Hercules Magusanus

Hercules Magusanus (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

Hercules Magusanus geldt als een van de belangrijkste goden van de Bataven. Dat zegt althans iedereen, maar er zijn haken en ogen. Dat iets goed is gedocumenteerd, wil vanzelfsprekend niet zeggen dat het belangrijk was. Maar na deze en nog wat andere kentheoretische slagen om de arm, moeten we maar denken dat Hercules Magusanus een belangrijke Bataafse godheid is geweest.

Hercules Magusanus

Toen ik u in december uitnodigde voor de oudejaarsvragen, kreeg ik voor het eerst de vraag voorgelegd waar Magusa lag. De normale lezing van “Hercules Magusanus” is immers dat het de halfgod Hercules was, zoals die werd vereerd met de rituelen van Magusa. De vraag verbaasde me omdat ik niet beter wist dan dat Hercules Magusanus een zogeheten syncretisme was: twee goden die aan elkaar werden gelijkgesteld, zoals Apollo Grannus en Mars Lenus. Dat ik niet beter wist, betekent natuurlijk niet dat Hercules Magusanus ook werkelijk een syncretisme was. Er zijn volop goden die een plaatsnaam hebben als bijnaam. Zo is Hercules Deusoniensis de Hercules van Deuso. Kortom, het was een goede vraag.

Ik wist het antwoord niet en de twijfel was gaan knagen. In mei las ik op de website van het Rijksmuseum van Oudheden…

Hercules Magusanus was de belangrijkste god van de inheemse stam der Bataven. Door de Romeinen werd hij gelijkgesteld met Hercules.

… en mijn eerste vraag was hoe het museum zo zeker wist dat Hercules Magusanus een syncretisme was. De geciteerde uitleg was overigens die bij onderstaande inscriptie uit Ruimel, die ik online raadpleegde omdat ik net de mooie replica had gezien in het museum in Halder.

Magusanus Hercules op de inscriptie uit Ruimel (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Vervolgens attendeerde een bevriende archeologe me op precies hetzelfde probleem en daarna las ik dat van dat syncretisme ook nog eens in de komende synthese over de Romeinse Lage Landen van Robert Nouwen. Bepaald niet de geringste autoriteit.

Ik informeerde bij Nouwen en bij enkele andere deskundigen, die wat literatuur achter de betaalmuren vandaan haalden – dank! – en ik leerde van alles. Bijvoorbeeld dat Magusanus een belangrijke rol speelde bij de Bataafse identiteitsvorming. Ik ga nog eens op deze stof terugkomen, want ik heb inmiddels genoeg bijgeleerd voor wel tien blogjes. Maar een antwoord vond ik niet: Hercules Magusanus kan de Hercules van Magusa zijn en een syncretisme.

Keltische of Germaanse god?

De geleerden die denken aan syncretisme, hebben geprobeerd de tweede naam van een betekenis te voorzien, en die kan Keltisch zijn of Germaans. Ik kende de theorie van keltoloog Lauran Toorians, die attendeert op een inscriptie waarop de godheid Magusenus heet, dus met een /e/, wat hij herleidt tot een combinatie van de Keltische woorden *magus, “jong”, en *senos, “oud”. Je zou kunnen zeggen dat het zoiets betekent als “wijze oude man met de kracht van een jongeman”. Of misschien wel “de oude man wordt weer jong”, wat stomtoevallig ook de betekenis is van Gilgameš.noot Om kwakgeschiedenis proactief de pas af te snijden: de Bataven waren geen Sumeriërs.

De aanname is hierbij dat de Bataven, die een Germaanse taal spraken, een godheid met een Keltische naam zijn gaan vereren. Dat kan natuurlijk. Er zijn heden ten dage monotheïsten in Nederland die een god vereren met een Semitische naam. Toch zou je, als Magusanus een rol speelde bij de identiteitsvorming, misschien een stamgod hebben verwacht met een Germaanse naam, meegenomen uit het Overrijnse stamland.

Op Taaldacht wijst Olivier van Renswoude op Germaanse afleidingen, waarvan ik *Magusnaz, “de krachtige”, mooi vind klinken, al attendeert Van Renswoude op bezwaren. Zelf oppert hij het mooi tweestammige *Magu-sanaz, wat zoiets als “jeugdige krijger” kan betekenen. Wie dus aanneemt dat Hercules Magusanus een syncretisme is, kan op die hypothese een hypothetische voor-Romeinse naam stapelen.

