Jezus en de centurio

Een centurio (British Museum, Londen)

Het Nieuwe Testament zit boordevol doorkijkjes naar het dagelijks leven in de Romeinse tijd. Zo vertelt Lukas het verhaal van de centurio, ofwel de “honderdman”, zoals het woord in het Nederlands weleens is vertaald. Dat suggereert dat het de commandant was van een eenheid van honderd legionairs, maar dat is in de lange Romeinse legergeschiedenis nooit het geval geweest. Het verhaal speelt in Jezus’ woonplaats Kafarnaüm en het eerste zinnetje is al intrigerend.

Een centurio die daar woonde had een slaaf die ernstig ziek was en op sterven lag; de centurio was erg op deze slaaf gesteld.noot Lukas 7.2; NBV21.

De vraag die onmiddellijk opkomt: wat doet een Romeinse officier in het rijk van Herodes Antipas? Er zijn volgens mij maar drie mogelijkheden. Eén, de goede man is met pensioen en heeft een leuk huis gekocht met uitzicht op het meer. Twee, deze centurio dient als liaison tussen het hof van keizer Tiberius en het hof van Antipas. Drie, Lukas heeft zijn informatie, die in een andere vorm ook bekend was aan de evangelist Johannes,noot Johannes 4.46-54. niet heel handig bewerkt.

Een ander detail dat opvalt is dat de relatie tussen de centurio en de slaaf hartelijk is. Dat is een nuttige contrapunt bij het doorgaans negatieve beeld dat we hebben van de antieke slavernij. Een slaaf die een goede meester had, mocht rekenen op een oprechte vriendschap. Ik stel me voor dat de centurio tijdens de Saturnalia, medio december, kookte voor zijn bediende, zoals de gewoonte was.

Toen de centurio over Jezus hoorde, zond hij enkele oudsten van de Joden naar hem toe om hem te vragen bij hem te komen en zijn slaaf van de dood te redden. Toen ze bij Jezus waren gekomen, smeekten ze hem dringend mee te gaan. Ze zeiden: “De man die u dit verzoekt, is het waard dat u hem deze gunst bewijst. Want hij is ons volk goedgezind en heeft voor ons de synagoge laten bouwen.”noot Lukas 7.3-5.

Een Romeins officier had doorgaans geen behoefte aan tussenpersonen. Hij belichaamde het gezag en kon zich overal aandienen zonder zijn komst zelfs maar aan te kondigen. Alleen als hij zich tot de goden richtte, kon hij een priester om advies vragen. Dat de door Lukas beschreven centurio zich niet waardig acht zich rechtstreeks tot Jezus te richten, maar bevriende Joden inschakelt om een goed woordje voor hem te doen, suggereert een opvallend groot respect. Een respect dat natuurlijk ook blijkt uit de synagoge die de man heeft laten bouwen.

Dat is geen unicum: er waren volop Romeinse soldaten die sympathiseerden met lokale religieuze gebruiken. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus vertelt ergens dat tijdens een burgeroorlog soldaten van een Syrisch legioen na een nachtelijk gevecht de opkomende zon begroetten, zoals ze zich in Syrië hadden aangeleerd. Hij vertelt het omdat hun tegenstanders de kreet uitlegden als teken dat versterkingen arriveerden, maar tussen neus en lippen door heeft Tacitus erkend dat de in Syrië gestationeerde soldaten een plaatselijke cultus hadden overgenomen. We hebben ook inscripties die dit documenteren voor de joodse religie, inclusief patronage voor een synagoge.

Jezus ging samen met hen op weg. Hij was al niet ver meer van het huis verwijderd, toen de centurio enkele vrienden naar hem toe stuurde met de mededeling: “Heer, spaar u de moeite, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt. Daarom ook achtte ik mij niet waardig om zelf naar u toe te gaan. Spreek slechts een enkel woord en mijn knecht zal genezen. Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: ‘Ga!’, dan gaat hij, en tegen een andere: ‘Kom!’, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: ‘Doe dit!’, dan doet hij het.”

Toen Jezus dit hoorde, verbaasde hij zich over hem; hij keerde zich om naar de menigte die hem volgde en zei: “Ik zeg jullie: zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden!”

