Het ontstaan van Marseille (2)

Keltische prinses (of prins) uit de zesde eeuw v.Chr. (Musée de la romanité, Nîmes)

Gisteren blogde ik over de door Justinus en Aristoteles overgeleverde sage over het ontstaan van Marseille. Samengevat: rond 575 v.Chr. arriveerde een groep Grieken die in het gebied van de Segobrigiërs een stad wilde stichten. Toevallig stond koning Nannos op het punt zijn dochter, die Gyptis of Petta wordt genoemd, uit te huwelijken. Zij moest uit de aanwezige huwelijkskandidaten haar echtgenoot kiezen door hem een beker met water te overhandigen, en koos toen een van de zojuist aangekomen Grieken, die Protis of Euxenos heette.

Veel van deze namen zijn ronduit verdacht. De mannelijke stadsstichter heette Euxenos, wat zoiets betekent als “gastvrij”. Zijn alternatieve naam, Protis, betekent “eerste”, maar lijkt te zijn afgeleid van de naam van de latere aristocraten van Marseille, de Protiaden.

De vier Gallische namen zijn interessanter. De naam Segobriga is alleen bekend uit de stichtingssage van Marseille, maar is goed Keltisch en betekent zoiets als “overwinningsfort”. Er is inderdaad een Keltische vesting in de omgeving van Marseille, namelijk Baou de Saint-Marcel. De naam van de vorst, Nannos, betekent in de Gallische taal zoiets als “dienaar” (van een godheid).

Petta is Gallisch voor “deel”, wat een beetje een rare naam is, maar kan verwijzen naar het feit dat ze een deel van het land van haar vader meenam als bruidsschat. Er is echter een plausibeler mogelijkheid, namelijk dat Petta een schrijffout is voor Gepta (d.w.z. Gyptis): in het Grieks staat er Πέττα en Γέπτα, en die laatste naam Keltisch zijn voor “sterk”.

Dat de namen Gallisch ogen, wil nog niet zeggen dat het verhaal echt is gebeurd, al is het ook niet uitgesloten. De auteur die het fragment van Aristoteles overleverde, Athenaios van Naukratis, attendeerde echter al op een parallel: een Perzisch verhaal over een meisje dat haar aanstaande moest uitkiezen door het overhandigen van een drinkbeker.noot Athenaios, Tafelgesprekken 13.575. Athenaios kende dit verhaal weliswaar in een Griekse vertaling, maar dat er een Iraanse variant heeft bestaan, wordt bewezen door de Perzische dichter Ferdowsi, die haar opneemt in de Shahname: prinses Katayoun kiest Guštasp als haar echtgenoot. In de Perzische verhalen kennen de partners elkaar overigens al uit een droom.

De Indische traditie kent enkele voorbeelden van svayamvara, wat “eigen keuze” schijnt te betekenen, maar de voorbeelden die ik heb bekeken, zijn toch wel wat anders. Het gaat meer om wedstrijden tussen de huwelijkskandidaten. Ook heel interessant, maar ik vind het geen zuivere parallel.

Desondanks: het lijkt erop dat de stichtingssage van Marseille feitelijk een oeroud Indo-Europees verhaal is over een prinses die mocht kiezen, en dat dit verhaal erbij is gehaald om Marseille te voorzien van een mooie voorgeschiedenis op het moment dat men zich al niet méér herinnerde dan dat de stad was ontstaan nadat migranten uit Fokaia een handelspost hadden ingericht op een schiereiland tegenover de burcht van de Segobrigiërs.

