Historische verklaringen

Kleio, de muze van de geschiedwetenschap (Prado, Madrid)

Een tijdje geleden gaf iemand me een boek dat op het gymnasium werd gebruikt als de leerlingen de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius leren vertalen. Het verbaasde, ja ergerde me dat de auteurs van dit schoolboek de geschiedwetenschap typeerden als het beschrijven van de gebeurtenissen uit het verleden. Dat is natuurlijk onzin. Historici proberen de gebeurtenissen uit het verleden te voorzien van een verklaring. Anders gezegd: de auteurs verwarden de wetenschap met haar voorbereiding.

Positivisme, hermeneutiek en meer

Een verklaring is per definitie het leggen van verbanden tussen gegevens, en historici hebben daarvoor vijf methoden. Ze duiden die aan als verklaringsmodellen. Het eerste is het wetmatige verklaringsmodel, dat de geschiedwetenschap deelt met bijvoorbeeld de natuurwetenschap en de taalkunde. Het wordt ook wel aangeduid als positivisme en komt erop neer dat de verbanden die je beschrijft, een wetmatig karakter hebben, waardoor je oorzaken kunt aanwijzen. De historische demografie is een mooi voorbeeld.

De tweede benadering heet hermeneutiek, hermeneuse of het hermeneutische verklaringsmodel. Dit is de kunst om elkaar te begrijpen en als zodanig de gedeelde methode van de geesteswetenschappen. De verbanden zijn niet wetmatig of zo, maar hebben te maken met begrip en inleving: in een situatie als deze zou een persoon als deze om die en die reden zo en zo handelen. Bijvoorbeeld: Alexander de Grote had een heftig verlangen om andere mensen te overtreffen en veroverde daarom de halve antieke wereld, steeds nét iets verder gaand dan eerdere veroveraars. De verbanden zijn dus meer psychologisch van aard. Ik heb er ooit dit blogje over geschreven, maar het is niet mijn beste. Goed boek: Tussen tekst en lezer van Arie Zwiep.

Vervolgens is er het narrativisme ofwel de verhalende geschiedschrijving. De aanname is dat het niet langer mogelijk is de werkelijke verbanden, zoals ze in het verleden werkelijk hebben bestaan, accuraat te reconstrueren. De historicus moet de verbanden zelf leggen door middel van het verhaal dat hij vertelt. De narrativist begint dus afscheid te nemen van de wetenschappelijke ambitie. Hoewel ik erken dat de accurate reconstructie van het verleden niet makkelijk is, zeker als het gaat om de Oudheid met haar niet-robuuste data, gooit de narrativist mijns inziens het kind weg met het badwater.

Physics of society” is de deftige naam voor analyses door middel van computers. Feitelijk beschrijf je het historisch proces alsof het een computerspel is (bijvoorbeeld Civilization) en door steeds de variabelen te veranderen, kun je diverse scenario’s doornemen. Zo kun je zien welke variabelen relevant zijn. Veel historici beschouwen dit als geen geschiedwetenschap, maar ik heb de indruk dat ze zich er ook niet echt in hebben verdiept. Goed boek: Critical Mass van Philip Ball.

Vergelijkingen

Tot slot is er het vergelijkend-oorzakelijke verklaringsmodel, dat ook wel comparatisme wordt genoemd. Het komt erop neer dat je oorzakelijke verbanden opspoort door middel van vergelijking. Als je bijvoorbeeld, zoals Tom Holland doet in zijn hopeloze boek over het christendom, wil bewijzen dat het christendom de latere samenleving heeft gevormd, moeten de effecten overal dezelfde zijn. Alleen: de effecten waren in West-Europa totaal anders dan in de Grieks-orthodoxe wereld. Hieruit volgt dat het christendom nooit de (enige) verklarende factor kan zijn.

Een ander voorbeeld: wat maakte dat Rome de Middellandse Zee verenigde? Het kwam niet door de centrale ligging, want Karthago, Capua en Syracuse lagen even centraal. Het kwam niet door een martiaal karakter, want andere staten waren even agressief. Ook kwam het niet door bevolkingsomvang of andere factoren die we door vergelijking kunnen wegstrepen. Wat je niet kunt wegstrepen: Rome had een dienstplichtigenleger en kon, omdat andere grootmachten huurlingenlegers hadden, de Tweede Punische Oorlog als enige inflatoir financieren. Dit is het oorzakelijke verband dat Rome groot maakte.

