Je ne vois pas comment un discours du ministère des armées au sujet du 8 mai 1945 peut faire l'impasse sur les crimes commis au même moment par l'armée française en Algérie, y compris la marine nationale évoquée dans ce communiqué de presse très élogieux à l'égard de la France.
https://www.oise.gouv.fr/Actions-de-l-Etat/Commemorations/Messages-officiels/81e-anniversaire-de-la-Victoire-du-8-mai-1945

#Ministere #Armee #CatherineVautrin #AliceRufo #8mai1945 #Algerie #Setif

81e anniversaire de la Victoire du 8 mai 1945

Portail de l'Etat en Les services de l'État dans l'Oise

Les services de l'État dans l'Oise
⚠️ Théâtre - "L'autre 8 mai 1945 : Je me souviens..."
vendredi 8 à 19h, Théâtre des Malassis
https://agendamilitant.org/a8176 #Algérie #commémoration #massacres #autre8mai1945 #Setif #Guelma #Kherrata
⭕En #Algérie, le 8 mai 1945 n’est pas seulement remémoré comme le jour de la Libération, mais aussi et surtout comme le début des massacres de #Sétif, #Guelma et #Kherrata : un épisode central de la mémoire #Algérienne.

La section Grenoble métropole de la LDH soutien l'appel du collectif du "17 octobre 1961 Isère" avec le soutien de nombreuses associations, au rassemblement en hommage aux victimes des massacres de Sétif, Guelma, Kherrata en Algérie.

Un rassemblement avec un dépôt de gerbe est organisé, vendredi 8 mai 2026 à 15h00 à Fontaine,devant la plaque commémorative, Parc André Malraux (près de la Mairie) Mail Marcel Cachin Fontaine (tram A, arrêt Hôtel de Ville La Source), pour demander :

#Grenoble #Fontaine #Hommage #Algérie #Sétif #Guelma #Kherrata

#fabricericeputi
Demain, on commémore aussi l'Autre 8 mai 1945.
Tandis que la France fêtait la victoire sur le nazisme, son armée massacrait des milliers de civils algériens à Sétif, Guelma et Kherrata. Par Mohammed Harbi.
https://histoirecoloniale.net/1291228-2/

#8mai45 #Algérie #setif #colonialism

Massacres du 8 mai 1945 : « La guerre d’Algérie a commencé à Sétif », par Mohammed Harbi

Tandis que la France fêtait la victoire sur le nazisme, son armée massacrait des milliers d’Algériens à Sétif, Guelma et Kherrata.

Histoire coloniale et postcoloniale

Massacres du 8 mai 1945 : « La guerre d’Algérie a commencé à Sétif », par Mohammed Harbi

https://fed.brid.gy/r/https://histoirecoloniale.net/1291228-2/

#Tunisia: Four #Tunisian short films: Mima by Dorra Sfar, Crescendo by Mohamed Ali Maatoug & Mohamed Karim Dahmouni, Soufisme by Younes Ben Hajria & Blue by Hamda Dhaouadi are competing for the "Golden Spike" award at the 6th International Film Days of #Sétif, #Algeria. #TAP_En
(@TapNewsAgency)

https://nitter.net/TapNewsAgency/status/2042672748682469500#m

Een grafmozaïek uit Sétif

Een grafmozaïek uit Sétif (Archeologisch museum, Sétif)

De Algerijnse stad Sétif oogt opvallend modern. De trams zijn van hetzelfde type als in Rotterdam, er zijn wolkenkrabbers en er is een uitstekend archeologisch museum. Ik blogde al eens over mijn eerste bezoek. Tot de pronkstukken behoort een verzameling mozaïeken uit twee christelijke basilieken, die zijn opgegraven in 1959, dus midden tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962). De vloeren van deze godshuizen bestonden uit mozaïeken.

Dat was niet ongebruikelijk, maar deze mozaïeken gaven de plaatsen aan waar in de kerk mensen lagen begraven, en zulke “grafmozaïeken” – bestaat dit woord? – zijn zeldzamer. In de ene basiliek in Sétif waren er twintig, in de andere vijftig. Zulke mozaïeken bestaan altijd uit een mooie rand om wat geometrische figuren en een grafschrift. Een opvallende naam is Adeodatus, een naam waarover ik al eens blogde omdat het de Latijnse vertaling is van het oud-Fenicische Mattan-ba’al, “godsgeschenk”, Dieudonné.

