𝑳𝒂 𝑨𝒕𝒍𝒂́𝒏𝒕𝒊𝒅𝒂: 𝒆𝒏𝒕𝒓𝒆 𝒇𝒊𝒍𝒐𝒔𝒐𝒇𝒊́𝒂, 𝒎𝒊𝒕𝒐 𝒚 𝒂𝒓𝒒𝒖𝒆𝒐𝒍𝒐𝒈𝒊́𝒂  

La historia de la Atlantis es uno de los relatos más famosos y debatidos de la antigüedad.
Durante siglos ha sido presentada como una civilización perdida extremadamente avanzada, destruida en una sola noche por un cataclismo.
Sin embargo, cuando se revisan las fuentes históricas con calma, la historia resulta bastante más matizada.

Todo lo que sabemos sobre la Atlántida procede de un solo autor: el filósofo griego Platón.
La menciona en dos de sus diálogos, Timeo y Critias, escritos en el siglo IV a.C.
En esos textos describe una poderosa isla situada más allá de las Columnas de Hércules, es decir, en el océano Atlántico.
Según el relato, era una sociedad rica, organizada y técnicamente avanzada que terminó cayendo por su ambición y orgullo.

Platón cuenta que la capital estaba formada por anillos concéntricos de tierra y agua conectados por canales, puentes y puertos.
También menciona templos monumentales, sistemas hidráulicos complejos y un metal brillante llamado oricalco, que sería el segundo más valioso después del oro.
Para los griegos de su época, esa descripción ya representaba una ingeniería extraordinaria.

En la narración, la Atlántida fue originalmente un reino próspero gobernado por descendientes del dios Poseidón.
Con el paso del tiempo, según Platón, los gobernantes se volvieron arrogantes y comenzaron a conquistar otros territorios.
Ese orgullo —lo que los griegos llamaban hubris— provocó el castigo divino.
Finalmente, en “un solo día y una noche”, terremotos y maremotos hicieron que la isla desapareciera bajo el mar.

Ahora bien, desde el punto de vista histórico hay un detalle importante: no existe ninguna fuente anterior o independiente que confirme la existencia de la Atlántida.
Ni egipcios, ni fenicios, ni otros autores griegos mencionan una civilización así.
Por ese motivo, la mayoría de historiadores considera que Platón utilizó la historia como una alegoría política y moral, una forma de advertir sobre los peligros del poder, la corrupción y la arrogancia de los imperios.

Eso no significa que el relato surgiera de la nada.
Muchos investigadores creen que Platón pudo inspirarse en hechos reales.
Uno de los candidatos más citados es la enorme erupción volcánica que destruyó parte de la isla de Santorini alrededor del 1600 a.C.
Aquella explosión arrasó la civilización minoica y provocó tsunamis que devastaron el mar Egeo.
Para los pueblos antiguos, una catástrofe así pudo convertirse con el tiempo en una historia sobre una civilización que desapareció de golpe.

Otra teoría apunta a la antigua civilización de Tartessos, situada en el sur de la península ibérica, cerca de la actual zona de Doñana.
Los griegos describían Tartessos como un lugar extremadamente rico en metales, especialmente plata y oro.
Además, estudios geológicos han confirmado que la costa atlántica andaluza sufrió grandes tsunamis en la antigüedad, lo que podría haber destruido asentamientos costeros importantes.

También existen teorías más especulativas que sitúan la Atlántida en lugares como la Estructura de Richat en el Sáhara, en el Caribe o incluso bajo el hielo de la Antártida.
Sin embargo, hasta ahora ninguna de estas hipótesis ha encontrado pruebas arqueológicas concluyentes.
A veces se citan hallazgos como lingotes de oricalco hallados cerca de Gela o el Mecanismo de Anticitera, pero ninguno demuestra la existencia de esa civilización.

En resumen, el consenso académico actual es bastante claro: la Atlántida de Platón probablemente no fue una ciudad real, sino una historia filosófica construida para transmitir una advertencia sobre el poder y la decadencia de las civilizaciones.
Aun así, el relato pudo inspirarse en catástrofes reales y en culturas antiguas que desaparecieron o cambiaron con el tiempo.

Quizá por eso el mito sigue fascinando hoy.
No solo habla de una ciudad perdida, sino de algo mucho más universal: la idea de que incluso las sociedades más poderosas pueden caer si olvidan la prudencia, la justicia y el equilibrio.

