Caesar bij Atuatuca: Berg?

Berg

Archeologie en teksten, dat is een ongemakkelijk huwelijk. Ik heb hier weleens uitgelegd waarom archeologen volgens mij wat al te makkelijk veronderstellen dat de Drususgrachten in Nederland hebben gelegen. Soms missen archeologen een kans om hun vakbroeders, de classici, te helpen: de vondsten in Velsen kunnen niet én bij een castra behoren én bij een castellum genaamd Flevum. Tenzij we het Latijn niet goed begrijpen, en het zou leuk zijn als archeologen eens over woordbetekenissen discussieerden met hun collega’s. Eerstgenoemden hebben laatstgenoemden iets te bieden. Ook de opgravingen van Herwen en Heerlen bieden meer mogelijkheden tot samenwerking dan momenteel worden waargemaakt.

Sommige dingen waren vroeger beter dan nu. De opleidingen waren bijvoorbeeld langer. De studieduurbekorting van de jaren tachtig beroofde archeologiestudenten van een eerlijke kans vertrouwd te raken met teksten – zelfs in vertaling. Andere dingen zijn tegenwoordig dan weer beter dan vroeger: archeologiestudenten leren veel meer over technieken en raken met meer data vertrouwd. Ook dat leidt echter weg van vertrouwdheid met de antieke bronnen. En dan ontstaat het gevaar dat je eerdere inzichten als vanzelfsprekend overneemt, zonder te weten dat classici en oudhistorici die inmiddels hebben weerlegd. Er is geen bewijs dat Hadrianus ooit in Voorburg is geweest, wat de plaatselijke VVV ook beweert, en het is hoogst discutabel Nijmegen als stad te typeren, wat de plaatselijke VVV ook beweert.

Daar komt nog bij dat archeologen een voorkeur hebben voor de correspondentietheorie van de waarheid terwijl hun collega’s een voorkeur hebben voor de coherentietheorie. (Dit was het thema van de discussie over maximalisme en minimalisme, die in Nederland na de studieduurbekorting abrupt ten einde is gekomen.) Doordat wetenschappers dezelfde woorden anders gebruiken, liggen misverstanden op de loer, en als de betrokkenen elkaar willen begrijpen, moeten ze beginnen heel goed naar elkaar te luisteren. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik herinner me een oudhistoricus die voorstelde een gesprek over interdisciplinariteit te voeren met Zoom of Teams, waarop de archeoloog concludeerde dat zijn collega de diepte van de problematiek niet doorgrondde en besloot de discussie op te schorten. Ik denk terecht.

Willen we de archeologie meer laten profiteren van de inzichten van tekststudie en willen we classici/oudhistorici meer laten profiteren van de archeologie, dan zijn ook meer data nodig. Veel meer data. Op dat punt is de conflictarcheologie belangrijk, omdat die vaak gaat over korte, snel ontwikkelende gebeurtenissen, zoals beschreven in teksten. Archeologie is hier geen wetenschap van de brede tijdsaanduidingen.

Berg

En nu is er een leuke ontwikkeling: Nico Roymans, die al jaren bezig is een brug te slaan tussen enerzijds de bodemvondsten en anderzijds het geschreven bewijs over de veldtochten van Julius Caesar, heeft een locatie gevonden waar Ambiorix’ Eburonen het Romeinse Veertiende Legioen kunnen hebben verslagen. Het zou gaan om Berg, de heuvel die je, fietsend van Maastricht naar Tongeren, twee kilometer voor aankomst rechts ziet liggen. Er staat een mooi oud kerkje. Hier zijn allerlei munten gevonden, heel erg veel munten zelfs. die sterk suggereren dat dit voor de Eburoonse stam de centrale plaats is geweest.