[De andere mogelijkheid, Hercules van Magusa, behandel ik in het volgende blogje.]

#Bataven #Bonn #GermaanseTalen #HerculesMagusanus #KeltischeTalen #LauranToorians #OlivierVanRenswoude #RobertNouwen #Ruimel #syncretisme #tweestammigheid

Romeinse vondsten uit de Waal

Caesar met vondsten uit de Waal

Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden bezit meer voorwerpen dan het kan exposeren. Tegelijk zijn er regionale musea die weleens iets anders willen tonen dan het gebruikelijke materiaal. Daarom is er een leuke en mijns inziens belangrijke reeks exposities Onder Ons, waarbij lokale musea het Leidse materiaal gebruiken. Ik heb al geblogd over de Vorst van Oss in Museum Jan Cunen in Oss, over de Etrusken in museum Wierdenland in Ezinge en over het laatantieke grafveld van Rhenen in het plaatselijke Stadsmuseum.

De Etrusken in Ezinge niet te na gesproken is het belang dit: een historische belangstelling begint plaatselijk; een kind ziet iets dat lokaal en herkenbaar is, maar ook anders; het ontwikkelt zo belangstelling voor het verleden. Door de voorwerpen te exposeren waar ze het meest aanzetten tot reflectie, gebruiken musea de culturele waarde van hun objecten het best. De Vorst van Oss dus in Oss, en het laatantieke grafveld van Rhenen in Rhenen.

Caesar aan de Waal

En dus is momenteel ook de Nijmeegse Caesarbuste thuis in Nijmegen, in het mooie museum De Bastei. Onze kaalkop maakt deel uit van de Onder-ons-expositie “Romeinse Waalschatten”. Tussen alle moois in Leiden mist niemand het ding, terwijl het hier menige puber zal fascineren. Als ik Nijmegenaar was, vroeg ik het portret in permanente bruikleen.

Hoewel ik dus blij ben dat Caesar is waar ’ie het meest inspireert, voel ik me ongemakkelijk bij de tentoonstelling. En dan bedoel ik niet dat elke student je inmiddels kan uitleggen waardoor titels met het woord “schat” erin zo schadelijk waren. Mijn ergernis betreft het negeren van de sleuteldoelgroep.

De tweehoornige riviergod Rijn; reliëf uit Bonn

Rhenus bicornis

De sleuteldoelgroep bestaat uit mensen die een museaal signaal kunnen versterken. Zij kunnen zeggen “die expositie over Bodi in Bonn, die is werkelijk informatief, daar moet je heen”. Gaat het om de Romeinse Oudheid, dan bestaat ze grosso modo uit twee overlappende groepen: mensen met een archeologische belangstelling en mensen die gymnasium deden. En helaas is het zo dat je je als lid van de eerste groep te kijk zet als incompetent in de ogen van de tweede groep wanneer je fouten maakt in de taal van de Romeinen.

En het museum gaat volgens mij de mist in als het de Rhenus Bicornis erbij haalt, de “tweehoornige Rijn”, waarover ik al eens blogde. Het poëtische beeld is ontleend aan Italiaanse Romeinen als Vergilius en Ovidius.noot Vergilius, Aeneis 8.727; Ovidius, Tristia 4.2.40; vgl. EDCS-17700496. Geen Bataafse Romein zou de Rijn of de Rijngod echter systematisch aanduiden als “de tweehoornige Rijn”. Dat gebeurt op de tentoonstelling wel. Vergelijk het met een ander door Vergilius bedacht poëtisch beeld: zou er een Romein zijn geweest die de provincie Africa voortdurend aanduidde als Africa terra triumphis dives (“triomfrijk Africa”)? Of zou iemand de rivier de Tiber steeds Tiber Pater noemen, “vader Tiber”? Het museum presenteert een bijvoeglijk naamwoord als onlosmakelijk deel van een naam, en elke gymnasiast herkent dat dit raar Latijn is.

En was het museum nou maar consequent. Lees echter even mee op de website, voor veel mensen de eerste kennismaking en de plek waar ze nog even dingen nazoeken. Meteen een fout.