Grafschrift van Maria Equitiola

Het standaardgrafschrift bestond strijk en zet uit de naam van de overledene, uit de datum van zijn/haar dood of van zijn/haar begrafenis (eigenlijk weten we niet wat is bedoeld), en vaak ook de leeftijd. Hier is een voorbeeld:

Memoria Mariae
Equitioliae quae et Sili-
qua vixit annis XX
VIIII, praecessit in pace
die pridieidus Ma-
rtias an[no] p[rovinciae] CCCLIIII

ofwel

Graf van Maria Equitiolia, ook bekend als Siliqua. Ze leefde 29 jaar, en ging naar de vrede op 14 maart in het provinciale jaar 354.

Ik licht deze inscriptie (EDCS-10702000) eruit omdat ze gebruik maakt van een provinciale jaartelling. Terwijl wij gewend zijn aan een vrijwel universele, van oorsprong christelijke jaartelling, kende men in de Oudheid een wildgroei aan jaartellingen. In de oostelijke provincies was dat vaak de Seleukidische jaartelling, die begon in het jaar 311 v.Chr. In Mauretanië telde men vanaf het jaar van de Romeinse annexatie, dat wij 39 na Chr. noemen. Dit graf dateert dus van 14 maart 393.

Wij zijn, zoals gezegd, gewend aan een eenheidskalender. Moderne joden en moslims hanteren doorgaans naast hun eigen religieuze jaartelling ook de gebruikelijke jaartelling. De wereld van de Romeinen heeft zo’n systeem nooit gehad; de jaartelling ab urbe condita, “sinds de stichting van de stad”, was maar één jaartelling onder vele, en heeft in de Oudheid nooit veel status gehad. De Romeinen hadden simpelweg nooit één kalender met één, algemeen erkend beginpunt nodig.

[Dit was het 515e voorwerp in mijn reeks museumstukken. Mocht het u boeien: ik organiseer in september een reis naar Algerije.]

#Adeodatus #Algerije #chronologie #grafschrift #jaarrekening #MauretaniaCaesariensis #mozaïek #Sétif

III Augusta, het garnizoen van de Maghreb (1)

De veldtekens van III Augusta (Koninklijke musea voor kunst en geschiedenis, Brussel)

De legioenen uit de vroege Keizertijd gaan terug op eenheden uit de late Republiek. Ze zijn vrijwel allemaal geformeerd door Julius Caesar of Octavianus. Het Derde Legioen, dat later de bijnaam Augusta zou krijgen, is een uitzondering. Het is in 43 v.Chr. in het veld gestuurd door consul Gaius Vibius Pansa. De nummers één tot en met vier waren toen, in de laatste jaren van de Republiek, gereserveerd voor de legers van de consuls. Pansa nam dus een eerste en een derde legioen mee toen hij oprukte naar Modena op de Povlakte om te strijden tegen Marcus Antonius. Een tweede en een vierde legioenen gingen mee, gecommandeerd door consul Aulus  Hirtius. Ook in het gezelschap: Octavianus, met een privéleger.

Het drievoudige leger won. Beide consuls kwamen echter om het leven. Octavianus was nu ineens meester van een heel groot leger, marcheerde op Rome en eiste de macht. Zo simpel.

Naar Africa Proconsularis

Het Derde Legioen bleef blij hem. Mogelijk was het aanwezig tijdens de dubbele slag bij Filippi (42), waarin Octavianus, inmiddels samenwerkend met Marcus Antonius, de moordenaars van Caesar versloeg. Later nam het Derde Legioen deel aan de oorlog om Sicilië, waar Octavianus afrekende met de laatste zoon van Pompeius, Sextus. Octavianus’ bondgenoot was het leger van Marcus Aemilius Lepidus, dat uit Tunesië was gekomen en na de overwinning zijn generaal in de steek liet. Octavianus nam dat leger over en stuurde het Derde Legioen naar Tunesië. En daar is het gebleven.

Inscriptie voor Gavius Macer van III Augusta (Lepcis Magna)

Het is niet helemaal duidelijk waar het legioen zich aanvankelijk bevond. Het gebied, dat Africa Proconsularis heette, was vrij rustig en misschien zette Octavianus de soldaten in bij de herbouw van Karthago. Dan zal de eerste basis wel in de buurt van die stad zijn geweest, maar bewijs ontbreekt. In elk geval documenteert een inscriptie uit 14 na Chr. soldaten die een weg aanleggen van Tacape (Gabès in zuidelijk Tunesië) naar hun basis. Die bevond zich wellicht in Theveste, vanuit Tunesië bezien nét over de grens met Algerije.

