Wie was Julius Caesar? (3)

Julius Caesar (Altes Museum, Berlijn)

[De reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” loopt ten einde. Het eerste deel van de slotevaluatie was hier.]

Individu en proces

Ik heb het verhaal van de Tweede Burgeroorlog verteld aan de hand van enkele individuen. Of beter: één “grote man” en een reeks bijfiguren. Voor deze vorm van grotemannengeschiedenis valt iets te zeggen. Je kunt er in elk geval 176 blogjes over schrijven en ik weet dat veel volgers van deze blog de nu ten einde lopende reeks hebben gewaardeerd.

Historici hebben echter lang gediscussieerd over de vraag of geschiedenis wordt gemaakt door individuen, “grote mannen” dus, of door processen en structuren. Uiteraard valt er voor allebei iets te zeggen en dat is ook nu het geval. De processen waarmee de monarchie zou ontstaan, bestonden al vóór Caesar. Niet dat de monarchie onvermijdelijk was, maar de processen liepen, om zo te zeggen, in een zekere richting.

Ceteris paribus zou de partij winnen met de meeste soldaten, en dat zou de partij zijn die het burgerrecht het kwistigst uitdeelde. En degene die won, zou een autocratie stichten: controlerende machten als de Volksvergadering en de Senaat waren dan immers gebroken. De nieuwe autocratie zou zijn gebaseerd op soldaten uit de provincie, en in die zin was de monarchie, met een woord van de Britse oudhistoricus Ronald Syme, de wraak van het imperium.

De Lex Roscia was beslissend. Daarmee kreeg Julius Caesar de meeste soldaten en daardoor behaalde hij de overwinning. Niet dat Caesar heeft geweten dat hij daarmee een beslissing nam over de toekomst van het Mediterrane wereldrijk. Voor hem was de Lex Roscia slechts een middel om een onmiddellijke militaire crisis op te lossen. Maar hij zette de stap.

Wie was Julius Caesar?

Tegelijkertijd: terwijl de processen deze kant op liepen, waren er momenten waarop individuele keuzes verschil maakten. Caesar had om het leven kunnen komen in Alexandrië. Het heeft er bij Munda om gespannen. En hij had ook de aanslag in Rome kunnen overleven. De monarchie zou dan op een andere manier zijn gegroeid.

Wat Caesars eigen rol was? Ik denk dat we die het meeste zien in zijn bestuursmaatregelen. Hij wilde kunnen besturen, was rusteloos in zijn wetgevende activiteit en was bereid tot hervormingen. Een Pompeius zou dat waarschijnlijk ook hebben gedaan – ook hij was een creatief bestuurder.

Vervalste munt uit 46 v.Chr.: bewijs voor de economische problemen (Münzkabinett, Dresden)

Uiteindelijk faalde Caesar. Het is een misverstand dat hij vrede schiep, want op het Iberische Schiereiland en in Syrië waren nog steeds verzetshaarden. De bevolking leed onder enorme fiscale en financiële problemen. Hij deed echter zijn best om een bestuursvorm te vinden die voor iedereen aanvaardbaar was. Daarbij nam de dictator enorme risico’s: hij ontsloeg zijn lijfwacht en weigerde, toen hij wist van de samenzwering, meer te doen dan te zeggen dat hij ervan wist. Zijn permanente dictatuur mocht niet berusten op een systeem van verklikkers en informanten.

Maar hij kon het wantrouwen niet wegnemen en hij werd vermoord. De misdaden waarmee hij zijn regime had gevestigd, waren niet vergeten en de republikeinse sentimenten waren te sterk. Veel van zijn hervormingen bleven staan, maar na de dood van de militaire potentaat resteerden alleen nog nieuwe burgeroorlogen.

[Er is nog één stukje over Julius Caesar, een coda. Een overzicht van de reeks #RealTimeCaesar is hier.]

#RealTimeCaesar #2069JaarGeleden #grotemannengeschiedenis #individuEnProces #JuliusCaesar #LexRoscia #monarchie #RonaldSyme #TweedeBurgeroorlog #volksvergadering

Interview Z.K.M. Claudius

Claudius (Valkhof, Nijmegen)

Het zal niemand zijn ontgaan dat het eergisteren tweeduizend jaar geleden was dat keizer Augustus overleed. Als oudhistoricus was ik uitgenodigd om de plechtigheden in Rome bij te wonen, en door een gelukkig toeval ontmoette ik daar een van de leden van het keizerlijk huis, Tiberius Claudius Nero Germanicus. De vierentwintigjarige prins zal vanaf heden een rol spelen in de cultus van de vergoddelijkte keizer. Ondanks zijn drukke bezigheden had hij tijd voor me.

