Toerist in Alicante

Alicante, Castell de Santa Bàrbara

Over Alicante, de havenstad waaraan ik deze zesde aflevering van mijn narcistisch winterfeuilleton wijd, is een hoop te vertellen. Historisch bezien gaat het om twee plaatsen: het huidige Alicante, dat ligt aan de voet van het 160 meter hoge Castell de Santa Bàrbara, en een antieke stad op een uur wandelen ten noordoosten van het huidige centrum. Deze plek heet tegenwoordig Tossal de Manises, en het gaat om een gebied van ongeveer drie hectare met een Romeins badhuis, marktplein, woonhuizen, stadsmuur en een islamitisch grafveld.

Drie namen voor twee plaatsen

De Latijnse naam voor deze plaats was Lucentum, waarin het woord lux zit, “licht”. Dat zal wel verwijzen naar een landschappelijk fenomeen dat stralend wit was. In het Grieks heette de stad, gesticht door Hannibals vader Hamilkar Barka, Akra Leukè, “de witte burcht”. De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius vermeldt bovendien een fort, waarvan de naam meestal wordt weergegeven als Castrum Album, wat opnieuw “de witte burcht” betekent. Die lezing lijkt ingegeven door de betekenis van het Griekse Akra Leukè, en de aanname is dat het gaat om dezelfde plek.

Tossal de Manises, gezien vanaf Castell de Santa Bàrbara

Er zijn echter twee complicaties. Om te beginnen dat we voor dezelfde plek nu twee Latijnse namen hebben, namelijk Lucentum en Castrum Album. En verder is er de complicatie dat in de middeleeuwse handschriften geen Castrum Album staat, maar Castrum Altum, “de hoge burcht”. Dat suggereert dat dit de naam was van het fort boven het huidige Alicante, het Castell de Santa Bàrbara dus.

Museum

Aan de voet van het fort ligt een interessant archeologisch museum, dat bestaat uit drie grote zalen waarin archeologie wordt uitgelegd: je ziet een opgraving op ware grootte, onderzoek aan een middeleeuwse kerk op ware grootte en een scheepswrak op ware grootte. Aan weerszijden van die drie zalen liggen twee gangen, waarvan de linker loopt langs vier zalen voor de tijdelijke expositie (momenteel gewijd aan de havenstad Denia), terwijl de rechter loopt langs de permanente opstelling.

Een deel van de opgraving op ware grootte (NB: archeologen werken bij daglicht)

Deze rechtergang dient om uitleg te geven van wat archeologen doen en kan met recht voorbeeldig worden genoemd: schrijvend op mijn hotelkamer herinner ik me geologie, pollenonderzoek, archeozoölogie, dendrochronologie, koolstofdateringen, thermoluminescentie, mineralogie, het onderzoek naar gewassen, fysische antropologie, etnografie, metallurgie, de bestudering van keramiek en glas en ook de filologie, de numismatiek en de epigrafie.

De eerste van de vier zalen van de permanente opstelling toonde het prehistorische materiaal en de tweede behandelde de Iberiërs, die in Alicante en omgeving de Contestaniërs heetten. In deze zaal stond het beeld van de Dame van Cabezo Lucero, die een tikje ouder lijkt dan de Dame van Elche. Er was ook interessant aardewerk. De derde zaal bevatte Romeinse vondsten, die niet heel spectaculair waren, en tot slot was er een zaal gewijd aan de Middeleeuwen.

Dame van Cabezo Lucero

Ook in Alicante is de Arabische tijd niet heel spectaculair getoond. Zoals zo vaak krijg je wat aardewerk te zien, maar worden daarmee minder verhalen verteld dan met het Griekse aardwerk; je krijgt wat sculptuurfragmenten te zien, maar zelden vertellen die iets groters; je verneemt weer eens dat de Arabieren de islam meebrachten, maar daar blijft het bij. Het is – en dat geldt voor alle musea die ik bezocht – alsof er geen geëigende vorm is om het materiaal te tonen. Dat komt natuurlijk deels doordat de bestudering van de Middeleeuwen vaak is gebaseerd op teksten en de archeologie pas aan bod komt als teksten ontbreken (hoewel het vak, zoals ik al aangaf, heel belangrijke informatie heeft te bieden). De archeologie van El-Andalus komt mede daardoor slecht uit de verf. Er zijn meer factoren, maar daarover hebben we het nog eens.

In elk geval is het museum in Alicante, ondanks de niet heel spectaculaire collectie, een bezoek meer dan waard. Ook omwille van het goede boekhandeltje, trouwens.

Monument voor de evacuatie van Alicante

Alicante

We zijn naar het fort gewandeld, Livius’ Castrum Altum, waar diverse bouwfasen zijn te herkennen. Het hoogste deel dateert uit de Arabische tijd, al is daarvan weinig te herkennen, en daarna is het uitgebreid met drie steeds lagere terrassen. Aan de voet van het fort is een basiliek voor Sint-Nikolaas, die u met gerust hart kunt overslaan, tenzij u een reliekhouder wil zien met een haar van paus Johannes Paulus II. Katholieken bezitten doorgaans enig relativeringsvermogen maar ik ben er niet helemaal zeker van dat dit een poging was tot humor.