Voor het goede begrip: ik zeg niet dat het bovenstaande inhoudelijk belangrijk is – ik heb het over presentatie. De Bastei zet zich voor de halve sleuteldoelgroep neer als ondeskundig. De oplossing zou simpel zijn geweest: vraag een classicus. Die helpt je graag en snel. Ik appte voor dit blogje met een classicus en had antwoord in twee minuten.

En dan is er nog iets dat me verbaasde. De Romeinen hadden er geen moeite mee Gallische woorden als Rhenus over te nemen, maar de Bataven hechtten aan hun Germaanse achtergrond. Kijk maar naar hun namen, die door de Romeinen werden weergegeven als Chariovalda, Imerix, Servofredus en Civilis: Legerleider, Krijgsheer, Gewapendebeschermer en Strijder. Toen de Bataven zich hadden gevestigd in de Betuwe, bleven ze “hun” rivier aanduiden met de Germaanse naam: Waal.noot Het is onduidelijk of *Wahal- “meanderend” of “voortstromend” betekent, maar het is zeker Germaans. Ik vermoed dat een antieke Nijmegenaar die de Bastei zou bezoeken, Vergilius’ tweehoornige Rijn er met de haren bijgesleept zou hebben gevonden.

Amforen

Sleuteldoelgroep

Nog iets. Ik was niet de enige bezoeker die meer informatie wilde hebben. Als het museum bijvoorbeeld uitlegt dat er handel was op de Waal en daarom vijf puntgaaf bewaarde amforen neerzet, kan het toch méér vertellen dan “Amfoor | 19 voor tot 450 n.Chr.” en “de vorm vertelt ons iets over de inhoud en soms ook over de herkomst”? Hoe moeilijk is het om met de drie woorden “Olijfolieamfoor uit Andalusië” de wereld van interregionale handel te evoceren?

Zo is er meer, waar de Bastei de sleuteldoelgroep onvoldoende bedient. En dat keert zich tegen het museum, want een sleuteldoelgroep kan ook het signaal “dit was slecht” versterken. Omdat ik dat niet wil, zal ik niet meer voorbeelden geven; daarvoor is Romeins Nijmegen, waar ik ooit bestuurswerk deed, me te dierbaar. Maar er zijn dus problemen.

Oplossingen

De eerste oorzaak is dat de Nederlandse archeologie, net als andere geesteswetenschappen, een intellectuele opdoffer heeft gehad door de studieduurbekorting van de jaren tachtig. En omdat de Nederlandse archeologen daardoor onvoldoende weten, zijn ze ervan overtuigd dat er niets méér is dat ze moeten weten – bijvoorbeeld dat je anderen om advies kunt vragen.

Het tweede probleem is specifiek Nijmeegs: de gemeente heeft te veel verleden en te weinig geld. De kennis van zaken schiet regelmatig tekort, men is wat in zichzelf gekeerd en er gebeuren daar aan de Waal vaker rare dingen. Dat heeft zich ook hier gewroken.

Is er een oplossing? Idealiter verwijdert het museum alle verwijzingen naar de tweehoornige Rijn, want die stoot de halve sleuteldoelgroep af. Ik vrees echter dat het voor die aanpassing te laat is. Maar overvraag ik als ik verzoek om uitgebreidere uitleg op de bordjes?

En o ja: hou die Caesarbuste alsjeblieft waar hij hoort, in Nijmegen aan de Waal.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#DeBastei #GermaanseTalen #Nijmegen #PubliusOvidiusNaso #PubliusVergiliusMaro #Rijn #sleuteldoelgroep #Waal

Faits divers (32): wetenschapsnieuws, slecht en goed

Het slagveld bij Qadisiyya (©Antiquity Publications)

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer twee stukjes waarmee je de Oudheid wel in het nieuws wil hebben en twee stukjes hoe het niet moet. Eerst het slechte en dan het goede nieuws.

***

Nikolaas van Myra

Op 6 december was het een kleine 1700 jaar geleden dat Nikolaas, bisschop van Myra ontsliep. En omdat over de hele wereld mensen de heilige vereren, is dat voor archeologen in Demre, zoals Myra nu heet, een buitenkans om naar publiciteit en fondsen te hengelen. Zo komt het dat er elk jaar wel een vondst wordt gemeld die zou bewijzen dat Nikolaas’ gebeente nog in Myra rust (en niet in 1087 is overgebracht naar Bari). Zo toont het museum in Antalya botfragmenten, hadden we een paar jaar geleden deze holle claim, die daarna werd herhaald, en was er nu deze flauwekul.