Geschiedenis is een wetenschap

In een blogje van 755 woorden kan ik slechts beperkt uitleggen wat verklaringen zijn. Maar de thematiek is belangrijk. Zwartwit geformuleerd: anders dan een amateurhistoricus, weet een geschoold historicus wat hij aan het doen is, langs welke weg hij probeert een verklaring voor gebeurtenissen te geven en welke voetangels en klemmen liggen op die weg. Zou de historicus dat niet weten, dan was zijn vak inderdaad slechts het beschrijven van gebeurtenissen uit het verleden.

Maar dat is dus niet zo. De geschiedvorsing heeft een beredeneerde methode, die maakt dat zij een wetenschap is. En het trof me onaangenaam dat classici die een boek maken over een geschiedschrijver dat niet bleken te weten.

[De oudheidkundige wetenschappen (en dus ook de geschiedvorsing) zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#hermeneutiek #narrativisme #physicsOfSociety #TomHolland #vergelijkendOorzakelijkVerklaringsmodel #verhalendeGeschiedschrijving #verklaring #wetmatigeVerklaringsmodel

Verkokerde vakgebieden (3)

Grafsteen van Marcus Caelius van het Achttiende Legioen, gesneuveld in de slag in het Teutoburger-… vooruit, -woud (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

[Dit is de derde aflevering van een artikel over de versplintering van de oudheidkundige disciplines, dat oorspronkelijk is verschenen in Archeobrief  2011/1. De eerste verscheen hier.]

Wat kan er zoal verkeerd gaan? Het zou te ver gaan hier een inleiding teksthermeneutiek aan te bieden. In plaats daarvan zullen hieronder enkele op zich onschuldige vergissingen aan de orde komen die te maken hebben met de Slag in het Teutoburgerwoud, opdat duidelijk wordt hoe verouderde noties kunnen blijven hangen en hoe een discussie over de interpretatie van die gebeurtenis wordt bemoeilijkt.

Om te beginnen: onze bronnen bevatten vaak expliciete oordelen. Als een Griekse of Romeinse auteur het heeft over de natuurlijke zwakte van vrouwen, zal iedereen dit herkennen als een vooringenomenheid. Als echter de Romeinse auteur Florus, in een voor retoren geschreven boek, zijn betoog over de Romeinse nederlaag afrondt met een retorisch stijlbloempje

zo kwam een imperium waarvoor de Oceaan [het Kanaal] geen grens was geweest tot staan aan de oevers van een rivier [de Rijn]” (Epitome 2.30)

zal menigeen aannemen dat deze interpretatie wel juist zal zijn. Dat de Rijngrens ontstond na de Slag in het Teutoburgerwoud hebben generaties Duitse gymnasiasten, voor wie Florus middelbare-schoolstof was, hun leven lang meegenomen en heeft zich zo vastgezet in Duitslands collectieve bewustzijn. De beslissendheid van de nederlaag van Varus werd hierdoor het zelden echt beredeneerde uitgangspunt van elke wetenschappelijke analyse. Archeologen dateerden alle Romeinse voorwerpen op de oostelijke Rijnoever automatisch vóór 9.

De Slag in het Teutoburgerwoud kan heel goed ingrijpende gevolgen hebben gehad, maar dat valt niet te beargumenteren aan de hand van het Floruscitaat, dat niets meer is dan een mening uit de tweede eeuw, toen de limes inderdaad liep langs de Rijn. Bij de beoordeling van deze mening moet echter worden overwogen of Florus zijn tekst bedoelde als feitelijke weergave van de gebeurtenissen en of hij zich in de materie heeft verdiept. Dat deed hij niet en we kunnen uit zijn opmerking alleen afleiden hoe retoren in de tweede eeuw naar de gebeurtenis keken. Wie een bron leest, moet nagaan voor wie deze is geschreven en hoe accuraat de kennis van de auteur kon zijn.

Nu is dit voorbeeld vrij simpel. Florus verwoordde zijn oordeel tenminste expliciet. Het wordt al wat ingewikkelder als we lezen dat zijn oudere tijdgenoot Tacitus de Germaanse leider Arminius aanduidt als “zonder twijfel de bevrijder van Germanië” (Annalen 2.88). Als dit door zijn tijdgenoten werkelijk niet zou zijn betwijfeld, kon Tacitus de woorden ‘zonder twijfel’ weglaten en “bevrijder van Germanië” gebruiken als synoniem van de persoonsnaam. Wie antieke bronnen leest, moet bedenken dat ze vrijwel altijd gaan over het ongebruikelijke, het extreme of het omstredene (zoals in het geval van Tacitus’ beoordeling van Arminius).

