen: het stuifmeel moet er natuurlijk wel zijn, en zoals alles is ook dat vergankelijk. In een zuurstofarm milieu blijft het eeuwenlang intact. Planten en bomen die bij een riviertje of in het veen staan, zijn dus al snel oververtegenwoordigd, net als gewassen met een lange bloeiperiode en gewassen die heel veel stuifmeel produceren (zoals de berkenboom).

Een andere complicatie is het verspreidingsgebied. De hommels die zoemen rond de bloemen op mijn balkon zullen het stuifmeel niet verder brengen dan de binnentuin van een Amsterdams huizenblok, maar het stuifmeel van een populier wordt meegenomen door de wind en kan honderden meters verderop neerkomen.

Als er stuifmeel is van daslook, duidt dat op loofbos.

Een onderzoeker moet dus weten hoe het tegenwoordige verspreidingsgebied van deze of gene stuifmeelsoort eruitziet, maar we leven inmiddels in een geïndustrialiseerde en verstedelijkte samenleving. Dat maakt vergelijking ietwat lastig. Een precies beeld van de prehistorische, antieke of middeleeuwse vegetatie is mede daardoor wat hoog gegrepen, maar je kunt wel uitspraken doen over wat waarschijnlijk en minder waarschijnlijk is. In dat opzicht verschilt het onderzoek naar antieke stuifmeelkorrels natuurlijk niet wezenlijk van digitale paleografie, onderzoek naar de historische Jezus of welk ander oudheidkundig specialisme dan ook. Wie volkomen zekerheid wil, moet geen wetenschapper worden.

Jargon

Ik rond af met twee jargontermen. Stuifmeel wordt ook wel pollen genoemd, en stuifmeelonderzoek heet ook wel palynologie. Wanneer u dit blogje tot hier hebt kunnen volgen, weet u dat je ook kunt spreken van “stuifmeel” en “stuifmeelonderzoek”. De jargontermen zijn handig als wetenschappers communiceren met collega’s uit andere taalgebieden, maar verder zijn ze eigenlijk niet zo nodig.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#artificiëleIntelligentie #bloem #Eburonen #flora #klimaatonderzoek #palynologie #plant #plantkunde #pollen #slagInHetTeutoburgerwoud #stuifmeelonderzoek #wind