De hypothese, die al een tijdje rondzong, moet nog uitgebreid worden getest. En aangezien er daar wat grote infrastructurele projecten zijn, zijn er zowel bedreigingen als kansen. Op de uitkomst van het onderzoek vooruitlopend: er is iets dat heel erg voor deze hypothese pleit. Tongeren heette in de keizertijd Atuatuca en zo heette ook de plek waar het Veertiende ten onder ging. Tongeren zelf kan niet dat Eburoonse Atuatuca zijn, want vondsten uit die vroege tijd zijn afwezig. Bovendien is er zó veel gegraven in die stad, dat we niet langer mogen zeggen dat “absence of evidence is no evidence of absence”. Er woonden rond het midden van de eerste eeuw v.Chr. geen Eburonen, punt. Alle andere genoemde locaties liggen echter vér van Tongeren. Kanne-Caestert is weleens genoemd, onder andere door de Vlaamse archeoloog Heli Roosens, maar het zou betekenen dat de naam Atuatuca over een enorme afstand is verplaatst. Daarvoor kennen we geen parallel. Berg heeft dit bezwaar niet.

Meer onderzoek

We hebben nu meer data en een toetsbare hypothese, maar zoals gezegd: meer onderzoek is nodig. Degenen die uitgaan van de correspondentietheorie van de waarheid, zullen vermoedelijk pas tevreden zijn als er scherp dateerbare wapenvondsten zijn en slingerstenen met XIV of XIIII erop. Dat zal nog lastig worden – en juist dat maakt het debat over de twee door oudheidkundigen gebruikte waarheidstheorieën zo spannend, zo boeiend, zo belangrijk en zo urgent.

Eerder heeft Roymans geopperd dat Thuin de plaats was waar de Aduatuci (niet te verwarren met Atuatuca) werden belegerd, dat Kessel de plek was waar de Usipeten en Tencteri zijn verslagen, en dat bepaalde muntschatten in Zuid-Limburg de stille getuigen zijn van de door Caesar aangerichte genocide onder de Eburonen. Ik heb de discussie over deze hypothesen altijd vreemd gevonden. Ze behoorde te gaan over waarheidstheorieën en over de aard van het oudheidkundig bewijs; in de praktijk werd de correspondentietheorie impliciet aangenomen. Ik had, om te citeren wat een archeoloog over een soortgelijke discussie zei, de indruk dat menigeen de diepte van de problematiek onvoldoende doorgrondde.

Wat eigenlijk moet gebeuren? Meer kennis van de aard van de oudheidkundige bewijsvoering, dat om te beginnen. Daarnaast meer kennis van de problematiek van antieke bronnen, in vertaling. Kortom, we moeten de archeologische opleidingen terug brengen tot het wetenschappelijk minimum (zes of zeven jaar dus) en oud-studenten een kans geven zich bij te scholen om hun kennis op peil te brengen.

Literatuur

#absenceOfEvidenceIsNotEvidenceOfAbsence #Ambiorix #Atuatuca #België #Berg #coherentietheorieVanDeWaarheid #conflictarcheologie #correspondentietheorieVanDeWaarheid #HeliRoosens #interdisciplinariteit #JuliusCaesar #KanneCaestert #maximalismeEnMinimalisme #NicoRoymans #waarheid #XIVGemina

Aquaduct

De bovenloop van het aquaduct op het terrein van Museumpark Orientalis

1.

In het oosten van Nijmegen ligt een oud Romeins aquaduct. De vijver, de geulen en de drie dammen zijn goed vergelijkbaar met antieke waterleidingen als die in Dorchester en Tongeren, maar er zijn weinig concrete vondsten gedaan. Hout, het materiaal waarmee de eigenlijke waterloop was gebouwd, is nu eenmaal vergankelijk en kan niet meer worden opgegraven.

Het is daarom begrijpelijk dat er een stevige discussie is losgebarsten of de vijver, geulen en dammen wel door de Romeinen zijn aangelegd. Aanvankelijk waren het sceptische burgers die vragen stelden; later kwamen daar journalisten bij; daarna gaf de Nijmeegse Rekenkamer advies; tot slot oordeelde de Nijmeegse politiek dat er geen reden was tot twijfel. De affaire interesseert me, maar niet om de vraag of er werkelijk een aquaduct is geweest. Voor zover we weten, was het er. Voor zover we weten, is de kritiek onterecht. Daarom is de scepsis zo boeiend. De Nijmeegse archeologen betalen namelijk voor fouten die niet zij hebben gemaakt.