We zouden bijvoorbeeld graag weten of de Romeinen de limes herkenden, maar we hebben geen enkele bron die een strategisch besluit vermeldt, we hebben geen enkele auteur die de achterliggende strategie uitlegt, zelfs geen tekst waarin het woord “limes” wordt gebruikt zoals wij het toepassen. We zullen nooit weten of het Romeinse Rijk één doordachte strategie kende, domweg omdat de lezende elite dat destijds wel wist en er geen noodzaak was het op te schrijven. Dit betekent dat er een impliciete bias is in onze bronnen. Wie een bron leest, moet in de eerste plaats realiseren dat de auteurs geen antwoord geven op vragen die pas tweeduizend jaar later werden gesteld.

Bronnen kunnen zelfs regelrecht misleidend zijn. Het vermogen van antieke auteurs om zaken te verzinnen, wordt systematisch onderschat – en overigens niet alleen door archeologen. Terwijl hedendaagse oudheidkundigen de vooringenomenheid van de oude auteurs op het gebied van gender, ras of klasse meestal wel herkennen, herkennen ze zelden dat ook topografische beschrijvingen een bias hebben. In de antieke gedachtewereld woonden in de meest woeste gebieden, die het verst waren verwijderd van de Mediterrane beschaving, ook de meest woeste vijanden. Als een ooggetuigenverslag van een oorlog in het Overrijnse geen topografische details noemde, verzon een antieke auteur er wel een landschap bij dat bij de barbaren paste. Het West-Vlaamse kustgebied bestond dus uit ontoegankelijke bergen (Dio, Romeinse geschiedenis 39.44), de Waddenkust kende vervaarlijke klippen (Tacitus, Annalen 2.23) en Varus ging ten onder in een onherbergzaam woud. De archeologen die na stuifmeelonderzoek verbaasd vaststelden dat Kalkriese destijds een open landschap was zonder veel bomen, hadden simpelweg niet begrepen dat antieke auteurs overal altijd wouden planten. Wie een bron leest, moet zich bewust zijn van misleiding.

“Maar er stáát in onze bronnen toch Teutoburgerwoud?” kan iemand tegenwerpen. Inderdaad. Tacitus noemt een Teutoburgiensis saltus en dacht daarbij aan een woud, want hij gebruikt het synoniem silva. Alleen zegt dat niets, want Tacitus haalde zijn informatie uit een oudere tekst, vrijwel zeker de Geschiedenis van de Germaanse Oorlogen van Plinius de Oudere. Dat boek is weliswaar verloren gegaan, maar de interpretatie saltus = silva is slechts de interpretatie van de tweede-eeuwse Tacitus. We moeten rekening houden met de mogelijkheid dat saltus voor Plinius een andere betekenis had, zoals “engte”: een niet ongebruikelijke betekenis die in overeenstemming is met de situatie ter plekke. Wie een bron leest, moet nagaan wat er stond in de bronnen van de bron.

[wordt vervolgd]

#hermeneutiek #hyperspecialisme #LegioXVIII #PubliusAnniusFlorus

#Hermeneutiek is ín! Toch verschuift er wel het een en ander binnen de hermeneutiek. Het gaat van kennis vergaren naar meedoen in de kerk van Christus, van theorie naar praktijk.

Recensie van het recente boek van Hans Burger met deze en vele andere gedachten over heil, Jezus Christus, de Bijbel en nog veel meer.

https://www.tijdschriftinspirare.nl/post/jesus-christ-hermeneutics-and-scripture

Jesus Christ, Hermeneutics, and Scripture

Recensie van Hans Burger, Jesus Christ, Hermeneutics, and Scripture: From Epistemology to Soteriology. Reenvisioning Reformed Dogmatics.

Inspirare

Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie

Vergelijkingstheorie helpt vaststellen wat deze vier koningen vergelijkbaar maakt.

Vandaag een blogje over een probleem waarmee de oudheidkundige disciplines kampen: de onvoldoende uitgewerkte vergelijkingstheorie. Vóór ik daarop inga, eerst even terug naar vorige week. Toen schreef ik over het historisme: het denkbeeld dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft. Dit maakt het op het eerste gezicht onmogelijk wetmatige verbanden aan te wijzen. Ik schreef:

Unieke evenementen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar lieten zich inspireren door de tekstuitleg, en dan vooral door de psychologiserende hermeneutiek.