Toen de vrienden van de centurio terugkeerden naar zijn huis, troffen ze daar de slaaf in goede gezondheid aan.noot Lukas 7.6-10.

Hier maakt Lukas’ centurio duidelijk wat de lezer vermoedelijk al had begrepen: de officier benaderde Jezus vanuit een gevoel dat deze zijn meerdere was.

Nog een laatste opmerking: deze anekdote toont de vriendelijke relatie die tussen Joden en Romeinen kon bestaan. Zo’n anekdote kon in de aanloop van de Joodse Oorlog, die uitbrak rond 66, niet meer worden bedacht. Vanaf pakweg 41, toen keizer Caligula had geëist dat zijn standbeeld in de Tempel in Jeruzalem zou worden opgericht, stonden de verhoudingen tussen de Romeinse overheid en de Joden op scherp. Het is niet onaannemelijk dat de anekdote over de centurio, die zulke vriendelijke verhoudingen veronderstelt, dateert uit het oudste stratum van de historische traditie. Ook het omgekeerde is natuurlijk denkbaar: dat Lukas, die in de Handelingen van de Apostelen beschreef hoe het Joodse verbondsvolk werd uitgebreid met andere volken, het verhaal heeft bedacht.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#centurio #EvangelieVanLukas #HerodesAntipas #JoodseOorlog #Kafarnaüm #NieuweTestament #slavernij #synagoge

XXII Deiotariana, het Galatische legioen

Legionairs van XXII Deiotariana werkten mee aan de bouw van het aquaduct van Alexandrië (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Van alle legioenen uit het Romeinse leger van de keizertijd heeft het Tweeëntwintigste Deiotariana de interessantste voorgeschiedenis. Die begint in de derde eeuw v.Chr., als groepen Keltische migranten, de Galaten, Anatolië binnentrekken. Een van die groepen stond bekend als de Tolistobogii, wat in het Gallisch misschien zoiets betekent als “zij die er graag op los slaan” zou kunnen betekenen. De groep vestigde zich ten westen van het huidige Ankara, rond Pessinos. Daar nam ze al snel de hellenistische cultuur over.

Het legioen van Deiotaros

Rond 70 v.Chr. was de leider van de Tolistobogii een zekere Deiotaros, wat “goddelijke stier” betekent (deiuo-tauros). Zijn bijnaam Filoromaios, “Romeinenvriend”, spreekt boekdelen. Hij vocht loyaal met generaals als Lucullus en Pompeius mee tegen Mithridates VI Eupator van Pontus. In 63 werd hij erkend als leider van alle Galatische groepen en was hij feitelijk de Romeinse zetbaas in Centraal-Anatolië. Zoals in die tijd gebruikelijk schoeide hij zijn leger op Romeinse leest. Er waren altijd wel Romeinse veteranen die als adviseurs wilden dienen. Het Galatische leger zou hebben bestaan uit 2000 ruiters en 12.000 man infanterie, verdeeld over dertig cohorten. Het equivalent van drie Romeinse legioenen.

Ze konden laten zien wat ze waard waren toen de Romeinen tegen zichzelf verdeeld raakten in de Tweede Burgeroorlog. Julius Caesar nam het op tegen de Senaat en versloeg zijn tegenstanders in 48 v.Chr. bij Farsalos. Vervolgens belandde hij in Alexandrië in een Ptolemaïsche burgeroorlog, die hij pas na vele maanden met succes wist af te ronden. Profiterend van de Romeinse verdeeldheid, keerde de zoon van Mithridates, Farnakes II, terug naar Anatolië. Deiotaros deed wat hem werd verwacht: met de lokale Romeinse leider Domitius Calvinus trok hij ten strijde – en werd verslagen. Hij hergroepeerde de overlevenden in één legioen, dat zich in de zomer van 47 v.Chr. schaarde zich aan de zijde van Caesar. Die kwam, zag en overwon op 2 augustus van dat jaar: de slag bij Zela. Het legioen van Deiotaros had zich bewezen.

