Historisme en grotemannengeschiedenis
Sommige oudheidkundigen willen de grotemannengeschiedenis almaar niet achter zich laten.Het lijkt een tautologie: we zijn wie we zijn geworden. Desondanks is het geen zinledige bewering. Wie we zijn, hangt immers af van gemaakte keuzes. Omdat die ook anders hadden kunnen uitvallen, zijn “wat als?”-vragen, zelfs al zijn ze zelden echt te beantwoorden, zo fascinerend en belangrijk. Het zijn, curieus geformuleerd, de vragen naar het waarom van ons hoe. Zulke vragen zijn vaak verondersteld als we betekenis toekennen aan het verleden. Toen ik vorige week aangaf dat de Siciliaanse Vespers betekenden dat kalief Qalawun de laatste burchten van de Kruisvaarders kon veroveren, veronderstelde ik dat het ook anders had kunnen lopen.
Historisme
In de negentiende eeuw waren veel historici ervan overtuigd dat alles en iedereen een eigen, unieke karakter had, bepaald door een al even unieke reeks voorafgaande gebeurtenissen. Hierdoor waren alle mensen en alle volken, staten, klassen, rangen en standen anders. Je kon ze, zo vonden de historici, daarom pas echt kennen als je hun ontstaansgeschiedenis kende. Dat alle gebeurtenissen en alle mensen een onvergelijkbaar, door hun geschiedenis bepaald karakter hadden, is één van de betekenissen van het woord “historisme”.
Dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft, leidt tot twee conclusies. De eerste daarvan is dat er geen speciaal belangrijke perioden in de geschiedenis zijn. De Griekse archaïsche tijd was even belangrijk als de klassieke en de hellenistische, Rome was even belangrijk als Griekenland, de Semitische volken waren even belangrijk als de Grieken en de Romeinen, de Oudheid was even belangrijk als de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd.
Niet erklären maar verstehen
De tweede gevolgtrekking is lastiger en ik zal haar volgende week maandag in mijn wekelijkse theorieblogje dan ook tegenspreken. Maar voor het moment: als alle verschijnselen uniek zijn, kun je het verleden nooit vanuit algemeen geldige wetmatigheden verklaren. Al die unieke evenementen, klassen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar kozen voor de hermeneutiek, die zo het algemene verklaringsmodel werd van de geesteswetenschappen.
(Tussen haakjes: de processuele archeologen van de jaren zestig, zeventig hebben geprobeerd hiervan terug te komen, en benadrukten wetmatige verklaringen, maar de postprocessuele archeologen kwamen daar weer van terug.)
Bij de hermeneutische verklaring verklaren we het verleden niet vanuit wetmatigheden, maar door ons in te leven (ein zu fühlen) in de mensen van weleer. Je kunt het empathie noemen of, zoals de Duitse taal het aanduidt: de historicus erklärt niet, maar leeft zich in en versteht. Geschiedenis lijkt dan uitsluitend te zijn gemaakt door individuen, en daarom stonden in de negentiende eeuw de “grote mannen” (zelden vrouwen) centraal. In het Engelse taalgebied, met zijn grootse traditie van biografieën, is dit eigenlijk nog altijd het geval.
(Tussen haakjes: het individu is archeologisch vanzelfsprekend slecht kenbaar. Dit is waarom de processuele archeologie er niet op wilde focussen. De postprocessuele archeologie erkende dat de archeologische verklaring toch een doorslaggevend element van empathisch einfühlen kende.)
Oudheidkunde en sociale wetenschappen
Op zich is er niets mis met deze onderwerpskeuze, maar de nadruk op uniciteit betekende ook dat in feite “nee” werd gezegd tegen samenwerking met de sociale wetenschappen, die in de negentiende eeuw ontstonden en voortbouwden op de achttiende-eeuwse hypothetische geschiedschrijving. Zoals we in eerdere blogs al zagen, behelsde die dat de mens was begonnen als wildeman en zich via barbarij had opgewerkt naar beschaving. Het bewijsmateriaal voor de oudste cultuurfasen in dit evolutionisme bestond uit observaties van primitieve samenlevingen, de eerste archeologische interpretaties en antieke bronnen: er was daarom alle reden tot samenwerking tussen oudheidkundigen en de eerste sociale wetenschappers. Maar de eerste sociale wetenschappers zochten naar algemene patronen en verklaringen, terwijl oudheidkundigen letten op individuen.
De sociale wetenschappen zouden – om ook eens een “wat als?”-redenering op te stellen – voordeel hebben gehad van de samenwerking. Een van de vroegste antropologische theorieën was namelijk het racisme, dat een geduchte concurrent was van het evolutionisme. Het centrale bewijsstuk was Tacitus’ Germania, een antiek traktaat over de wilde maar nobele Germanen, waarin de racisten al hun idealen verwoord zagen. Zouden de antropologen intensiever hebben samengewerkt met oudheidkundigen, dan zouden allerlei misinterpretaties van het werkje zijn verhinderd.
[Volgende week meer, want vanzelfsprekend zijn er wél algemene uitspraken mogelijk. Ik zal dan vertellen hoe historisme in zijn eigen staart beet. De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]
#DuitseTaal #einfühlen #empathie #grotemannengeschiedenis #hermeneutiek #historisme #hypothetischeGeschiedschrijving #positivisme #PubliusCorneliusTacitus #Qalawun #racisme #socialeWetenschappen #wetenschappelijkeDisciplines #wetmatigeVerklaringsmodel