Tacfarinas

III Augusta bewaakte de 3000 kilometer lange grens van de Atlantische Oceaan tot en met Tripolitana. Dus Marokko, Algerije, Tunesië en half Libië. Hoewel dit een doorgaans rustig deel was van het Romeinse Rijk, kreeg III Augusta het hard te verduren in de jaren 17-24, toen het de strijd moest aanbinden tegen Tacfarinas, die een anti-Romeinse coalitie had gevormd uit Numidische en Mauretaanse stammen. Misschien vormde deze oorlog de aanleiding tot de overplaatsing van het legioen naar Ammaedara, het huidige Haïdra.

III Augusta, gecommandeerd door de gouverneur van Afrika, Marcus Furius Camillus, wist Tacfarinas in 17 in een geregelde veldslag te verslaan, maar deze begon een guerrilla: het soort oorlog waar de Romeinen het minst van begrepen. In 18 versloeg hij zo een onderafdeling van III Augusta. De nieuwe commandant, Lucius Apronius, strafte de legioensoldaten met decimatie, d.w.z. het doden van elke tiende soldaat. In 21 kreeg het Derde versterking van VIIII Hispana, maar de oorlog duurde nog voort. In 24 wist gouverneur Junius Blaesus de rebel te verslaan en mocht het Negende weer vertrekken, maar Tacfarinas keerde onmiddellijk terug. III Augusta was nu echter in staat hem te isoleren en tot zelfmoord te drijven.

Stempel van III Augusta (Annaba)

Senatorieel legioen

In deze tijd was het Derde het enige legioen dat onder bevel stond van een senator, namelijk de proconsul (gouverneur) van Africa Proconsularis. Eén van hen zou Velleius Paterculus geweest kunnen zijn, de auteur van een korte Romeinse Geschiedenis. Dit feitje is gebaseerd op de interpretatie van een inscriptie die echter ook anders te lezen is. Onmogelijk is het echter niet.

Keizer Caligula (r.37-41) vond het riskant om een ​​legioen in handen te laten van een senator, die immers voldoende waardigheid bezat om een gooi naar het keizerschap te doe. Hij koos ervoor zelf de commandant van III Augusta aan te wijzen – het was niet langer een senatorieel ambt. Caligula’s opvolgers Claudius en Nero zetten dit beleid doorgaans voort.

Het Vierkeizerjaar

Tijdens de verwarde laatste jaren van Nero kwam Lucius Clodius Macer in opstand tegen de tirannieke despoot. Hij formeerde in 68 een ander legioen, I Macriana Liberatrix, en steunde Sulpicius Galba, die vanuit Spanje naar Italië kwam en het keizerschap bekleedde. De nieuwe heerser wantrouwde Macer echter en beval een officier genaamd Trebonius Garutianus om de commandant van de twee legioenen te doden.

In januari 69 verloor Galba de controle over de situatie. Hij werd gedood en er brak een burgeroorlog uit tussen Otho en Vitellius, een voormalige gouverneur van Africa die inmiddels aan het hoofd stond van het Rijnleger. III Augusta koos de zijde van Vitellius, maar mengde zich niet in de strijd. Uiteindelijk wist weer een andere pretendent, Vespasianus, de macht te grijpen en een dynastie te stichten. Deze keizer was ook verantwoordelijk voor de overplaatsing van het legioen van Ammaedara terug naar Theveste (75).

Zes jaar later volgde een nieuwe overplaatsing, nu naar Lambaesis in Numidië. Veteranen vestigden zich in de omgeving: in Djemila (Cuicul), Sétif (Setifis) en Timgad (Thammugadi). De Romeinen ontgonnen en koloniseerden de Algerijnse Hautes Plaines werden in hoog tempo.

[Wordt vervolgd.]