Augustus’ legioen

Deiotaros overleed enkele jaren later, vermoedelijk in 40 v.Chr., maar zijn leger bleef bestaan. In 25 v.Chr. annexeerde keizer Augustus Galatië. Gouverneur Marcus Lollius integreerde het legioen nu in het Romeinse leger. De eenheid heette voortaan legioen XXII Deiotariana. Het nummer moet zijn gekozen omdat het totale aantal legioenen tot dan toe eenentwintig bedroeg. De bijnaam spreekt vanzelf.

XXII Deiotariana werd overgeplaatst naar Alexandrië, waar het meer dan een eeuw zou blijven. Het precieze moment van de overplaatsing is niet bekend, maar de oudste Egyptische documentatie dateert uit 8 v.Chr. Het Tweeëntwintigste deelde zijn basis met III Cyrenaica.

Het legioen had een afwijkende bevelstructuur. Augustus had bepaald dat geen enkele senator Egypte mocht bezoeken zonder zijn toestemming. Het land was te belangrijk voor de Romeinse voedselvoorziening en een senator zou in de verleiding kunnen komen de graantoevoer stop te zetten, Rome uit te hongeren en zichzelf uit te roepen tot keizer. Daarom stond XXII Deiotariana niet onder bevel van een senator, maar van een prefect uit de ridderstand.

Operaties

Soms moesten de Alexandrijnse legioenen de etnische conflicten in de stad, met Griekse en Egyptische en Joodse minderheden, met geweld onderdrukken. Een beschrijving van een uitbarsting van zo’n conflict vindt u hier.

Andere operaties vonden plaats buiten Egypte. Het is mogelijk dat XXII Deiotariana al deelnam aan de Romeinse aanval op Arabia Felix (Jemen) in 26-25 v.Chr., dus meteen na de annexatie van Galatië. Deze campagne verliep erg moeizaam. Erger nog, tijdens de afwezigheid van het Romeinse garnizoen in Egypte viel het Nubische koninkrijk Meroë Boven-Egypte aan. In 24 namen de Romeinen wraak. Onder bevel van Gaius Petronius marcheerden de legioenen stroomopwaarts langs de Nijl en bereikten Napata, de noordelijke hoofdstad van Nubië. Hoewel hun aanwezigheid niet is gedocumenteerd, kunnen soldaten van XXII Deiotariana aan deze campagne hebben deelgenomen.

Tot de meer vreedzame taken waarvoor documentatie bestaat, behoorde de constructie van een gebouw in Akfahas, ten zuiden van Memfis. Legionairs werkten ook in de steengroeven van Mons Claudianus, waar grijs graniet werd gewonnen. Andere mannen werden naar het uiterste zuiden gestuurd, waar ze hun handtekening achterlieten op de Memnonkolossen.

In 63 nam een ​​onderafdeling deel aan de Parthische expeditie van Domitius Corbulo, terwijl een andere onderafdeling vocht in de Joodse Oorlog van 66-70. De Joodse historicus Flavius ​​Josephus prijst de moed van de soldaten van het Alexandrijnse legioen. Tijdens de burgeroorlog van 69 kozen XXII Deiotariana en III Cyrenaica de kant van de pretendent Vespasianus, die keizer werd.

Verdwijning

Het legioen wordt voor de laatste keer vermeld in 119 (of misschien 123), toen het zich nog in Alexandrië bevond. Het wordt niet langer vermeld tijdens het bewind van keizer Marcus Aurelius. Mogelijk hebben de Joden het Tweeëntwintigste Legioen Deiotariana in de vroege jaren 130 vernietigd tijdens de opstand van de messiaanse leider Bar Kochba, maar dit is vooralsnog niet bewezen.

#AlexandrijnseOorlog #Ankara #Augustus #BarKochba #Deiotaros #FarnakesII #FlaviusJosephus #GaiusPetronius #Galaten #GnaeusDomitiusCalvinus #GnaeusDomitiusCorbulo #GnaeusPompeiusMagnus #IIICyrenaica #JoodseOorlog #JuliusCaesar #legioen #LuciusLiciniusLucullus #Memnonkolossen #Meroë #MithridatesVIEupator #Napata #NikopolisInArmenië #Pessinos #PontischeOorlog #RomeinsLeger #RomeinsParthischeOorlog #slagBijZela #Tolistobogii #TweedeBurgeroorlog #Vespasianus #XXIIDeiotariana

De Joodse Opstand (1)

Nero, wiens belastingen de Joodse Opstand uitlokten (Glyptothek, Munchen)

Ik blogde al eens over de brand in Rome. Keizer Nero, die weliswaar liever muzikant was geweest maar als het erop aankwam een competent keizer kon zijn, nam meteen maatregelen. De pyromanen werden al snel geïdentificeerd: het zouden Joden zijn, allochtonen die woonden tegenover de plek waar de brand was uitgebroken. Preciezer nog: het waren Joden die de leer volgden van de charismaticus Jezus de Nazareeër.

