On Feb 18, 2010: Bibliothèque nationale de France purchases the memoirs of #GiacomoCasanova a for €7 million.

Не існує жінки у світі ...
Джакомо Казанова

Non c’è donna al mondo ...
Giacomo Casanova
https://buymeacoffee.com/valdeloir/ragupopiku

#кохання #жінка #чоловік #пристрасть #ДжакомоКазанова
#love #woman #man #passion #GiacomoCasanova

Literarischer #4Juni

„Die Tochter des Neides ist die Verleumdung.“

#GiacomoCasanova #Memoiren Tod 1798

300 anni dalla nascita. E quale modo migliore per ricordare un personaggio protagonista di decine di #film se non una trasmissione #Radio? Techetè racconta #GiacomoCasanova | #RaiPlay Sound https://www.raiplaysound.it/audio/2025/03/Radio-Techete-racconta-del-26032025-Giacomo-Casanova-299880c9-2fa6-4bda-ae16-7bf05fba3525.html #libri
Radio Techetè racconta... | Giacomo Casanova | Rai Radio Techetè | RaiPlay Sound

Giacomo Casanova - Radio Techetè racconta... - Diretta del 26 marzo 2025, condotta da Silvana Matarazzo, dedicata a Giacomo Casanova nel tricentenario della nascita. Il professor Antonio Trampus, ordinario di Storia moderna all'Università Ca' Foscari di Venezia e coordinatore delle celebrazioni cafoscarine dedicate al celebre avventuriero, ripercorre la vita e le opere di un grande protagonista del Settecento

RaiPlaySound

Cornelis de Bruijn (2) Rome

Handtekeningen van kunstenaars uit de Lage Landen in de Santa Costanza; de handtekening van Cornelis de Bruijn ontbreekt

Dit is het tweede van dertien stukjes over Cornelis de Bruijn. Het eerste was hier.

***

Op reis

Ik eindigde mijn vorige stukje met de opmerking dat Cornelis de Bruijn Holland had verlaten. Op 1 oktober 1674 was hij met zijn collega Pieter van der Hulst (1651-1727) Nederland afgereisd naar Italië. Omdat de Guerre de Hollande nog steeds voortduurde, konden ze niet de weg langs de Rijn nemen, maar moesten ze een omweg maken. Ze bezochten dus eerst Leipzig en Wenen, en waren op de feestdag van Sint-Nikolaas, 6 december dus, in Venetië.

Hoe financierde De Bruijn zijn reis? Dit is een onopgelost raadsel. Mogelijk heeft hij geld gespaard en had hij rijke vrienden, maar er zijn geen aanwijzingen dat zij de reis hebben betaald. Ook stond hij niet op de loonlijst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). We weten dat de kunstenaar tekeningen verkocht en bijverdiende met het schilderen van portretten, maar het is onduidelijk of dit voldoende was. Nog verrassender is dat hij bij terugkeer een fortuin bezat, dat hij zou investeren in de publicatie van zijn reisverslag, Reizen door de vermaardste Deelen van Klein Azië.

Misschien had De Bruijn, net als die andere beroemde reiziger, Giacomo Casanova (1725-1798), soms een bijbaantje als inlichtingenagent. Zulke opdrachten werden goed betaald en waren niet ongebruikelijk; het was ook geen echte spionage, het was slechts het verzamelen van informatie in het buitenland. Redelijk onschuldig dus, maar toch was het beter er niet te veel over te praten. (Casanova noemt enkele van zijn opdrachten, maar heeft er meer gehad, waarover hij zwijgt.) De aanname dat hij weleens inlichtingen verzamelde, verklaart enkele lacunes in De Bruijns boeken, zoals zijn teleurstellende beschrijving van Constantinopel, zijn bezoek aan de havenstad Livorno, waar voor een schilder niets viel te beleven, het opvallend warme welkom in Smyrna en – vooral – zijn goede contacten met hovelingen van Willem III.

Heilig Jaar

Vanuit Venetië vervolgden De Bruijn en Van der Hulst hun weg naar Florence. Ze bereikten Rome vlak voor Kerstmis, net op tijd om er getuige van te zijn dat paus Clemens X het begin vierde van het Heilig Jaar 1675. Volgens De Bruijn was dat feest een van de redenen voor zijn grand tour. Dat is opnieuw vreemd, want hij was lutheraan en niet katholiek. Hoe het ook zij, de jonge kunstenaar was onder de indruk van de ceremonie en was er trots op dat hij een fragmentje van de Porta Sancta had bemachtigd, de stenen deur van de Sint-Pieter die tijdens een Heilig Jaar wordt verwijderd.