▣▣▣▣▣▣▣▣▣▣▣▣▣▣▣▣▣▣

#historia #atlantida #platon #misteriosdelahistoria #arqueologia #civilizacionesantiguas #tartessos #mitosyleyendas

De Dame van Elche

De Dame van Elche (Nationaal Archeologisch Museum, Madrid)

Ik heb nog nooit iemand ontmoet niet onder de indruk was bij het zien van een afbeelding van de Dame van Elche. Niet dat ik dit heb getoetst door middel van een representatief bevolkingsonderzoek, maar alleen al uit het afgelopen halve jaar herinner ik me een stuk of vijf mensen die zich er ongevraagd positief over uitlieten.

Ontdekking

Het beeld is in 1897 gevonden bij Elche (of Elx, zoals men ter plekke zegt), waar een antieke stad lag die de Grieken Helike noemden en de Romeinen Ilici. Lange tijd is beweerd dat de ontdekker een veertienjarige jongen was die Manuel Campello heette. Zo’n verhaal past goed bij het slappe format “niet-archeoloog doet ontdekking en zorgt dat het bij de autoriteiten komt en het blijkt belangrijk en nou is de wetenschap heel erg blij”. Archeologen gebruiken dit format graag om mensen ervan te overtuigen vondsten te melden. Dat die vondsten zelden werkelijk belangrijk zijn, wordt er nooit bij gezegd, en ik voel me altijd ongemakkelijk als ik weer lees dat een kind, een wandelaar of een soldaat die een schuttersputje aan het graven was, een vondst deed en meldde. Wetenschappelijke persberichten zijn er om te informeren, niet om te nudgen.

Dat gezegd zijnde: dit keer was de vondst werkelijk belangrijk. In de hoop meer te ontdekken over de precieze vindplaats, hebben onderzoekers uit Alicante een tijdje geleden het ontdekkingsverhaal nog eens gecontroleerd. Over de vindplaats ontdekte men weinig van belang, maar over de vondst ontdekte men wel iets: het bleek dat de echte ontdekker een arbeider was die Antonio Maciá heette. Die is uit het verhaal weggeschreven terwijl de landeigenaar, die wél Manuel Campello heette, is veranderd in een kind. Alles om het format te handhaven. Het geval staat natuurlijk niet op zichzelf: ik blogde al eens over de vergeten Egyptische fotografen en over de gezusters Agnes en Margaret Smith.

Maar wat is het?

Maar wat of wie is de Dame van Elche? Het beeld dateert uit de vierde eeuw v.Chr. en archeologen rekenen het tot de Iberische cultuur, wat de naam is die ze gebruiken voor het oosten van Spanje vanaf pakweg 500 v.Chr. (en dus niet voor het hele Iberische Schiereiland). Die mensen spraken een eigen taal, hadden een eigen schrift en een eigen materiële cultuur, die duidelijk Karthaagse en Griekse invloeden had ondergaan. De beeldhouwer die verantwoordelijk is voor de Dame van Elche, heeft weleens een Grieks beeld gezien in het even verderop gelegen Alicante (het antieke Leukè Akra ofwel Lucentum).

De Dame van Elche baarde meteen opzien en er waren claims dat het een vervalsing moest zijn. De weinige voorbeelden van Iberische sculptuur leken nauwelijks op de nieuw ontdekte buste. Inmiddels kennen we meer van zulke vrouwenbeelden, afkomstig uit gecontroleerde opgravingen, zodat de argumenten die destijds golden, geen opgeld meer doen. Die andere beelden staan met de Dame van Elche samen opgesteld in het Nationaal Archeologisch Museum in Madrid, en je ziet meteen welk beeld het meesterwerk is. Recent zijn in Turuñuelo (richting Portugese grens) soortgelijke beelden gevonden, die iets ouder zijn en de indruk wekken dat de portretkunst op het Iberische Schiereiland een autonome ontwikkeling is, begonnen in het gebied van Tartessos.

Nogmaals de Dame van Elche

Het beeld is nu niet meer beschilderd, we moeten het doen met de sculptuur zelf. Het meest opvallende zijn de sieraden: drie halskettingen met amuletten, een met juwelen versierde diadeem en twee ronde, trommelachtige schijven op de slapen. Ook de andere beelden hebben zulke “trommels”. Volgens mij zijn ze daarmee uniek. Ik kan me althans niet herinneren ooit soortgelijke sieraden te hebben gezien.

De eerste interpretatie was dat het beeld een Moorse koningin voorstelde, maar het was al snel duidelijk dat het ouder was. De Eerste Hoofdwet van de Archeologie zijnde de Eerste Hoofdwet van de Archeologie redeneerden de archeologen vervolgens dat dit wel een godin zou zijn, meer precies de Karthaagse Tanit. Inmiddels is onderzoek gedaan naar de binnenkant van het beeld, waarin nog altijd sporen waren te vinden van menselijke as, zodat we nu weten dat het feitelijk een urn is. Het doet in de verte denken aan de Etruskische, mensvormige urnen die “canopen” worden genoemd.