Dank u wel voor de tijd die u voor me vrij hebt kunnen ma…

Geen dank, geen dank. Het is altijd een genoegen om hier in Rome een collega-historicus t-te ontmoeten. Zeker als hij afkomstig is uit een zo verre provincie als het Rijnland. Ik wist niet dat de Cananefaten al historici opleidden.

Ik studeerde aan de Universiteit van Matilo. Maar wat ik u wilde vra…

Universiteiten? Zijn jullie zo ver al? Dan zijn jullie al verder op weg naar de beschaving dan ik dacht. Ik moet daar rekening mee houden. Ik overweeg al een t-tijdje mijn oom T-Tiberius, die Augustus nu zal opvolgen, t-te adviseren het burgerrecht t-te geven aan nette Galliërs. Als er historici zijn benoorden de Alpen, zou men zeggen dat men inmiddels beschaafd genoeg is.

Dank u wel, maar wat ik …

Ik heb zelf het voorrecht gehad t-te mogen studeren bij T-Titus Livius. Met zijn hulp is mijn Geschiedenis van Karthago een alleszins aanvaardbaar product geworden. Waar schrijven jullie zoal geschiedenisboeken over?

Er is in onze landen momenteel veel te doen over uw grootvader, keizer Augustus.

Over Augustus? Wat een curieus onderwerp! Hoe besteed je daar aandacht aan?

Er zijn exposities in musea. Journalisten schrijven erover in de kranten. Een bekende Menapische politicus kreeg in Belgica alle ruimte om…

Ja ja, maar dat bedoelde ik niet. Ik meende dat historici en andere oudheidkundigen de grotemannengeschiedenis, die gaat over heersers, politiek en oorlogvoering, inmiddels wel achter zich hadden gelaten. Het is meer iets van de negentiende eeuw. Het verbaast me dat je t-terugvalt op een verouderde en weinig inspirerende visie op geschiedenis.

De organisato…

Val me niet in de rede, wil je? Enkele jaren geleden gaven de Germaanse leiders de historici en archeologen in hun land opdracht drie grote t-tentoonstellingen t-te organiseren over de slag in het T-Teutoburgerwoud. Onze collega’s hadden, t-terecht, bezwaar t-tegen die opdracht en organiseerden in plaats van grotemannenexposities t-tentoonstellingen over de wijze waarop de Romeinse en de Germaanse culturen al eerder vervlochten waren geraakt, in conflict kwamen …

Uw vader speelde een rol.

Ik zei dat je me niet in de rede moest vallen. Maar goed, je hebt wel gelijk. Mijn vader Drusus onderwierp Germanië t-tot aan de Weser en bereikte zelfs de Elbe. De slag in het T-Teutoburgerwoud was een grote klap voor het Romeinse Rijk, en de organisatoren van de t-tentoonstellingen ontkenden dat ook niet, maar ze t-toonden vooral hoe de culturen vervlochten bleven. Begrijpt je wat ik bedoel?

Ik bezocht die tentoonstellingen en ik …

Dan heb je dus begrepen wat de organisatoren deden. Ze hielden vast aan eigentijdse inzichten en zeiden in feite dat hun leiders de pot op konden met hun verouderde grotemannengeschiedenis. Het is geen goede manier om naar het verleden t-te kijken. Hoe zeiden die barbaren het ook alweer? O ja:

Es ist falsch die Varusschlacht als historischen Wendepunkt aufzufassen, wie dies geschichtswissenschaftlich Unkundige gerade in diesen T-Tagen wiederholt propagieren.

Ik zou hebben gedacht dat musea en journalisten inmiddels hadden begrepen dat grotemannengeschiedenis al een eeuw passé is, zeker nu het goede voorbeeld zo duidelijk is gegeven. Wat heb je zelf na je opleiding gedaan?

Ik schreef onder meer een boek over het leven in Rome en een boek over de ondergang van het Perzische Rijk. Ik rond net een boek af over de Joodse wereld.

Dan is er dus één Cananefaat …

Bataaf, met uw permissie.