#Aristoteles #Athenaios #BaouDeSaintMarcel #Ferdowsi #Fokaia #GallischeTaal #IndoEuropeanistiek #Justinus #Marseille #sage

Het ontstaan van Marseille (1)

Marseille

In de eerste eeuw v.Chr. ontstonden enkele supergrote geschiedwerken. De Romeinse Geschiedenis van Quintus Valerius Antias telde ongeveer 80 boeken; de Wereldgeschiedenis van Nikolaos van Damascus was 144 boeken lang; Titus LiviusGeschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad bestond uit 142 boekrollen. Met 44 rollen was Pompeius Trogus’ geschiedwerk aan de korte kant, in tegenstelling tot de nogal opvallende titel: Geschiedenis van Filippos, het ontstaan van de hele wereld en de steden op aarde. Al deze werken zijn grotendeels verloren, maar gelukkig zijn er in de Oudheid al uittreksels gemaakt. Zo beschikken we wel over Justinus’ Epitome, een uittreksel uit de Geschiedenis van Pompeius Trogus.

De Epitome bevat een schat aan informatie, want Trogus had belangstelling voor de hele wereld. We zouden over de vroege geschiedenis van de Parthen een stuk minder hebben geweten als ook Justinus’ uittreksel verloren zou zijn gegaan. En we zouden het volgende pareltje niet hebben bezeten.

In de tijd van koning Tarquinius Priscus [rond 575 v.Chr.] voer een groep Fokeeërs vanuit Azië de Tiber op, sloot een bondgenootschap met de Romeinen en voer vervolgens naar het diepste deel van de Ligurische Zee, waar zij tussen de Liguriërs en de woeste Gallische stammen de stad Marseille stichtten en de ene heldendaad na de andere verrichtten, zowel als ze zich verdedigden tegen de wilde Galliërs als wanneer ze degenen aanvielen die hen hadden lastiggevallen.

Dat een groep Grieken in de zesde eeuw v.Chr. Rome heeft aangedaan, zoals de sage wil, is absoluut niet uitgesloten, al vraag je je wel af hoe deze informatie kan zijn overgeleverd. Het klinkt alsof Pompeius Trogus een verklaring wilde geven voor het feit dat Marseille een van Romes oudste bondgenoten buiten Italië was, waarvan niemand wist hoe de vriendschap was ontstaan. Hoe dan ook: Midden-Italië was in Griekenland bekend. Een continuator van de Theogonie van Hesiodos kende bijvoorbeeld een Koning Latinus.

Het verhaal dat Justinus namens Pompeius Trogus vertelt, vervolgt met een standaardmotief: migranten die hun land verlaten omdat de bevolking te groot is voor het achterland.

De Fokeeërs, gedwongen door de kleinheid en onvruchtbaarheid van hun grondgebied, hielden zich vanouds meer bezig met de zee dan met landbouw. Ze voorzagen in hun levensonderhoud door visserij, handel en vooral door piraterij, wat destijds gold als een eervol beroep. Ze waagden zich dan ook naar de verste kusten van de Oceaan en kwamen zo dus aan in de Ligurische Zee en bij de monding van de Rhône. Gecharmeerd door de schoonheid van het land, vertelden ze thuis wat ze hadden gezien, waardoor anderen besloten naar diezelfde streken te gaan. De kapiteins van de vloot waren Simos en Protis, die een verzoek indienden bij de koning van de Segobrigiërs, een man genaamd Nannos, of ze op diens grondgebied een stad mochten stichten, en met wie ze in vriendschap wilden leven.

Toevallig was de koning die dag bezig met de voorbereidingen voor het huwelijk van zijn dochter Gyptis, die hij, volgens de gewoonte van dat volk, van plan was uit te huwelijken aan een schoonzoon die tijdens het feest zou worden gekozen. Nadat alle huwelijkskandidaten waren uitgenodigd, werd ook aan de Griekse bezoekers gevraagd of ze aan het feest wilden deelnemen.

De jonge vrouw werd vervolgens voorgesteld, en toen haar vader haar vroeg water te geven aan degene die zij als echtgenoot wilde, negeerde zij alle anderen, wendde zich tot de Grieken en reikte water aan Protis, die, nu hij van gast ineens ’s konings schoonzoon was geworden, [bij wijze van bruidsschat] van zijn schoonvader het land kreeg om een stad te stichten.noot Justinus, Epitome 43.3.4-12.