#africaProconsularis #algerije #ammaedara #aulusHirtius #caligula #claudius #decimatie #djemila #gabes #gaiusVibiusPansa #galba #haidra #iMacrianaLiberatrix #iiiAugusta #juliusCaesar #juniusBlaesus #lambaesis #legioen #luciusApronius #luciusClodiusMacer #marcusAemiliusLepidus #marcusAntonius #marcusFuriusCamillusAfricanus #marcusVelleiusPaterculus #mauretanie #nero #numidie #otho #romeinsLeger #setif #sextusPompeius #slagBijFilippoi #tacape #tacfarinas #theveste #timgad #treboniusGarutianus #tunesie #vespasianus #vierkeizerjaar #viiiiHispana #vitellius

Emir Abd el-Kader

L’émir Abd-el-Kader, protégeant les chrétiens à Damas en 1860 (Jan-Baptist Huysmans)

In mijn boek over Libanon – inmiddels herdrukt – behandel ik ook de crisis rond het jaar 1860, toen de maronieten en druzen tegen elkaar ten strijde trokken. Diverse partijen raakten betrokken, waaronder soldaten uit het Ottomaanse leger, die partij kozen voor de druzen en op diverse plaatsen christenen doodden. In Damascus vielen 12.000 doden, waaronder de Nederlandse consul en de Massabki-broers, die door de maronieten tot op de huidige dag worden vereerd. De sultan greep bliksemsnel in en zond een generaal, die de rebelse soldaten standrechtelijk liet executeren en de druzische leiders veroordeelde tot de galg. Evengoed intervenieerde een Frans leger, dat feitelijk dus weinig te doen had.

Terwijl ik deze trieste gebeurtenis beschreef, stuitte ik op een emir Abd el-Kader, die in Damascus de vervolgde christenen had opgenomen in zijn paleis en had beschermd. Die naam kende ik, maar uit een heel andere context. In 2019 was ik in Sétif in Algerije, waar een Jardin d’ Emir Abd el-Kader was, die tjokvol Latijnse inscripties stond, die ik destijds fotografeerde en – tot mijn eigen verbazing – resulteerden in mijn eerste, enige en welbeschouwd hilarische wetenschappelijke publicatie. Ik vroeg me af of het ging om dezelfde man. De naam, “dienaar van de almachtige”, is niet zeldzaam, maar de Arabische rang van emir is dat in een Ottomaanse context wel, en de man uit Sétif en de man uit Damascus leefden allebei rond 1860. Hij was inderdaad dezelfde.

De tuin van emir Abd el-Kader in Sétif.

Ten oorlog

Abd el-Kader ibn Muhyi al-Din werd in 1808 geboren in een religieuze familie. Hij studeerde in Oran (in het noordwesten van Algerije) en publiceerde al jong over de relatie tussen de islam en de nieuwe tijd: actuele vragen, aangezien Egypte in deze jaren onder Muhamad Ali allerlei Franse ideeën overnam en snel moderniseerde. In 1825 bezocht Abd el-Kader Mekka en Egypte, om enkele maanden voor de Franse aanval op Algiers terug te keren. Toen de Fransen die stad hadden ingenomen en hun gezag uitbreidden richting Oran, kozen de Arabische en Berber-bewoners van dat gebied hem tot oorlogsleider, emir.

Abd el-Kader organiseerde enkele expedities tegen de Fransen, maar het was niet alleen door het succes daarvan dat de rust zich herstelde. De Franse gouverneur van de havenstad Oran, Louis Alexis Desmichels, begreep dat onderhandelingen de beste manier waren om de regio te pacificeren. Het hielp dat de Franse regering nog niet goed wist wat het met de veroverde gebieden aan moest. Desmichels erkende Abd el-Kader als de gezaghebber in het achterland. Niet alleen schiep dit verdrag rust, het hielp ook om het succes van de succesvolle Arabische leider te beperken tot Oran.

Toen de Franse regering later besloot de teugels aan te halen, werd Desmichels vervangen door een generaal die het departement onder rechtstreekse controle moest brengen. De Arabieren en Berbers versloegen hem in de slag bij Macta (1835) en Abd el-Kader dwong respect af door de menselijke behandeling van zijn krijgsgevangenen. Een nieuwe Franse commandant had een jaar later meer succes in de slag aan de Sikkak, maar inmiddels was de Franse publieke opinie tegen de dure oorlog. In 1837 sloten de twee partijen het verdrag van Tafna, waarin Abd el-Kader feitelijk een eigen staat kreeg toegezegd in het binnenland. De Fransen beheersten de havensteden, en ze erkenden in Abd el-Kader een tegenstander met wie ze zaken konden doen.