… één Rijnlandse barbaar die het wel begrijpt. De ondergang van het Perzische Rijk, met dat spel van al die culturen, dát is een verhaal. Alexander de Grote, die daarbij een rol speelde, is dat niet. Want dan krijg je weer dat geneuzel over zijn homoseksualiteit of zijn relatie tot zijn moeder. Een boek over de Joodse wereld, dát is een t-thema. Over Jezus weten we nauwelijks voldoende om er een biografie aan t-te wijden.

Maar een grote man is een geschikte kapstok om een verhaal aan op te hangen. Je kunt er een groot publiek mee berei…

Je bereikt een groot publiek niet met grotemannengeschiedenis! Je bereikt een groot publiek door ze t-te vertellen hoe het vroeger was. Kijk eens naar de bezoekersaantallen van historische festivals en van dat museum bij jullie in Albaniana, kom, hoe heet het ook alweer…

Archeon?

Ja, precies, dat bedoel ik. Laat het dagelijks leven van vroeger de kapstok zijn waarmee je mensen t-trekt.

Maar het verleden, dus ook de incidentele grote man, helpt toch het heden verklaren?

Jazeker, maar je hoeft daar geen t-tweeduizend jaar voor t-terug t-te gaan. Het belang van mijn grootvader is echt minder dan de invloed van, ik noem eens wat, de door de Russen als vernedering ervaren ineenstorting van de Sovjet-Unie of de Amerikaanse invasie van Irak. Als je mensen het heden wil laten begrijpen, concentreer je dan dáárop en laat mijn grootvader met rust.

Dank voor uw uitleg. Ik had u eigenlijk willen vra…

Ik was nog niet klaar. Val me niet steeds in de rede. Concentreer je bij geschiedenis op het dagelijks leven om mensen nieuwsgierig t-te maken en beperk de bestudering van het verleden t-tot het relevantere deel ervan. Dat wil overigens niet zeggen dat je het verre verleden helemaal moet laten rusten. Concentreer je echter op de puzzel. Karthago en Etrurië

U verwijst naar uw eigen boeken?

Inderdaad. De Karthagers en Etrusken zijn een uitdagend onderwerp omdat er t-te weinig informatie over is. Het systematische nadenken over wat je t-te weinig weet is de grote waarde van de oude geschiedenis.

Ik begrijp wat u zegt.

Nou dat is dan al heel wat. Ik moet echter, denk ik, t-toch nog eens nadenken of ik mijn oom T-Tiberius zal adviseren het burgerrecht t-te verlenen aan de bewoners van T-Transalpina. Jullie mogen dan historici hebben, jullie lopen nog anderhalve eeuw achter de feiten aan met jullie grotemannengeschiedenis. Dat burgerrecht moet nog maar een generatie wachten.

Goed. Mijn t-tijd is op. Het spijt me, maar ik moet gaan. Ik heb nog wat dingen rond de uitvaart van mijn grootvader t-te regelen.

Ik begrijp het. Eén laatste vraag echter. Waarom…

Er schiet me t-trouwens ineens nog iets t-te binnen. Hebben jullie niet nog meer negentiende-eeuwse visies op geschiedenis? Ik heb me althans iets laten vertellen over een Bataafs Nationaal Historisch Museum.

[De geïnterviewde zou van 41 tot 54 regeren als keizer van het Romeinse Rijk.]

#Claudius #grotemannengeschiedenis

Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie

Vergelijkingstheorie helpt vaststellen wat deze vier koningen vergelijkbaar maakt.

Vandaag een blogje over een probleem waarmee de oudheidkundige disciplines kampen: de onvoldoende uitgewerkte vergelijkingstheorie. Vóór ik daarop inga, eerst even terug naar vorige week. Toen schreef ik over het historisme: het denkbeeld dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft. Dit maakt het op het eerste gezicht onmogelijk wetmatige verbanden aan te wijzen. Ik schreef:

Unieke evenementen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar lieten zich inspireren door de tekstuitleg, en dan vooral door de psychologiserende hermeneutiek.

Anders geformuleerd, oudheidkundigen probeerden het verleden te verklaren door zich in te leven (ein zu fühlen) in de individuele actoren, wat hand in hand ging met een voorkeur voor grotemannengeschiedenis. Het focus op het individu betekende dat er geen vruchtbare samenwerking kon ontstaan met de in de negentiende eeuw groeiende sociale wetenschappen, die immers zochten naar algemeen-menselijke patronen.