Rome

De Bruijn hield van Rome. Hij zou er tweeënhalf jaar blijven. En niet als enige. Veel kunstenaars brachten enige tijd door in het aloude artistieke centrum, maar ze konden als buitenlanders niet zomaar lid worden van een Romeins gilde, terwijl niet-katholieken zich niet mochten aansluiten bij de Accademia di San Luca.

Toch waren er verenigingen waarin buitenlandse schilders elkaar ontmoetten. De Nederlandse club, bekend als de Bentvueghels, was een van de meest beruchte. De leden verzamelden zich in de kerk van Santa Costanza, die ze beschouwden als de oude tempel van Bacchus, de god van de wijn. De decoratie vol wijnranken en druiven plukkende eroten gaf daar ook wel aanleiding toe, hoewel het in feite een oud mausoleum was. In elk geval deden de kunstenaars daar wat je verwacht van vereerders van Bacchus. Op de muren zie je nog steeds de pseudoniemen van de bohemiens, maar Adonis en Zonnebloem (De Bruijn en Van der Hulst) staan er niet bij.

Rome, Santa Costanza

Reisverslag

Toch weten we dat ze zijn ingehuldigd en is De Bruijns beschrijving van zijn “doop” een van de belangrijkste bronnen voor de geschiedenis van de Bentvueghels.

Het is wonderlijk dat hij in dit deel van zijn reisverslag wel ingaat op verschillende soorten wijn, maar weinig heeft te zeggen over het artistieke klimaat van Rome. Ook heeft hij geen illustraties van de stad opgenomen in zijn boek. Weinig woorden over het conclaaf van 1676, waarbij Innocentius XI werd gekozen. We weten niet waar De Bruijn woonde, hoe hij voorzag in zijn levensonderhoud, waarom hij ruzie kreeg met Van der Hulst. Kortom, zijn beschrijving van zijn verblijf in Rome is weinig informatief. Misschien had hij iets te verbergen, maar waarschijnlijker is dat de jongeman gewoon genoot van het leven.

Naar het oosten

In april 1677 verliet De Bruijn, inmiddels ongeveer vijfentwintig jaar oud, Rome. Hij bezocht Napels (met opnieuw vinologisch commentaar), keerde terug naar Rome, nam afscheid van de Bentvueghels en bereikte in juni Livorno.

Dit is een van de grootste mysteries van zijn reis. Hij had zich kunnen vestigen in een belangrijk artistiek centrum als Florence, Lucca, Pisa of Siena, maar hij bleef een jaar in wat misschien wel de saaiste stad van Italië is. Een mogelijke verklaring is spionage: Livorno was de beste plek in Italië om bewegingen van de Franse marine te observeren. Hoewel de vredesonderhandelingen waren begonnen, waren Frankrijk en de Republiek nog steeds in oorlog. De Tyrrheense Zee was een van de resterende krijgstonelen.

De Bruijns schets van de Stromboli

In het voorjaar van 1678 besloot Cornelis de Bruijn de Griekse en Turkse steden aan de Egeïsche Zee te bezoeken en ging aan boord van een schip naar het oosten. Via de uitbarstende Stromboli en door de Straat van Messina bereikte hij de Ionische Zee. Observaties over Skylla en Charybdis ontbreken in het reisverslag niet. Na korte stops op Kythera, Melos, Delos en Chios kwam hij op 18 juli aan in Smyrna.

Wordt vervolgd.

#Bentvueghels #ClemensX #CornelisDeBruijn #Florence #GiacomoCasanova #grandTour #GuerreDeHollande #HeiligJaar #InnocentiusXI #IonischeZee #Italië #Izmir #Leipzig #Livorno #Napels #PieterVanDerHulst #ReizenDoorDeVermaardsteDeelenVanKleinAsia #Rome #SintPietersbasiliek #Smyrna #StadhouderKoningWillemIII #Stromboli #VOC #Venetië #VerenigdeOostIndischeCompagnie #Wenen

Literarischer #4Juni

„Einen Dummkopf betrügen heißt, den Verstand rächen.“

#GiacomoCasanova #Memoiren Tod 1798

Liberarsi dal “giogo dei ruoli”

di Paolo Lago S. Chemotti, M. Coglitore, Il giogo dei ruoli, Il Poligrafo, Padova, 2021, [...]