Het verhaal over de prinses die een man uit Fokaia als echtgenoot koos, is in iets andere vorm ook overgeleverd door Aristoteles, waar de personages andere namen hebben: Protis heet er Euxenos, Gyptis heet er Petta. Aristoteles houdt rekening met de mogelijkheid dat Petta de beker met water per ongeluk aan Euxenos overhandigde, en weet verder te melden dat de afstammelingen van Euxenos en Petta Protiaden heetten.noot Aristoteles, fragment 549 [ed. Rose].

Morgen meer.

#Aristoteles #Fokaia #Hesiodos #Justinus #LigurischeZee #Marseille #PompeiusTrogus #TarquiniusPriscus

Tartessos

Armband uit El Carambolo (Nationaal archeologisch museum, Madrid)

Ergens rond het midden van de zesde eeuw v.Chr. naderde een Perzisch leger de Griekse stad Fokaia in Ionië, in het westen van het huidige Turkije. Als Herodotos het daarover heeft, last hij een van de uitweidingen in die zijn werk zo onderhoudend maken.

De Fokeeërs zijn de eerste Grieken geweest die verre zeereizen hebben ondernomen. Het is aan hen te danken dat de route naar de Adriatische Zee, Etrurië, Iberië en Tartessos bekend is geworden. … Op een van hun tochten zijn ze dus in Tartessos beland. Hier kwamen ze op goede voet te staan met de plaatselijke heerser, een zekere Arganthonios, die niet minder dan tachtig jaar heeft geregeerd en al met al honderdtwintig jaar oud is geworden. Hij is zo op ze gesteld geraakt dat hij hun in het begin zelfs heeft aangeraden om Ionië voorgoed te verlaten en zich in zijn rijk te vestigen, ze mochten zelf een plaats uitkiezen. De Fokeeërs gingen hier niet op in.noot Herodotos, Historiën 1.163; vert. Van Dolen.

En met deze woorden schiep Herodotos een puzzel die nog altijd niet is opgelost: wat was Tartessos?

Tinhandel

De Griekse tekst is, voor zover ik overzie, vrij simpel: het is een opsomming van reisbestemmingen, waarvan Tartessos het verst is. En het is dus niet Iberië. Als Herodotos met die laatste naam verwees naar de oostkust van Spanje, kan Tartessos in Andalusië of Portugal liggen, maar als hij met “Iberië” doelde op het hele schiereiland, moeten we Tartessos óf in Marokko óf aan de Atlantische kust zoeken. Er is geen enkele zekerheid dat het gaat om de regio bij de Guadalquivir, maar dat is wel waar Tartessos altijd op de landkaart wordt ingetekend.

Flesje uit Cádiz (Archeologisch museum, Cádiz)

Een jongere Griekse geschiedschrijver, Eforos van Kyme, weet te noemen dat over een rivier tin naar Tartessos wordt gebracht, en ook goud en koper uit het land der Kelten. Dit laatste woord betekent bij Eforos niets anders dan westerling. Wat aan Eforos’ informatie ten grondslag ligt, is onbekend. Aristoteles, die het misschien niet goed heeft begrepen, gebruikt “Tartessos” als de naam van een rivier die ontspringt bij Pyrene. Die plaatsnaam gaat terug op Herodotos en verwijst naar de bron van de Donau. Kortom: ongeloofwaardig.

In de tweede eeuw na Chr. weet Pausanias dat de rivier de Tartessos feitelijk de Guadalquivir is. We zien vaker dat de Grieken en Romeinen legendarische plaatsnamen identificeerden met concrete plekken: de mythische naam “Kaukasos” ging dus verwijzen naar het gebergte achter Georgië en Armenië, een door Homeros genoemde stam van rechtvaardige mensen werd geïdentificeerd met een stam in Centraal-Azië. En zo lag Tartessos dus in Andalusië.