Anders geformuleerd, oudheidkundigen probeerden het verleden te verklaren door zich in te leven (ein zu fühlen) in de individuele actoren, wat hand in hand ging met een voorkeur voor grotemannengeschiedenis. Het focus op het individu betekende dat er geen vruchtbare samenwerking kon ontstaan met de in de negentiende eeuw groeiende sociale wetenschappen, die immers zochten naar algemeen-menselijke patronen.

Dit is in de twintigste eeuw uiteraard veranderd. Zeker de oudhistorici en de archeologen hebben bruggen naar de sociale wetenschappen geslagen; voor de classici, met hun nadruk op auteurs, lag deze weg minder voor de hand.

Niets is vergelijkbaar? Kom nou zeg

Eén van de redenen om niet te veel waarde te hechten aan de opvatting dat alles uniek en onvergelijkbaar is, is, zoals ik al aankondigde, dat ze zichzelf in de staart bijt. We gebruiken woorden om het verleden te beschrijven, maar die impliceren altijd een vergelijking. Wie het woord “koning” gebruikt om bijvoorbeeld Echnaton te typeren, vergelijkt de farao impliciet met oorlogsleiders als Saul en Agamemnon, met imperialistische heersers als Aššurnasirpal II en Darius, met stadsvorsten als Servius Tullius van Rome en Leonidas van Sparta, en met stamhoofden als de Belg Ambiorix en de Germaan Arminius.

Dit bezwaar speelt ook bij begrippen als “handel”, “wet” en “oorlog”: de historist kan zulke woorden eigenlijk niet gebruiken, omdat hij daarmee vergelijkbare zaken oproept en dus de uniciteit van zijn onderwerpen ontkent. Dat is op zich niet erg – de oudheidkundige stuit voortdurend op complicaties waarvoor in feite geen oplossing bestaat – maar het roept wel twijfel op aan het historistische uitgangspunt.

Een tweede moeilijkheid doet zich voor wanneer de historist wil schrijven over zaken waarvan de mensen destijds geen weet konden hebben. Een voorbeeld hiervan levert de geschiedenis van het kanaal dat koning Entemena van Lagash, in het zuiden van Irak, rond 2400 v.Chr. liet graven. Ik kom daarop nog terug, maar voor het moment: de Sumerische koning wilde zijn stad voor de toevoer van zoet water onafhankelijk wilde maken van het vijandige Umma, liet een kanaal graven, maar richtte daarmee zijn koninkrijk feitelijk ten gronde doordat de bodem verziltte. Je kunt dit niet met einfühlen verklaren, want Entemena had nooit gehoord van verzilting. De historist die het verleden alleen einfühlenderwijs wenst te doorgronden, ontzegt zich inzicht in een belangrijk deel van de antieke cultuur.

Nu is ook nooit een oudheidkundige zo consequent geweest. Een Johann Gustav Droysen – ik schreef al eens over hem – erkende de complicaties. Weliswaar beschouwde hij het doorgronden van de mentaliteit van de mensen uit het verleden als het voornaamste doel van de historische belangstelling, maar hij zag in dat die psychologische duiding onmogelijk was zonder eerst de omstandigheden te hebben verkend waaronder de mensen destijds hun keuzes hadden moeten maken. Bij die fase van het onderzoek (de “uitleg van de voorwaarden”), keek de geschiedkundige naar zaken als het fysisch en sociaal milieu, de staatshuishouding en de technologie. Zaken dus waar je met einfühlen niet zo veel over kunt zeggen.

De moeilijkheden worden in één klap opgelost als we aannemen dat historische verschijnselen wél vergelijkbaar zijn. Geweld is in alle tijden de oplossing van degenen die de situatie niet langer meester zijn, en we kunnen het woord “oorlog” gebruiken voor elke vorm van geweld tussen zelfstandige politieke eenheden, variërend van het duel van David en Goliath, dat in een minuut voorbij was, tot de Eerste Punische Oorlog, het grootste en langste conflict uit de Oudheid. Er zijn beslist overeenkomsten en antieke oorlogen zijn vergelijkbaar met bewapende conflicten in andere samenlevingen of tijdperken.