Dit is in de twintigste eeuw uiteraard veranderd. Zeker de oudhistorici en de archeologen hebben bruggen naar de sociale wetenschappen geslagen; voor de classici, met hun nadruk op auteurs, lag deze weg minder voor de hand.

Niets is vergelijkbaar? Kom nou zeg

Eén van de redenen om niet te veel waarde te hechten aan de opvatting dat alles uniek en onvergelijkbaar is, is, zoals ik al aankondigde, dat ze zichzelf in de staart bijt. We gebruiken woorden om het verleden te beschrijven, maar die impliceren altijd een vergelijking. Wie het woord “koning” gebruikt om bijvoorbeeld Echnaton te typeren, vergelijkt de farao impliciet met oorlogsleiders als Saul en Agamemnon, met imperialistische heersers als Aššurnasirpal II en Darius, met stadsvorsten als Servius Tullius van Rome en Leonidas van Sparta, en met stamhoofden als de Belg Ambiorix en de Germaan Arminius.

Dit bezwaar speelt ook bij begrippen als “handel”, “wet” en “oorlog”: de historist kan zulke woorden eigenlijk niet gebruiken, omdat hij daarmee vergelijkbare zaken oproept en dus de uniciteit van zijn onderwerpen ontkent. Dat is op zich niet erg – de oudheidkundige stuit voortdurend op complicaties waarvoor in feite geen oplossing bestaat – maar het roept wel twijfel op aan het historistische uitgangspunt.

Een tweede moeilijkheid doet zich voor wanneer de historist wil schrijven over zaken waarvan de mensen destijds geen weet konden hebben. Een voorbeeld hiervan levert de geschiedenis van het kanaal dat koning Entemena van Lagash, in het zuiden van Irak, rond 2400 v.Chr. liet graven. Ik kom daarop nog terug, maar voor het moment: de Sumerische koning wilde zijn stad voor de toevoer van zoet water onafhankelijk wilde maken van het vijandige Umma, liet een kanaal graven, maar richtte daarmee zijn koninkrijk feitelijk ten gronde doordat de bodem verziltte. Je kunt dit niet met einfühlen verklaren, want Entemena had nooit gehoord van verzilting. De historist die het verleden alleen einfühlenderwijs wenst te doorgronden, ontzegt zich inzicht in een belangrijk deel van de antieke cultuur.

Nu is ook nooit een oudheidkundige zo consequent geweest. Een Johann Gustav Droysen – ik schreef al eens over hem – erkende de complicaties. Weliswaar beschouwde hij het doorgronden van de mentaliteit van de mensen uit het verleden als het voornaamste doel van de historische belangstelling, maar hij zag in dat die psychologische duiding onmogelijk was zonder eerst de omstandigheden te hebben verkend waaronder de mensen destijds hun keuzes hadden moeten maken. Bij die fase van het onderzoek (de “uitleg van de voorwaarden”), keek de geschiedkundige naar zaken als het fysisch en sociaal milieu, de staatshuishouding en de technologie. Zaken dus waar je met einfühlen niet zo veel over kunt zeggen.

De moeilijkheden worden in één klap opgelost als we aannemen dat historische verschijnselen wél vergelijkbaar zijn. Geweld is in alle tijden de oplossing van degenen die de situatie niet langer meester zijn, en we kunnen het woord “oorlog” gebruiken voor elke vorm van geweld tussen zelfstandige politieke eenheden, variërend van het duel van David en Goliath, dat in een minuut voorbij was, tot de Eerste Punische Oorlog, het grootste en langste conflict uit de Oudheid. Er zijn beslist overeenkomsten en antieke oorlogen zijn vergelijkbaar met bewapende conflicten in andere samenlevingen of tijdperken.