Carmilla on line
Whether it is happy or unhappy, a man's life is the only treasure he can ever possess
#GiacomoCasanova

Het innerlijke uurwerk

Hoe de zomertijd mijn slaapritme verstoorde

In de laatste jaren van de vorige eeuw werkte ik in Rijswijk. Dat was nog niet zo gemakkelijk, want ik woon in Amsterdam. Ik moest onzalig vroeg opstaan, kwam moe aan op kantoor, had sloten koffie nodig om de dag door te komen en kreeg weinig werk gedaan. Mijn collega’s waren allemaal stukken efficiënter. Dan volgde de treinrit naar huis, maar als ik daar eenmaal was, blaakte ik ineens van energie, tot ik om twee uur ’s nachts naar bed ging. Om kwart voor zeven ging de wekker weer, waarna de cyclus opnieuw begon. Ik was eeuwig moe. Alleen op zaterdag en zondag, als ik kon uitslapen tot een uur of twaalf, voelde ik me redelijk fit.

Wat ik destijds niet wist, was dat mijn biologische klok later loopt dan die van de ideale kantoormedewerker, die de meeste energie heeft tussen negen en vijf. Ik heb mezelf vaak mijn egoïsme verweten – waarom kon ik voor mijn collega’s niet evenveel energie opbrengen als voor mijn werk ’s avonds? – en gedacht dat ik lui was. Pas een paar jaar geleden ontdekte ik dat mijn Delayed Sleep Phase Syndrome genetisch bepaald is, en dat het niets heeft te maken met egoïsme of gebrek aan wilskracht. Dat zijn moralistische praatjes.

Het onlangs verschenen boek Het innerlijke uurwerk van Till Roenneberg gaat over biologische klokken. Het gaat over ochtend- en avondmensen, het gaat over de oorzaken van de verschillen, het gaat over de praktische gevolgen, het gaat over vooroordelen en het gaat over het onderzoek.

Het innerlijke uurwerk is beslist interessant, maar zou voordeel hebben gehad van een tekstredacteur. Vaak neemt Roenneberg wat veel ruimte om een betrekkelijk simpel punt te illustreren, terwijl in het veertiende hoofdstuk, naar mijn stellige overtuiging, iets wordt aangenomen dat niet is uitgelegd, en dat ik, ondanks vier keer lezen, niet begreep. Elk hoofdstuk begint bovendien met een te uitgebreid, niet altijd heel prettig beschreven voorbeeld. Ergens halverwege besloot ik die intro’s niet langer te lezen, en ik heb niet het idee dat ik er erg veel mee heb gemist.

Daar staat heel veel goeds tegenover. Om te beginnen dat Roenneberg niet slechts de feiten biedt, maar de lezers laat delen in het eigenlijke onderzoek. Hij beschrijft eerst dat er verschillende dag- en nachtritmes (“chronotypes”) bestaan. Het is de lezer al snel duidelijk dat er evenveel slaapritmes zijn als slapers. Je hebt mensen die met veel en weinig slaap toe kunnen en je hebt mensen die laat en vroeg in slaap vallen. Sommige mensen hebben innerlijke dagen van vierentwintig uur, maar er zijn ook mensen die neigen naar vijfentwintig uur – mensen dus die elke nacht een uurtje later in slaap zouden vallen als dat dagritme niet wordt gecorrigeerd met een innerlijk timersysteem, dat van persoon tot persoon kan verschillen, en helaas niet per se synchroon loopt met andere lichaamsfuncties.

Die pluriformiteit kan alleen worden bestudeerd door van duizenden en duizenden mensen de gegevens te verzamelen, en Roenneberg vertelt leuk hoe men aan de gegevens komt. Zelfs archieven uit de achttiende eeuw kunnen bruikbare informatie opleveren. Ik moest ineens denken aan Casanova, die een tijd beschrijft waarin het blijkbaar normaal was om al om zeven uur in de ochtend bij elkaar op visite te gaan. Ik weet nu dat dat kon doordat mensen toen nog niet leefden in grote steden, waar mensen minder licht krijgen en hun biologische klok minder goed kunnen ijken. Ze leefden destijds inderdaad wat vroeger dan nu.