Een eigen staat

Het verdrag bood beide partijen rust. De Fransen konden hun greep versterken op de kuststrook, waarvan ze inmiddels hadden besloten dat ze die nooit meer zouden verlaten, terwijl Abd el-Kader een nieuwe, functionerende staat kon opbouwen op de Hautes Plaines. De hoofdstad was Tagdemt. Hij weigerde de wereldse titel van sultan en zocht in plaats daarvan voor een op de islam gebaseerd gezag. De magistraten waren vaak religieuze leiders; belastingontduiking kwam te gelden als “misdrijf tegen de moslimgemeenschap”; de munt had zelfs een islamitische naam: de muhammadiyya. Dit sloot overigens samenwerking met joden en christenen allerminst uit. “Alle religie berust op twee principes,” meende de emir, “namelijk eerbied voor God en barmhartigheid voor al zijn schepsels.”

Ondertussen weerde hij zuidelijke stammen af, precies zoals de Fransen hadden gehoopt door hem te erkennen als leider van wat vanuit hun perspectief een bufferstaat was. Gaandeweg strekte Abd el-Kaders staat zich ook uit naar het oosten, in de richting van Sétif en Constantine.

Abd el-Kader in Damascus (1862)

Ballingschap

Zoals eigenlijk wel te verwachten viel, hielden de Fransen zich niet aan de afspraak. In 1839 brak oorlog uit, waarin Abd el-Kader zich aanvankelijk succesvol wist te weren. Na vijf jaar koos de sultan van Marokko echter partij voor de Fransen, en dat dwong de emir ertoe zich over te geven (1847). Hoewel was afgesproken dat hij zich in Alexandrië of Akko zou vestigen, deporteerden de Fransen hem naar het kasteel van Amboise.

De onmenselijke verblijfsomstandigheden, waaraan sommige van zijn medegevangenen overleden, veroorzaakten een schandaal. Tot degenen die opheldering eisten, behoorden Victor Hugo en prins Napoleon Bonaparte. Toen laatstgenoemde in 1848 tot president werd gekozen, gelastte hij onmiddellijk de vrijlating van de emir, die ook een aanzienlijk jaargeld kreeg toegezegd onder de voorwaarde dat hij nooit meer naar de departementen Oran, Algiers of Constantine zou terugkeren.

En zo belandde Abd el-Kader in het Ottomaanse Rijk. Hij schreef er enkele politieke traktaten en een boek over Arabische paarden, werd vrijmetselaar én soefi (islamitische mysticus). De emir werkte mee aan de wetenschappelijke uitgave van de geschriften van de middeleeuwse Andalusische mysticus Ibn Arabi. En Abd el-Kader was in Damascus toen daar in 1860 de hel losbarstte. Hij zond zijn zonen uit om de vervolgden naar zijn paleis te brengen, dreigde op de menigte te laten schieten als ze het asiel zou bestormen, en wist zo velen het leven te redden.

Latere jaren

Voor deze interventie kreeg de emir van alle kanten erkenning. Napoleon Bonaparte, inmiddels keizer, verhoogde zijn jaargeld en maakte hem tot officier in het Legioen van Eer. De sultan, de koning van Griekenland en de paus verleenden hem onderscheidingen, en de Amerikaanse president Abraham Lincoln achtte een tweetal dueleerpistolen een passend geschenk. Vijf jaar later ontving Napoleon III de emir in Parijs, waar de bevolking de eregast met enorm enthousiasme begroette.

Abd el-Kader in Parijs (1865)

Van vijand tot vriend van Frankrijk: je kunt de Franse houding lezen als een waardige manier om met een verslagen tegenstander om te gaan. En je kunt Abd el-Kader zien als een Uncle Tom die, uiteindelijk vooral serviel, de imperialistisch politiek mogelijk maakte. En je kunt hem zien als iemand die leefde tussen twee werelden en met wisselend succes zijn eigen wereld verdedigde.

Hij overleed in 1883, vierenzeventig jaar oud, en werd begraven in Damascus. Later, in 1965, is zijn stoffelijk overschot overgebracht naar Algerije – de politieke motivatie moge, drie jaar na de Algerijnse onafhankelijkheid, voldoende duidelijk zijn. Oliver Stone heeft aangekondigd een film over de emir te maken; zijn leven leent zich er zeker voor, maar de ervaring met Alexander doet me hopen dat de Abd el-Kader-film er nooit komt. Hoe die tuin in Sétif er is gekomen, heb ik nog niet ontdekt.

#Algerije #Algiers #Constantine #Damascus #Frankrijk #IbnArabi #LouisAlexisDesmichels #MuhamadAli #NapoleonIII #OliverStone #Oran #OttomaanseRijk #Sétif #VictorHugo