Alles is vergelijkbaar? Ook niet waar

We moeten echter uitkijken dat we nu niet de tegengestelde fout maken. We kunnen niet zomaar zeggen “oorlog is oorlog”. De genoemde geweldsuitbarstingen zijn immers nogal divers van aard. Een ander voorbeeld is “huwelijk”. Polygamie, opvattingen over de vraag vanaf welke verwantschapsgraad iemand met een familielid mag trouwen, de exclusiviteit van het huwelijk voor partners van verschillend geslacht, het al dan niet samenwonen, de rechten van de betrokkenen, verschillende soorten huwelijken voor verschillende maatschappelijke standen, de duur, de overdracht van burgerrechten aan de volgende generatie: allemaal zaken waarover in verschillende culturen uiteenlopend wordt gedacht, en die het onmogelijk maken alle verbintenissen op één hoop te gooien. Is historisme een te gemakkelijke oplossing, “alles is vergelijkbaar” is dat ook. En neem van mij aan: je wil niet weten in hoeveel sociaalwetenschappelijke publicaties de auteurs nuances negeren die historici belangrijk vinden.

Even platvloers is het te zeggen dat je de vergelijkbaarheid van geval tot geval moet bekijken, want dat is een vrijbrief voor subjectiviteit. De ene onderzoeker kan te weinig complicaties zien, terwijl iemand anders er juist teveel kan bedenken.

Daar komt nog bij dat we redelijkerwijs van een wetenschapper mogen verwachten dat hij niet slechts een vergelijking maakt die resultaat oplevert, want resultaat is er altijd. Je kunt alles met resultaat vergelijken, zelfs appels en peren. Waar het om gaat is dat de oudheidkundige de vergelijking onderzoekt die de meeste resultaten oplevert. De onderzoeker die zich bezighoudt met de landbouw in Romeins Italië, kan vergelijkingen maken met het zeventiende-eeuwse Koninkrijk Napels en resultaat boeken, maar als er méér resultaat zou zijn geboekt door te kijken in rabbijnse traktaten over het middeleeuwse Apulië, mogen we ons afvragen waarom zo iemand het Koninkrijk Napels erbij heeft gehaald.

Vergelijkingstheorie

Om de vergelijkbaarheid controleerbaar te houden, hebben de sociale wetenschappen in de twintigste eeuw een instrumentarium ontwikkeld waarmee ze enerzijds vermijden dat ze zaken vergelijkbaar achten die dat niet zijn, en anderzijds verhinderen dat ze zaken als onvergelijkbaar beschouwen die dat wel zijn. Enkele eerste voorbeelden in deze tabel:

(klik=groot)

Dit is grofmazig, zeker, maar het is een begin en oudheidkundigen hebben belang bij deze conceptuele duidelijkheid. Wie te weinig data heeft, moet de houdbaarheid van z’n reconstructie onvermijdelijk toetsen aan de hand van vergelijking met andere samenlevingen, en als je niet weet welke vergelijking aanvaardbaar is, is de kans op vergissingen levensgroot. Je wint niets als je Donald Trump vergelijkt met Caligula, of de val van Rome met de bestorming van het Capitool. Dat de oude Grieken zowel zijn vergeleken met nobele wilden als met mensapen, en tevens zijn opgevat als “mensen zoals wij, maar gekleed in lakens”, moet te denken geven: er is domweg niet voldoende nagedacht over wat waarmee vergelijkbaar is.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#antiekeCultuur #einfühlen #EntemenaVanLagash #grotemannengeschiedenis #hermeneutiek #historisme #JohannGustavDroysen #Lagash #positivisme #socialeWetenschappen #technologie #vergelijkingstheorie #wetenschappelijkeDisciplines #wetmatigeVerklaringsmodel

Historisme en grotemannengeschiedenis

Sommige oudheidkundigen willen de grotemannengeschiedenis almaar niet achter zich laten.

Het lijkt een tautologie: we zijn wie we zijn geworden. Desondanks is het geen zinledige bewering. Wie we zijn, hangt immers af van gemaakte keuzes. Omdat die ook anders hadden kunnen uitvallen, zijn “wat als?”-vragen, zelfs al zijn ze zelden echt te beantwoorden, zo fascinerend en belangrijk. Het zijn, curieus geformuleerd, de vragen naar het waarom van ons hoe. Zulke vragen zijn vaak verondersteld als we betekenis toekennen aan het verleden. Toen ik vorige week aangaf dat de Siciliaanse Vespers betekenden dat kalief Qalawun de laatste burchten van de Kruisvaarders kon veroveren, veronderstelde ik dat het ook anders had kunnen lopen.