Er staat veel verrassends in Het innerlijke uurwerk. Ik wist niet dat mensen naast de staafjes en kegeltjes in het oog nog een derde lichtreceptor hebben, een groep zenuwcellen die bekendstaat als de suprachiasmatische nucleus (een jargonterm die Roenneberg overigens maar één keer laat vallen) en die gevoelig is voor genetische mutaties. Als je een hamster met een te snelle biologische klok kruist met nog zo’n hamster, kun je hamsters kweken met een supersnelle klok. En dat geldt niet alleen voor hamsters: Roenneberg heeft een schitterend voorbeeld van een familie waarin een tak kampt met ASPS, het Advanced Sleep Phase Syndrome.

Ik vond het aardig te lezen dat chronotypes variëren met de leeftijd. Pubers leven extreem laat, en meer dan eens wijst Roenneberg erop dat het veel verstandiger zou zijn als kinderen later naar school zouden gaan. Dat leraren al om half negen kunnen beginnen, wil nog niet zeggen dat leerlingen op dat moment al openstaan voor nieuwe informatie. Roenneberg deed me in de lach schieten met de suggestie dat het nut van discotheken is dat mensen met een laat chronotype zo gescheiden zijn van ochtendmensen.

Als we wat ouder worden, gaan we meestal wat vroeger leven, terwijl vrouwen altijd een wat vroeger chronotype hebben dan mannen. Slechts half in scherts oppert Roenneberg dat dit verklaart waarom in zoveel huwelijken de man wat ouder is dan de vrouw: alleen dan hebben ze ruwweg hetzelfde tijdritme.

Tijdzones, de wisseling van winter- en zomertijd, ploegendiensten en jetlags komen aan bod, maar ook de “sociale jetlag”: dat je, zoals ik aan het begin van dit stukje beschreef, vroeger moet werken dan je uit jezelf zou doen, en daarom het weekend nodig hebt om slaap in te halen. Zo’n 60% van de werknemers kampt hiermee, en dat wil dus zeggen dat onze arbeidsproductiviteit vrij eenvoudig valt te verhogen door mensen in staat te stellen ook iets later op de dag te werken.

Wie zich mocht afvragen hoe ernstig deze problematiek is, kan op verschillende plaatsen in Het innerlijke uurwerk aanwijzingen vinden, hoewel Roenneberg niet speciaal zijn best doet zijn onderwerp in apocalyptische termen te typeren. Toch is er wel enige reden tot verontrusting. Mensen met een ernstige sociale jetlag ervaren meer stress en roken bovengemiddeld veel. Over obesitas heeft Roenneberg het niet, maar hij wijst er wel op dat het niet goed is dat de meeste mensen niet eten (en verteren) op de momenten waarop dat biologisch voor hen het beste zou zijn.

Ronduit beklemmend is de vicieuze cirkel die Roenneberg tegen het einde van het boek beschrijft. Het moderne werkritme, met kantoortijden van negen tot vijf, past bij een bepaald chronotype. De mensen die dat hebben, functioneren goed, maken promotie en worden bestuurders. Dit zijn mensen die nooit een sociale jetlag hebben ervaren, de ernst niet erkennen en geen maatregelen nemen. Roenneberg vergelijkt het met het feit dat zoveel openbare gebouwen pas laat in de twintigste eeuw toegankelijk werden gemaakt voor mensen die slecht ter been zijn: de meeste beleidsmakers kunnen immers goed lopen.

Mijn conclusie is hier dat de westerse wereld, door vast te houden aan een vroeg arbeidsritme, zichzelf afschuwelijk in de voet aan het schieten is. Potentieel talent blijft onderbenut en mensen lopen nodeloze gezondheidsrisico’s. Het zou interessant zijn te weten of er een verband is tussen chronotype en verkeersongelukken in de ochtend- en avondspits.

Kortom, een boek dat weliswaar wat taai is (en een register had moeten hebben), maar zeer aanbevolen.

Mijn boek over Libanon is verschenen. De opbrengst is geoormerkt voor Cordaid Libanon.

PS: u kunt deze blog volgen via het Whatsapp-kanaal.

Deel dit:

#biologischeKlok #chronobiologie #DSPS_ #DelayedSleepPhaseSyndrome #GiacomoCasanova #HetInnerlijkeUurwerk #klok #Roenneberg #slaap #slaapstoornis