Nationaal symbool

Zoals gezegd: het beeld maakt en maakte indruk. Menigeen wilde het kopen. Iemand als Pablo Picasso, gefascineerd door niet-klassieke kunstvormen, zag het als een pure, authentieke uiting van een Iberisch volk dat nog niet aan Rome was onderworpen. Uiteindelijk is de Dame van Elche voor een schamel bedrag verkocht aan het Louvre. Dat was tegen het zere been van menig Spanjaard, want waarom moest dit elegante portret nou naar Parijs?

Bankbiljet met de Dame van Elche

Dictator Francisco Franco maakte daarom nogal een punt van de teruggave en kort na de Tweede Wereldoorlog keerde het voorwerp inderdaad terug naar Spanje, waar Franco het presenteerde als nationaal symbool. Het stond bijvoorbeeld op de bankbiljetten. Ging het bij Picasso nog om pure Iberische kunst, in sommige rechtse kringen was de Dame van Elche een uiting van een genetisch puur volk.

Voor zover ik iets weet van Spanje – en dat is niet veel – heeft de Dame van Elche inmiddels niet meer zo’n nare bijbetekenis. Het is echter, zo zag ik een tijdje geleden, nog onverminderd bewonderenswaardig mooi.

[Dit was het 519e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#Alicante #DameVanElche #Elche #FranciscoFranco #Lucentum #nudging #PabloPicasso #Tartessos #Turuñuelo

Tartessos

Armband uit El Carambolo (Nationaal archeologisch museum, Madrid)

Ergens rond het midden van de zesde eeuw v.Chr. naderde een Perzisch leger de Griekse stad Fokaia in Ionië, in het westen van het huidige Turkije. Als Herodotos het daarover heeft, last hij een van de uitweidingen in die zijn werk zo onderhoudend maken.

De Fokeeërs zijn de eerste Grieken geweest die verre zeereizen hebben ondernomen. Het is aan hen te danken dat de route naar de Adriatische Zee, Etrurië, Iberië en Tartessos bekend is geworden. … Op een van hun tochten zijn ze dus in Tartessos beland. Hier kwamen ze op goede voet te staan met de plaatselijke heerser, een zekere Arganthonios, die niet minder dan tachtig jaar heeft geregeerd en al met al honderdtwintig jaar oud is geworden. Hij is zo op ze gesteld geraakt dat hij hun in het begin zelfs heeft aangeraden om Ionië voorgoed te verlaten en zich in zijn rijk te vestigen, ze mochten zelf een plaats uitkiezen. De Fokeeërs gingen hier niet op in.noot Herodotos, Historiën 1.163; vert. Van Dolen.

En met deze woorden schiep Herodotos een puzzel die nog altijd niet is opgelost: wat was Tartessos?

Tinhandel

De Griekse tekst is, voor zover ik overzie, vrij simpel: het is een opsomming van reisbestemmingen, waarvan Tartessos het verst is. En het is dus niet Iberië. Als Herodotos met die laatste naam verwees naar de oostkust van Spanje, kan Tartessos in Andalusië of Portugal liggen, maar als hij met “Iberië” doelde op het hele schiereiland, moeten we Tartessos óf in Marokko óf aan de Atlantische kust zoeken. Er is geen enkele zekerheid dat het gaat om de regio bij de Guadalquivir, maar dat is wel waar Tartessos altijd op de landkaart wordt ingetekend.

Flesje uit Cádiz (Archeologisch museum, Cádiz)

Een jongere Griekse geschiedschrijver, Eforos van Kyme, weet te noemen dat over een rivier tin naar Tartessos wordt gebracht, en ook goud en koper uit het land der Kelten. Dit laatste woord betekent bij Eforos niets anders dan westerling. Wat aan Eforos’ informatie ten grondslag ligt, is onbekend. Aristoteles, die het misschien niet goed heeft begrepen, gebruikt “Tartessos” als de naam van een rivier die ontspringt bij Pyrene. Die plaatsnaam gaat terug op Herodotos en verwijst naar de bron van de Donau. Kortom: ongeloofwaardig.

In de tweede eeuw na Chr. weet Pausanias dat de rivier de Tartessos feitelijk de Guadalquivir is. We zien vaker dat de Grieken en Romeinen legendarische plaatsnamen identificeerden met concrete plekken: de mythische naam “Kaukasos” ging dus verwijzen naar het gebergte achter Georgië en Armenië, een door Homeros genoemde stam van rechtvaardige mensen werd geïdentificeerd met een stam in Centraal-Azië. En zo lag Tartessos dus in Andalusië.