Alles is vergelijkbaar? Ook niet waar

We moeten echter uitkijken dat we nu niet de tegengestelde fout maken. We kunnen niet zomaar zeggen “oorlog is oorlog”. De genoemde geweldsuitbarstingen zijn immers nogal divers van aard. Een ander voorbeeld is “huwelijk”. Polygamie, opvattingen over de vraag vanaf welke verwantschapsgraad iemand met een familielid mag trouwen, de exclusiviteit van het huwelijk voor partners van verschillend geslacht, het al dan niet samenwonen, de rechten van de betrokkenen, verschillende soorten huwelijken voor verschillende maatschappelijke standen, de duur, de overdracht van burgerrechten aan de volgende generatie: allemaal zaken waarover in verschillende culturen uiteenlopend wordt gedacht, en die het onmogelijk maken alle verbintenissen op één hoop te gooien. Is historisme een te gemakkelijke oplossing, “alles is vergelijkbaar” is dat ook. En neem van mij aan: je wil niet weten in hoeveel sociaalwetenschappelijke publicaties de auteurs nuances negeren die historici belangrijk vinden.

Even platvloers is het te zeggen dat je de vergelijkbaarheid van geval tot geval moet bekijken, want dat is een vrijbrief voor subjectiviteit. De ene onderzoeker kan te weinig complicaties zien, terwijl iemand anders er juist teveel kan bedenken.

Daar komt nog bij dat we redelijkerwijs van een wetenschapper mogen verwachten dat hij niet slechts een vergelijking maakt die resultaat oplevert, want resultaat is er altijd. Je kunt alles met resultaat vergelijken, zelfs appels en peren. Waar het om gaat is dat de oudheidkundige de vergelijking onderzoekt die de meeste resultaten oplevert. De onderzoeker die zich bezighoudt met de landbouw in Romeins Italië, kan vergelijkingen maken met het zeventiende-eeuwse Koninkrijk Napels en resultaat boeken, maar als er méér resultaat zou zijn geboekt door te kijken in rabbijnse traktaten over het middeleeuwse Apulië, mogen we ons afvragen waarom zo iemand het Koninkrijk Napels erbij heeft gehaald.

Vergelijkingstheorie

Om de vergelijkbaarheid controleerbaar te houden, hebben de sociale wetenschappen in de twintigste eeuw een instrumentarium ontwikkeld waarmee ze enerzijds vermijden dat ze zaken vergelijkbaar achten die dat niet zijn, en anderzijds verhinderen dat ze zaken als onvergelijkbaar beschouwen die dat wel zijn. Enkele eerste voorbeelden in deze tabel:

(klik=groot)

Dit is grofmazig, zeker, maar het is een begin en oudheidkundigen hebben belang bij deze conceptuele duidelijkheid. Wie te weinig data heeft, moet de houdbaarheid van z’n reconstructie onvermijdelijk toetsen aan de hand van vergelijking met andere samenlevingen, en als je niet weet welke vergelijking aanvaardbaar is, is de kans op vergissingen levensgroot. Je wint niets als je Donald Trump vergelijkt met Caligula, of de val van Rome met de bestorming van het Capitool. Dat de oude Grieken zowel zijn vergeleken met nobele wilden als met mensapen, en tevens zijn opgevat als “mensen zoals wij, maar gekleed in lakens”, moet te denken geven: er is domweg niet voldoende nagedacht over wat waarmee vergelijkbaar is.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#antiekeCultuur #einfühlen #EntemenaVanLagash #grotemannengeschiedenis #hermeneutiek #historisme #JohannGustavDroysen #Lagash #positivisme #socialeWetenschappen #vergelijkingstheorie #wetenschappelijkeDisciplines #wetmatigeVerklaringsmodel

Historisme en grotemannengeschiedenis

Sommige oudheidkundigen willen de grotemannengeschiedenis almaar niet achter zich laten.

Het lijkt een tautologie: we zijn wie we zijn geworden. Desondanks is het geen zinledige bewering. Wie we zijn, hangt immers af van gemaakte keuzes. Omdat die ook anders hadden kunnen uitvallen, zijn “wat als?”-vragen, zelfs al zijn ze zelden echt te beantwoorden, zo fascinerend en belangrijk. Het zijn, curieus geformuleerd, de vragen naar het waarom van ons hoe. Zulke vragen zijn vaak verondersteld als we betekenis toekennen aan het verleden. Toen ik vorige week aangaf dat de Siciliaanse Vespers betekenden dat kalief Qalawun de laatste burchten van de Kruisvaarders kon veroveren, veronderstelde ik dat het ook anders had kunnen lopen.