De brandstichters werden levend verbrand en anderen werden voor de honden geworpen. Dat was een dramatische reconstructie van de bestraffing van Aktaion, een jager die zich in mythologische tijden had vergrepen aan de moeder van Dionysos, de god die destijds werd beschouwd als de Griekse tegenhanger van de god der Joden. Nero presenteerde zich dus als beschermer van het ware Jodendom tegen verkrachting door de christenen.

De herbouw van de stad was kostbaar, een verhoging van de belastingen onvermijdelijk. Dat leidde weer tot relletjes. In Jeruzalem gingen grappenmakers met de pet rond om aalmoezen op te halen voor hun arme gouverneur. Die kon om deze grap niet lachen en liet willekeurige voorbijgangers aan het kruis slaan  – tactloos en wreed, maar het zou niet tot erger hebben hoeven leiden als er niet méér had gespeeld.

De Judese samenleving was sterk verarmd. Ooit had koning Herodes hoge belastingen geheven en die geïnvesteerd in grote bouwprojecten, waar mensen konden bijverdienen. Sinds de Romeinen het gebied hadden geannexeerd, vloeide de opbrengst echter in de schatkist in Rome en waren de Joden nauwelijks in staat het geld te verdienen om hun belastingen te betalen. Gouverneur Antonius Felix (r.52-60) werd door velen beschouwd als extreem gierig, hoewel hij vermoedelijk de gewone, te hoge belastingen inde. De vele verhalen over schuldenaren en schuldeisers in de evangeliën en de Talmoed getuigen van de problematiek.

De voornaamste geschreven bron voor het conflict dat in 66 uitbrak is De Joodse oorlog van de Joodse aristocraat Josef ben Matityahu, ook wel bekend als Flavius Josephus. Hij stamde uit een priesterlijke familie en was bovendien buitengewoon rijk. Zijn dédain voor het gewone volk was huizenhoog en hij had geen goed woord over voor de arme mensen die de Romeinen van hun ellende de schuld gaven, meenden dat alles beter zou worden als de Joden God gaven wat God toekwam, en de opvatting huldigden dat geweld geenszins was uitgesloten.

De afkeer van Rome zat diep. Archeologen hebben erop gewezen dat in de Joodse plattelandshuishoudens Romeins aardewerk ontbreekt, wat veel zegt over de sentimenten. De tempelautoriteiten konden weinig doen om de boeren op andere ideeën te brengen. Ze werden op het platteland beschouwd als corrupt en misten het morele gezag. De boeren waren ook niet de enigen die er zo over dachten. De farizese geleerde Simeon ben Gamaliël protesteerde luidkeels toen tortelduiven, het traditionele reinigingsoffer, in Jeruzalem een goudstuk bleken te kosten, een maandloon.

Tegen deze achtergrond kon het tactloze optreden van de gouverneur niet anders zijn dan de vonk in het kruitvat. Ook de bevolking van Jeruzalem keerde zich nu tegen de Romeinen en op 3 september 66 vielen ze de hulptroepen in de burcht Antonia aan. Die waren totaal niet voorbereid en werden al na twee dagen overmeesterd. De Joodse Opstand was begonnen. Vanaf dit moment was oorlog onvermijdelijk. Rome kon niet anders dan deze opstandigheid smoren in bloed.

[Wordt vervolgd]

Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

Zelfde tijdvak


Geld, cultuur en welzijn (4)

december 6, 2021
Apollonios van Tyana (1)

oktober 27, 2013
Een fonteinleeuw uit Wallonië

maart 19, 2024 Deel dit:

#aktaion #brandVanRome #jeruzalem #joodseOorlog #joodseOpstand #marcusAntoniusFelix #nero #simeonBenGamaliel