Eh, soldaat?

Een wonderlijk bericht uit Heerlen ofwel Coriovallum: in een graf is wat Italiaans aardewerk gevonden, waaronder een kom met de graffito FLAC. Dat kan slaan op een Romeinse eigennaam als Flaccus of Flachilla. Alternatieven zijn flaccidus (“week”, “misbaksel”) of een Germaans of Gallisch woord. De betrokken archeologen kiezen voor Flaccus en denken dat hij de eigenaar was. Tot zover snap ik het, maar dan:

Het aardewerk, dat uit Italië afkomstig is, bevestigt dat Flaccus een Romeinse soldaat was.

Dit is een non sequitur. Er ontbreekt een stukje in de redenering. Het kan waar zijn, maar niet op grond van alleen het aardewerk. Waarom geen koopman, bouwkundige of slaaf? Elders lezen we dat de man – was het een man? – mogelijk heeft meegewerkt aan de aanleg van de heerbaan van Keulen naar de Noordzee. Die weg is een puik thema, waar Robert Nouwen recentelijk een goed boek over schreef, maar deze speculatie kun je loslaten op n’importe welk vroeg graf. Ik lees ook

Volgend jaar presenteren archeologen en andere experts de eerste resultaten van het onderzoek aan het publiek.

Ik wou dat archeologen stopten met het zoeken van publiciteit vóór er een rapport is. En ik wou dat journalisten geen aandacht besteedden aan wetenschappers die hun verhaal niet af hebben. Van de limes zijn we het junk nieuws inmiddels gewend, maar van Heerlen, als hoofdstad van Romeins Nederland, verwacht je professionaliteit.

Genoeg gemopperd

Er is ook leuk nieuws. Zoals dit.

Thule

Olivier van Renswoude is al jaren bezig met het voornaamste en meest vanzelfsprekende antieke erfgoed, onze taal. Zijn website Taaldacht is een schatkamer tjokvol informatie over Germaanse woorden, en vaak zijn er koppelingen met de archeologie mogelijk: denk aan oeroude plaatsnamen, maar denk ook aan de Bataaf Imerix, de door Ptolemaios vermelde waterlopen aan de Waddenzee, de godinnen Ahuardua en Tanfana en de god Halamardus, de namen van de pre-Romeinse stammen, een geloofwaardige etymologie van Metuonis en een beschouwing over het Kolenwoud.

En nu is er een wel heel leuke toevoeging aan al dit moois, namelijk een heel plausibele verklaring voor de plaatsnaam Thule. Deze plek is vooral bekend van Pytheas van Marseille, waarover ik al vaker schreef (hier en liever niet hier maar wel daar); Thule was het verste punt van zijn reis over de Atlantische Oceaan. We weten er weinig meer van dan dat het bij het ijs lag. Van Renswoude legt nu, na wat taalkundige plaatsbepalingen, een verband met het Oud-Germaanse woord *Tūlō, “ver weg”.

Nog beter dan dat is dat de door Pytheas gegeven beschrijving van Thule als “het oord waar de zon te ruste gaat”. Omdat u en ik denken in een West-Germaanse taal – zoals gezegd ons voornaamste en meest vanzelfsprekende erfgoed – lezen we daar overheen. De uitdrukking is echter zó ingeburgerd in alle West-Germaanse talen, dat ze oeroud moet zijn. En Pytheas, voor wie dit geen vanzelfsprekende uitdrukking was, heeft die als opmerkelijk genoteerd, samen met het Germaanse woord *Tūlō.

Je kunt Thule humoristisch vertalen als Verwegistan of Afgelegië. Maar het voornaamste is dat Pytheas zijn informatie dus heeft opgedaan in een gebied waar men Germaans sprak of een daar sterk op lijkende taal.

Veldslag

Van tijd tot tijd worden oude luchtfoto’s openbaar gemaakt, waarop archeologen dan allerlei dingen ontdekken. De middeleeuwse versterkte boerderijen van West-Vlaanderen kennen we bijvoorbeeld van verkenningsfoto’s uit de Eerste Wereldoorlog. In de tussenliggende eeuw zijn allerlei akkers en velden overbouwd of door diepploegen of ruilverkaveling veranderd, en dan zijn foto’s uit 1914-1918 ineens heel nuttig. Hetzelfde geldt voor de foto’s die spionagesatellieten maakten tijdens de Koude Oorlog. Vroeg of laat worden die gedeclassificeerd, en ook dat is goud voor archeologen.