Misschien is Tartessos een verzinsel van Fokeeërs die hun handelsgeheimen niet wilden verklappen en dus het verhaal verzonnen dat Herodotos doorgaf. Daarna voegden Eforos en Aristoteles er het hunne aan toe. Er is een duidelijke interpretatierichting waarin, naarmate de tijd verstrijkt, de informatie weliswaar specifieker wordt, maar heel goed onbetrouwbaarder.

Een miniatuur-tinbaar, maar dan van goud, uit El Carambolo (Nationaal archeologisch museum, Madrid)

Archeologie

Zo’n honderd jaar geleden kwam de Duitse archeoloog Adolf Schulten met het idee dat de naam “Tartessos” verwees naar de IJzertijdcultuur in het zuiden van Spanje. Dat is niet heel anders dan de archeologische La Tène-cultuur aanduiden met de Griekse naam “Keltisch”: een woord waarvan de betekenis in de Oudheid niet vaststond.

Sindsdien noemen oudheidkundigen de IJzertijdcultuur van zuidelijk Spanje dus Tartessisch. Het beestje moet nou eenmaal een naam hebben. Voorwerpen uit deze archeologisch cultuur zijn gevonden in heel Andalusië, maar het kerngebied komt overeen met de benedenloop van de Guadalquivir. Een daar bestaande, eerdere Bronstijdcultuur maakte in de negende eeuw v.Chr. contact met de Feniciërs, die steden stichtten aan de kust, en reageerde daarop: zo ontstond de Tartessische cultuur. Een voorbeeld van de wijze waarop twee culturen samenkwamen is de Schat van El Carambolo (een buitenwijk van Sevilla): lokaal goud, bewerkt met Fenicische technieken.

Andere kenmerken van de Tartessische cultuur waren de vrij grote, welhaast stedelijke nederzettingen (“proto-urbaan”), metaalmijnbouw in de Sierra Morena en een eigen schrift (dat we niet kunnen interpreteren). Wellicht mogen we reliëfs als dat uit Ategua, waarover ik al eerder blogde, ook opvatten als kenmerkend voor deze IJzertijdcultuur. Of de bewoners zelf wisten dat ze in het Grieks Tartessiërs heetten en een koning hadden die 120 jaar oud was, staat vanzelfsprekend te zien.

Krijgersstèle uit Ategua (Archeologisch museum, Córdoba)

Het einde

Eind zesde eeuw v.Chr. kwam deze Tartessische cultuur ten einde. We weten niet goed hoe, maar het is ruwweg tegelijk met de ondergang van de steden in het Fenicische moederland en de opkomst van Karthago. Het kan zijn dat oude handelsnetwerken in verval raakten – ook Fokaia viel in Perzische handen – en dat het economisch zwaartepunt verschoof van het zuidwesten van Andalusië naar het zuidoosten, waar Cartagena opbloeide, en naar het noordwesten, waar Turuñuelo een belangrijk centrum werd.

Helemaal afgelopen was het niet. In de Romeinse tijd leefde de naam “Tartessos” voort in een iets andere vorm, “Turdetania”. En het is verleidelijk om te speculeren – speculeren! – dat het door Herodotos genoemde land aan het westelijke uiteinde van de wereld, ongeacht of dat correspondeert met de archeologische cultuur, hetzelfde is als het Tarsis waarheen de joodse profeet Jona wil vluchten, of het Atlantis waar ene Plato iets over te vertellen had.

#AdolfSchulten #Andalusië #Arganthonios #Aristoteles #Atlantis #Cartagena #EforosVanKyme #ElCarambolo #Fokaia #Guadalquivir #HerodotosVanHalikarnassos #IJzertijd #interpretatierichting #Jona #Pausanias #Plato #Tartessos #tin #Turdetaniërs #Turuñuelo