2.

Eerst even een woord over de kritiek. De sceptici stellen dat er, alvorens te concluderen dat er een aquaduct is geweest, sprake moet zijn van concrete, positieve aanwijzingen. Zulk bewijs is echter niet te leveren: zoals gezegd is het bouwmateriaal te vergankelijk om op te graven. De onmogelijkheid iets vanuit direct bewijsmateriaal te reconstrueren geldt echter niet alleen voor het aquaduct, ze geldt voor alles uit de oude wereld. De oudheidkundige disciplines hebben nu eenmaal een smalle empirische basis.

Dat wil niet zeggen dat de oudheidkundige machteloos staat. In zijn omgang met de schaarse informatie lijkt hij meer op een detective of een medewerker van een inlichtingendienst: hij interpreteert aanwijzingen. Die interpretatie wordt gecontroleerd door enkele vuistregels: voor classici zijn er de eliminatie van bronnen en de eliminatie van manuscripten, voor historici de Everest Fallacy, de positivistische misvatting en testis unus testis nullus, terwijl archeologen wel eens spreken van absence of evidence is not evidence of absence. Deze regels worden zelden expliciet benoemd, maar de oudheidkundige wetenschappen zijn minder speculatief dan ze soms lijken.

De onderzoekers kunnen hun reconstructies bovendien toetsen door ze te vergelijken met andere reconstructies. Dat geldt bij de bestudering van oude teksten: ook al bestaat een inscriptie uit maar een paar letters, er valt door vergelijking met soortgelijke teksten vaak heel wat van te maken, zoals in dit voorbeeld. Dat geldt bij de bestudering van antieke samenlevingen: vergelijking met andere voorindustriële culturen leert dat bepaalde reconstructies waarschijnlijker zijn dan andere. En dat geldt voor de archeologie: de hypothese dat een vijver, wat geulen en drie dammen samen een aquaduct vormden, zou boterzacht zijn als we haar niet konden vergelijken met bijvoorbeeld Tongeren en als we de waterbehoefte van de legioenbasis van Nijmegen niet konden vergelijken met die van andere bases (om zo vast te stellen dat er een aquaduct geweest moet zijn omdat de capaciteit van de lokale waterbronnen te gering was). Naast empirie beschikt de oudheidkundige dus over vergelijkingen. Of, in jargontermen: naast de correspondentietheorie van de waarheid speelt de coherentietheorie een rol. Nog anders gezegd: de oudheidkunde is geen louter empirische maar tevens een rationalistische wetenschap.

Wie dus van een archeoloog of een andere oudheidkundige empirisch bewijs voor zijn reconstructie vraagt, zoals in Nijmegen gebeurde, heeft niet voldoende begrepen dat alles in de oudheidkunde draait om een gierend datagebrek en dat de vaktheorie ertoe dient om dat te omzeilen.

3.

Niemand verplicht mensen om dat te weten en ik zal geen enkele kritische burger iets kwalijk nemen. Sterker nog, ik ben blij dat er burgers en journalisten zijn die kritische vragen stellen. Er is namelijk – en nu kom ik ter zake – iets grondig verkeerd met de wijze waarop oudheidkundigen hun publiek voorlichten, en daarvoor betalen de Nijmeegse archeologen, die het zo slecht niet hebben gedaan, nu ten onrechte de rekening.

Simpel gezegd: 40% van de archeologische persberichten bevat onjuistheden die de betrokkenen hadden moeten herkennen. In Nederland is het wat minder, in landen als Griekenland en Israël is het wat meer, maar scepsis is gerechtvaardigd. Archeologen zijn ook niet de enige oudheidkundigen die overdrijven: hier is een recent voorbeeld van een onderzoeker die heus wel weet dat wat hij presenteert als ontdekking slechts een hypothese is. Een aantrekkelijke hypothese, zeker, maar ook niet meer dan dat.