Een recent voorbeeld is de identificatie van Qadisiyya, waar een van de belangrijkste veldslagen op de overgang van Oudheid naar Middeleeuwen plaatsvond. Het Arabische leger, uitgezonden door kalief Omar, versloeg hier in 636 na Chr. het leger van de Sassanidische Perzen. De locatie, een Sassanidisch fort en een gracht zijn geïdentificeerd en later door ground truthing bevestigd. Zie de foto hierboven.

Dit lost verder geen belangrijke vragen op, maar het helpt wel om de operatie beter te begrijpen. Voer voor krijgshistorici dus.

Tot slot

Tot slot wens ik u een mooi 2025, met minder oudheidkundige aandachttrekkerij, en met meer écht nieuws. Dat kan best: kijk maar hoe Van Renswoude u stap voor stap meeneemt in zijn afwegingen, zonder dat het ergens jargon wordt, of kijk hoe het artikel over Qadisiyya de methode toelicht en uitlegt de conclusie pas klopte na ground truthing. De journalist heeft gewoon de publicatie afgewacht. Kortom: oudheidkundige voorlichting kan ook wel professioneel. En professioneler nieuws over de Oudheid, dat wens ik u van harte toe. Plus gezondheid en geluk en wereldvrede, maar dat vermoedde u al.

Morgen de oudejaarsvragen!

#ArabischeVeroveringen #Coriovallum #Demre #FaitsDivers #GermaanseTalen #groundTruthing #Heerlen #Myra #OlivierVanRenswoude #PtolemaiosVanAlexandrië #Pytheas #Sassaniden #satellietfotografie #slagBijQadisiyya #Thule

De echte Nikolaas van Myra (1) - Mainzer Beobachter

Natuurlijk is Nikolaas van Myra ofwel Sinterklaas een legendarisch personage, maar we herkennen achter de legende een historische kern.

Mainzer Beobachter

Klankwetten en taal-universalia

Oké, dit is wel een heel obligaat plaatje bij een blogje over taalkunde, maar hé, het had ook een Toren van Babel kunnen zijn en dat was als cliché nog erger.

Nog niet zo lang geleden, laten we zeggen rond 1970, bestond het idee dat wetenschappelijke kennis veelal was te herleiden tot wetmatige verbanden. Ongeveer zoals in de exacte wetenschappen dus. In de archeologie was dit een van de ambities van wat destijds bekendstond als Nieuwe Archeologie en tegenwoordig als processuele archeologie; historici hadden het over het positivistische of het wetmatige verklaringsmodel. In beide gevallen is men van de ambitie teruggekomen. De postprocessuele archeologen en latere generaties historici accepteerden dat het voor het verklaren van de verschijnselen ook weleens handig kon zijn je in te leven in de actoren – klassieke hermeneutiek, met andere woorden. Dat was én een erkenning dat er in de geesteswetenschappen een element van subjectiviteit aanwezig zou blijven én een opdracht om die subjectiviteit zoveel mogelijk in te perken.

Klankwetten

Anders dan deze twee oudheidkundige specialismen, heeft de historische taalkunde nooit de ambitie laten varen de verschijnselen wetmatig te verklaren. En inderdaad zijn talen te beschrijven aan de hand van regels die, voor de verschijnselen die ze beschrijven, algemeen zijn; tegelijk zijn die verschijnselen wat beperkter gedefinieerd dan in de natuurwetenschappen.

Ik zal wat voorbeelden geven van de wijze waarop klankwetten worden gevonden. Het eerste ontleen ik aan het moderne Nederlands en Afrikaans, die beide teruggaan op dezelfde prototaal, namelijk het vroegmoderne Nederlands.

NederlandsAfrikaansvroegvroegvroegervroërlaaglaaglagerlaër

De verklaring is een klankwet: “in het Afrikaans verdwijnt een /g/ als die tussen twee klinkers staat”. Het Afrikaans kent op deze klankwet uitzonderingen als quagga, maar die zijn evident ontleend aan een andere taal. Onze klankwet kent geen uitzonderingen. In dit voorbeeld kunnen we dat ook verifiëren, want in zestiende- en zeventiende-eeuwse Nederlandse teksten is sprake van vroegh, vroegher, laegh en laegher.