Misschien is Tartessos een verzinsel van Fokeeërs die hun handelsgeheimen niet wilden verklappen en dus het verhaal verzonnen dat Herodotos doorgaf. Daarna voegden Eforos en Aristoteles er het hunne aan toe. Er is een duidelijke interpretatierichting waarin, naarmate de tijd verstrijkt, de informatie weliswaar specifieker wordt, maar heel goed onbetrouwbaarder.

Een miniatuur-tinbaar, maar dan van goud, uit El Carambolo (Nationaal archeologisch museum, Madrid)

Archeologie

Zo’n honderd jaar geleden kwam de Duitse archeoloog Adolf Schulten met het idee dat de naam “Tartessos” verwees naar de IJzertijdcultuur in het zuiden van Spanje. Dat is niet heel anders dan de archeologische La Tène-cultuur aanduiden met de Griekse naam “Keltisch”: een woord waarvan de betekenis in de Oudheid niet vaststond.

Sindsdien noemen oudheidkundigen de IJzertijdcultuur van zuidelijk Spanje dus Tartessisch. Het beestje moet nou eenmaal een naam hebben. Voorwerpen uit deze archeologisch cultuur zijn gevonden in heel Andalusië, maar het kerngebied komt overeen met de benedenloop van de Guadalquivir. Een daar bestaande, eerdere Bronstijdcultuur maakte in de negende eeuw v.Chr. contact met de Feniciërs, die steden stichtten aan de kust, en reageerde daarop: zo ontstond de Tartessische cultuur. Een voorbeeld van de wijze waarop twee culturen samenkwamen is de Schat van El Carambolo (een buitenwijk van Sevilla): lokaal goud, bewerkt met Fenicische technieken.

Andere kenmerken van de Tartessische cultuur waren de vrij grote, welhaast stedelijke nederzettingen (“proto-urbaan”), metaalmijnbouw in de Sierra Morena en een eigen schrift (dat we niet kunnen interpreteren). Wellicht mogen we reliëfs als dat uit Ategua, waarover ik al eerder blogde, ook opvatten als kenmerkend voor deze IJzertijdcultuur. Of de bewoners zelf wisten dat ze in het Grieks Tartessiërs heetten en een koning hadden die 120 jaar oud was, staat vanzelfsprekend te zien.

Krijgersstèle uit Ategua (Archeologisch museum, Córdoba)

Het einde

Eind zesde eeuw v.Chr. kwam deze Tartessische cultuur ten einde. We weten niet goed hoe, maar het is ruwweg tegelijk met de ondergang van de steden in het Fenicische moederland en de opkomst van Karthago. Het kan zijn dat oude handelsnetwerken in verval raakten – ook Fokaia viel in Perzische handen – en dat het economisch zwaartepunt verschoof van het zuidwesten van Andalusië naar het zuidoosten, waar Cartagena opbloeide, en naar het noordwesten, waar Turuñuelo een belangrijk centrum werd.

Helemaal afgelopen was het niet. In de Romeinse tijd leefde de naam “Tartessos” voort in een iets andere vorm, “Turdetania”. En het is verleidelijk om te speculeren – speculeren! – dat het door Herodotos genoemde land aan het westelijke uiteinde van de wereld, ongeacht of dat correspondeert met de archeologische cultuur, hetzelfde is als het Tarsis waarheen de joodse profeet Jona wil vluchten, of het Atlantis waar ene Plato iets over te vertellen had.

#AdolfSchulten #Andalusië #Arganthonios #Aristoteles #Atlantis #Cartagena #EforosVanKyme #ElCarambolo #Fokaia #Guadalquivir #HerodotosVanHalikarnassos #IJzertijd #interpretatierichting #Jona #Pausanias #Plato #Tartessos #tin #Turdetaniërs #Turuñuelo

🏺 Arqueólogos hallan en Huelva un guiso tartésico de más de 2.500 años, sorprendentemente bien conservado. Una ventana única a la mesa y costumbres de una de las culturas más enigmáticas de la península Ibérica.

🔗 https://www.huelva24.com/huelva/hallan-huelva-guiso-bien-conservado-epoca-tartesica-20250823233907-nth.html?fbclid=IwQ0xDSwMblhZjbGNrAxuWAGV4dG4DYWVtAjExAAEe9EADMpVbk-6WXPZVO-FgZGdPQvHmEji1lsOBXpRVK6fD3JIt_S_BeV3Zwh8_aem_eDcjWBXaTRZ0YUFTBPu5Yg&sfnsn=scwspmo

#Arqueología #Tartessos #Huelva #Historia #Patrimonio #España