Dit soort overdrijvingen illustreert de belangentegenstelling tussen enerzijds de wetenschapper en de wetenschappelijke instelling en anderzijds de wetenschap en u. De onderzoeker vergroot met een gelikt persbericht zijn kans op media-exposure, want hij werkt doorgaans voor een instelling die van hem verwacht dat hij een deel van zijn financiering zelf regelt, maar hij bereikt op de korte termijn vooral dat mensen verkeerde noties krijgen over zijn vakgebied. Op de middellange termijn worden de overdreven claims doorgeprikt, zeker nu een derde van de bevolking een hogere opleiding heeft en junkwetenschap kan beoordelen, en op de lange termijn is de wetenschap ongeloofwaardig geworden. Daarmee bent u gedupeerd.

Nijmegen heeft de pech dat de scepsis ten aanzien van de archeologie door de Venlose mikve-affaire een boost heeft gekregen, maar dat was bepaald geen noodzakelijke voorwaarde om een relletje geboren te laten worden. Archeologen en andere oudheidkundigen kampen wereldwijd al jaren met een geloofwaardigheidsprobleem. Er zijn teveel claims doorgeprikt. Het is echter niet terecht dat nu de archeologen in Nijmegen daarvoor opdraaien: hun valt weinig verwijten, behalve dat ze een beroep uitoefenen dat wordt bekritiseerd.

4.

Ik betoog dus dat het feit dat bona fide archeologen onder vuur liggen, mogelijk is geworden doordat het vakterrein als geheel ongeloofwaardig begint te worden. De archeologen moeten nu alle zeilen bijzetten om het vertrouwen te bewaren. En niet alleen de archeologen. Ik schrijf dit stukje als opmaat voor een vervolg over classici en oudhistorici.

Er is nog een tweede reden om alert te zijn: het informatieaanbod is door de opkomst van het internet zó ver vergroot dat mensen gedwongen zijn selecties aan te brengen. De wetenschap moet nu concurreren met andere kennistradities. Elke discipline moet nu tonen waarom haar informatie beter is dan andere. Dit is dan ook de strekking van het KNAW/JA-advies van twee jaar geleden: leg het wetenschappelijk proces uit. Dat advies werd overigens beslist niet voor het eerst gegeven – ik ken het zelf sinds 2006 en neem aan dat het binnen de universiteit al langer de ronde doet.

De echte vraag is daarom niet wat die geulen nou zijn of hoe oudheidkundigen omgaan met hun datatekort, maar waarom ze zich doorgaans niet adequaat uitleggen. Zouden ze wel uitleggen wat de oudheidkundige disciplines maakt tot een wetenschap, dan zou er begrip hebben bestaan voor de vergelijkingen waarmee ze de waarheid benadert. Dan zouden er geen verontruste burgers zijn geweest die de vele misschiens en waarschijnlijks uit de oudheidkundige publicaties ten onrechte hadden uitgelegd als aanwijzing dat er geen aquaduct is. En we zouden niet hebben meegemaakt dat een Rekenkamer onwetenschappelijk over wetenschappers oordeelde. Met betere wetenschapsvoorlichting zou het Nijmeegse relletje te vermijden zijn geweest.

5.

Tijdens het schrijven van dit stukje vernam ik dat de Nijmeegse gemeentearcheologen denken aan de publicatie van een boekje om alle argumenten op een rij te zetten. Ik denk dat het rendement van een goede website groter is, maar het is een goed idee.

Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. Ik bied ook cursussen aan.

Zelfde tijdvak


Verkiezingen in Algerije

december 12, 2019
Kwakgeschiedenis: Griekse theaters

oktober 17, 2017
Peter Connolly

mei 6, 2016 Deel dit:

#absenceOfEvidenceIsNotEvidenceOfAbsence #aquaduct #coherentietheorieVanDeWaarheid #correspondentietheorieVanDeWaarheid #NijmeegseAquaductaffaire #Nijmegen #TestisUnusTestisNullus #UlpiaNoviomagus