Historisme

In de negentiende eeuw waren veel historici ervan overtuigd dat alles en iedereen een eigen, unieke karakter had, bepaald door een al even unieke reeks voorafgaande gebeurtenissen. Hierdoor waren alle mensen en alle volken, staten, klassen, rangen en standen anders. Je kon ze, zo vonden de historici, daarom pas echt kennen als je hun ontstaansgeschiedenis kende. Dat alle gebeurtenissen en alle mensen een onvergelijkbaar, door hun geschiedenis bepaald karakter hadden, is één van de betekenissen van het woord “historisme”.

Dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft, leidt tot twee conclusies. De eerste daarvan is dat er geen speciaal belangrijke perioden in de geschiedenis zijn. De Griekse archaïsche tijd was even belangrijk als de klassieke en de hellenistische, Rome was even belangrijk als Griekenland, de Semitische volken waren even belangrijk als de Grieken en de Romeinen, de Oudheid was even belangrijk als de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd.

Niet erklären maar verstehen

De tweede gevolgtrekking is lastiger en ik zal haar volgende week maandag in mijn wekelijkse theorieblogje dan ook tegenspreken. Maar voor het moment: als alle verschijnselen uniek zijn, kun je het verleden nooit vanuit algemeen geldige wetmatigheden verklaren. Al die unieke evenementen, klassen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar kozen voor de hermeneutiek, die zo het algemene verklaringsmodel werd van de geesteswetenschappen.

(Tussen haakjes: de processuele archeologen van de jaren zestig, zeventig hebben geprobeerd hiervan terug te komen, en benadrukten wetmatige verklaringen, maar de postprocessuele archeologen kwamen daar weer van terug.)

Bij de hermeneutische verklaring verklaren we het verleden niet vanuit wetmatigheden, maar door ons in te leven (ein zu fühlen) in de mensen van weleer. Je kunt het empathie noemen of, zoals de Duitse taal het aanduidt: de historicus erklärt niet, maar leeft zich in en versteht. Geschiedenis lijkt dan uitsluitend te zijn gemaakt door individuen, en daarom stonden in de negentiende eeuw de “grote mannen” (zelden vrouwen) centraal. In het Engelse taalgebied, met zijn grootse traditie van biografieën, is dit eigenlijk nog altijd het geval.

(Tussen haakjes: het individu is archeologisch vanzelfsprekend slecht kenbaar. Dit is waarom de processuele archeologie er niet op wilde focussen. De postprocessuele archeologie erkende dat de archeologische verklaring toch een doorslaggevend element van empathisch einfühlen kende.)

Oudheidkunde en sociale wetenschappen

Op zich is er niets mis met deze onderwerpskeuze, maar de nadruk op uniciteit betekende ook dat in feite “nee” werd gezegd tegen samenwerking met de sociale wetenschappen, die in de negentiende eeuw ontstonden en voortbouwden op de achttiende-eeuwse hypothetische geschiedschrijving. Zoals we in eerdere blogs al zagen, behelsde die dat de mens was begonnen als wildeman en zich via barbarij had opgewerkt naar beschaving. Het bewijsmateriaal voor de oudste cultuurfasen in dit evolutionisme bestond uit observaties van primitieve samenlevingen, de eerste archeologische interpretaties en antieke bronnen: er was daarom alle reden tot samenwerking tussen oudheidkundigen en de eerste sociale wetenschappers. Maar de eerste sociale wetenschappers zochten naar algemene patronen en verklaringen, terwijl oudheidkundigen letten op individuen.

De sociale wetenschappen zouden – om ook eens een “wat als?”-redenering op te stellen – voordeel hebben gehad van de samenwerking. Een van de vroegste antropologische theorieën was namelijk het racisme, dat een geduchte concurrent was van het evolutionisme. Het centrale bewijsstuk was Tacitus’ Germania, een antiek traktaat over de wilde maar nobele Germanen, waarin de racisten al hun idealen verwoord zagen. Zouden de antropologen intensiever hebben samengewerkt met oudheidkundigen, dan zouden allerlei misinterpretaties van het werkje zijn verhinderd.

[Volgende week meer, want vanzelfsprekend zijn er wél algemene uitspraken mogelijk. Ik zal dan vertellen hoe historisme in zijn eigen staart beet. De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#DuitseTaal #einfühlen #empathie #grotemannengeschiedenis #hermeneutiek #historisme #hypothetischeGeschiedschrijving #positivisme #PubliusCorneliusTacitus #Qalawun #racisme #socialeWetenschappen #wetenschappelijkeDisciplines #wetmatigeVerklaringsmodel