Historisme

In de negentiende eeuw waren veel historici ervan overtuigd dat alles en iedereen een eigen, unieke karakter had, bepaald door een al even unieke reeks voorafgaande gebeurtenissen. Hierdoor waren alle mensen en alle volken, staten, klassen, rangen en standen anders. Je kon ze, zo vonden de historici, daarom pas echt kennen als je hun ontstaansgeschiedenis kende. Dat alle gebeurtenissen en alle mensen een onvergelijkbaar, door hun geschiedenis bepaald karakter hadden, is één van de betekenissen van het woord “historisme”.

Dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft, leidt tot twee conclusies. De eerste daarvan is dat er geen speciaal belangrijke perioden in de geschiedenis zijn. De Griekse archaïsche tijd was even belangrijk als de klassieke en de hellenistische, Rome was even belangrijk als Griekenland, de Semitische volken waren even belangrijk als de Grieken en de Romeinen, de Oudheid was even belangrijk als de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd.

Niet erklären maar verstehen

De tweede gevolgtrekking is lastiger en ik zal haar volgende week maandag in mijn wekelijkse theorieblogje dan ook tegenspreken. Maar voor het moment: als alle verschijnselen uniek zijn, kun je het verleden nooit vanuit algemeen geldige wetmatigheden verklaren. Al die unieke evenementen, klassen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar kozen voor de hermeneutiek, die zo het algemene verklaringsmodel werd van de geesteswetenschappen.

(Tussen haakjes: de processuele archeologen van de jaren zestig, zeventig hebben geprobeerd hiervan terug te komen, en benadrukten wetmatige verklaringen, maar de postprocessuele archeologen kwamen daar weer van terug.)

Bij de hermeneutische verklaring verklaren we het verleden niet vanuit wetmatigheden, maar door ons in te leven (ein zu fühlen) in de mensen van weleer. Je kunt het empathie noemen of, zoals de Duitse taal het aanduidt: de historicus erklärt niet, maar leeft zich in en versteht. Geschiedenis lijkt dan uitsluitend te zijn gemaakt door individuen, en daarom stonden in de negentiende eeuw de “grote mannen” (zelden vrouwen) centraal. In het Engelse taalgebied, met zijn grootse traditie van biografieën, is dit eigenlijk nog altijd het geval.

(Tussen haakjes: het individu is archeologisch vanzelfsprekend slecht kenbaar. Dit is waarom de processuele archeologie er niet op wilde focussen. De postprocessuele archeologie erkende dat de archeologische verklaring toch een doorslaggevend element van empathisch einfühlen kende.)

Oudheidkunde en sociale wetenschappen

Op zich is er niets mis met deze onderwerpskeuze, maar de nadruk op uniciteit betekende ook dat in feite “nee” werd gezegd tegen samenwerking met de sociale wetenschappen, die in de negentiende eeuw ontstonden en voortbouwden op de achttiende-eeuwse hypothetische geschiedschrijving. Zoals we in eerdere blogs al zagen, behelsde die dat de mens was begonnen als wildeman en zich via barbarij had opgewerkt naar beschaving. Het bewijsmateriaal voor de oudste cultuurfasen in dit evolutionisme bestond uit observaties van primitieve samenlevingen, de eerste archeologische interpretaties en antieke bronnen: er was daarom alle reden tot samenwerking tussen oudheidkundigen en de eerste sociale wetenschappers. Maar de eerste sociale wetenschappers zochten naar algemene patronen en verklaringen, terwijl oudheidkundigen letten op individuen.

De sociale wetenschappen zouden – om ook eens een “wat als?”-redenering op te stellen – voordeel hebben gehad van de samenwerking. Een van de vroegste antropologische theorieën was namelijk het racisme, dat een geduchte concurrent was van het evolutionisme. Het centrale bewijsstuk was Tacitus’ Germania, een antiek traktaat over de wilde maar nobele Germanen, waarin de racisten al hun idealen verwoord zagen. Zouden de antropologen intensiever hebben samengewerkt met oudheidkundigen, dan zouden allerlei misinterpretaties van het werkje zijn verhinderd.

[Volgende week meer, want vanzelfsprekend zijn er wél algemene uitspraken mogelijk. Ik zal dan vertellen hoe historisme in zijn eigen staart beet. De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#DuitseTaal #einfühlen #empathie #grotemannengeschiedenis #hermeneutiek #historisme #hypothetischeGeschiedschrijving #positivisme #PubliusCorneliusTacitus #Qalawun #racisme #socialeWetenschappen #wetenschappelijkeDisciplines #wetmatigeVerklaringsmodel