Dit is dus het principe: je zoekt voorbeelden – uiteraard meer dan vier – en herkent (induceert) patronen. Het resultaat is een wet, omdat de verandering altijd optreedt, zij het in een beperkt aantal situaties. In dit geval immers voor één taal en één medeklinker tussen twee klinkers. Omdat taalkundigen echter zo vaak en zo veel van dit soort regelmatigheden hebben kunnen vaststellen én geverifieerd gekregen, hebben ze vertrouwen in de reconstructies van niet bewaard gebleven oude talen. Neem de volgende woorden:

NederlandsDuitsEngelskrachtKraftcraftschachtSchaftshaftachterafter-afterluchtLuftloftstichtenStiften– (maar vgl. stiff)

Je zou een regel kunnen formuleren “een oud-Germaanse /ft/ wordt in het Nederlands /cht/”. Voor we concluderen dat het zo is, moeten we natuurlijk kijken of er uitzonderingen zijn. Onze taal kent allerlei woorden die, net als in het Engels en Duits, eindigen op /ft/, maar dat zijn vaak leenwoorden (zoals lift). Er zijn nog een paar restgevallen, zoals bruiloft, dat niet zou mogen bestaan. We zouden brulocht hebben verwacht, dat inderdaad is gedocumenteerd. De oude vorm bruiloft heeft alleen overleefd in het Hollandse dialect en heeft zich daarvandaan over de andere dialecten verspreid.

Concreet betekent dit dat we Duitse en Engelse ft-woorden én Nederlandse cht-woorden mogen gebruiken als we het Proto-West-Germaans reconstrueren, wat de databasis aanzienlijk verbreedt. We kunnen dus vertrouwen hebben in de reconstructie van oude talen.

Taal-universalia

Ook al zijn de klankwetten vrij solide, je zou een controle willen hebben op de reconstructie van een niet bewaard gebleven oude taal. Gelukkig zijn er ook taal-universalia: algemene kenmerken die gelden voor alle talen. Er zijn zo’n 6000 talen gedocumenteerd, en niet één daarvan blijkt klinkerloos te zijn. Sterker nog, zelfs de taal met (voor zover bekend) het kleinste aantal klanken, het Ubykh, heeft nog altijd twee klinkers. Met N=6000 mogen we aannemen dat elke taal tenminste één klinker heeft. Als we een oude taal zouden reconstrueren zonder klinkers, is er iets mis gegaan.

Nu is zo’n reconstructie nog nooit gemaakt, dus dit voorbeeld is gratuit. Interessanter is dat als een taal een /g/ heeft, die taal ook een /d/ heeft, en dat als een taal een /d/ heeft, er ook een /b/ is. Deze wetmatigheid is bepaald niet gratuit, want bij de reconstructie van het Proto-Indo-Europees zijn de /g/ en de /d/ goed aantoonbaar, maar is de /b/ dat een stuk minder. Er zijn daarvoor complexe verklaringen bedacht.

Taal-universalia zijn belangrijk, omdat ze aangeven in welke richting talen veranderen kunnen. Als we een taal hebben met een /b/, een /d/ en een /g/, en als die een van die medeklinkers verliest, dan zal dat altijd eerst de /g/ zijn en pas later de /d/. Omgekeerd, een taal met alleen een /b/ kan er wel een /d/ bij krijgen maar nooit een /g/.

Een vergelijkbaar voorbeeld: een taal met tweevoud (dualis) kent ook een meervoud, en een taal met een meervoud kent ook enkelvoud. Als een taal met tweevoud, zoals het oudste Grieks, vereenvoudigt, zal het die vorm als eerste verliezen.

Kortom

Samenvattend: de taalkunde heeft goed gedocumenteerde klankwetten voor levende talen, kan de methode om klankwetten op te sporen extrapoleren naar verdwenen talen, en kan de reconstructie gedeeltelijk verifiëren met taal-universalia.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#GermaanseTalen #historischeTaalkunde #inductie #klankwet #ProtoIndoEuropees #taalUniversalia #taalkunde