In de Spaanse Burgeroorlog was Alicante de laatste stad die nog weerstand bood aan de troepen van generalísimo Francisco Franco. De havenstad viel op 1 april 1939. Italiaanse fascisten, Franco’s bondgenoten, namen 15.000 verdedigers van de Spaanse republiek gevangen, en 3000 mensen werden gered dankzij vissersboten en een Britse stoomboot die hen overzette naar Oran in Frans Algerije. Bij de haven van Alicante staat tegenwoordig een bescheiden borstbeeld van de kapitein van het Britse schip, Archibald Dickson, en een deel van de boulevard is gewijd aan de “martelaren voor de vrijheid”.

Morgen: Elche.

#Alicante #ArchibaldDickson #Contestaniërs #DameVanCabezoLucero #FranciscoFranco #HamilkarBarka #Lucentum #SintNikolaas #SpaanseBurgeroorlog #TitusLivius #TossalDeManises

De grootste oorlog uit de Oudheid (3)

De Egadische Eilanden

[Dit is de derde aflevering van een reeks over de Eerste Punische Oorlog (264-241). In het eerste deel beschreef ik hoe de Romeinen en Karthagers in conflict raakten en dat de Romeinen een vloot waren gaan bouwen In het tweede deel beschreef ik hoe de Romeinen overstaken naar Afrika en hoe consul Regulus daar door de Karthagers werd verslagen.]

Het was een geweldige blamage dat Regulus krijgsgevangen was genomen, maar de operatie in Afrika was niet volledig mislukt. Enkele Numidische stammen ten westen van Karthago hadden zich aan de Romeinse zijde geschaard, wat betekende dat de Romeinen de volgende vijf jaar niet bang hoefden zijn voor grootschalige Karthaagse initiatieven. Bovendien verscheen de Romeinse vloot net op tijd om het expeditieleger te evacueren.

Scheepsrampen

De 364 schepen keerden behouden terug naar Sicilië en de Romeinen maakten zich op voor nieuwe operaties, toen een orkaan opstak en op tachtig na alle topzware oorlogsbodems vernietigde. “De kust lag bedekt met wrakstukken en lijken,” schrijft Polybios, die toevoegt dat “niet is overgeleverd dat ooit een grotere ramp op zee heeft plaatsgevonden.” Het zou betekenen dat meer dan 100.000 opvarenden om het leven kwamen, meer dan een tiende van alle weerbare mannen uit Italië. Dat is moeilijk voorstelbaar, maar het wordt bevestigd door de officiële, door Titus Livius overgeleverde censuscijfers (die zelfs een nog grotere terugval suggereren) en er is weinig aanleiding te twijfelen aan de genoemde scheepsaantallen.

Rome was echter nog in staat legers te lichten, terwijl de Karthagers hun troepen vooral nodig hadden in de strijd tegen de Numidiërs, zodat Palermo in Romeinse handen kwam. Hierna raakte de oorlog echter in een impasse. Zonder vlootoverwicht konden de Romeinen de laatste Karthaagse havens op Sicilië, Lilybaeum (het huidige Marsala) en Drepana (Trapani), niet innemen. Ook de terugval in mankracht begon zich te doen voelen.

Bokswedstrijd

Gedurende vele jaren sleepte de oorlog zich voort. Beide partijen hielden zich bezig met kaapvaart en het plunderen van elkaars kusten. Op een gegeven moment kwam ook daaraan een einde, doordat zowel de Karthagers als de Romeinen de economische middelen niet langer hadden om oorlogsschepen uit te rusten. Jarenlang zetten de legioenen hun belegering van de havens voort, terwijl de Karthaagse leider Hamilkar Barka de Romeinen lastigviel met guerrilla-aanvallen vanuit het gebergte ten westen van Palermo, zonder dat hij erin slaagde de belegerde steden te ontzetten. Polybios vergelijkt het met een wedstrijd tussen twee voortreffelijke boksers, waarvan een verslaggever ook niet elke klap hoeft te beschrijven, en ontslaat zichzelf daarmee van de verplichting uitgebreid in te gaan op deze oorlog: “Het verhaal zou zo saai worden dat de lezer er geen profijt van heeft.”

De oorlog sleepte zich zo voort tot 241, toen de Romeinen zich voldoende hadden hersteld van de ramp die zich een halve generatie eerder had voltrokken.

Het einde van de Eerste Punische Oorlog

Ze bouwden weer een vloot en zeilden daarmee naar het westen van Sicilië, waar ze rond het begin van de lente de laatste Karthaagse schepen in het zicht van de Lilybaion en Drepana versloegen. De vondst van bronzen scheepsrammen in de wateren bij Trapani – ik blogde er al over – vormt onverwachte bevestiging van Polybios’ verhaal over de zeeslag bij de Egadische Eilanden.

Nu de Karthaagse vloot – of beter: wat daarvan resteerde – was vernietigd, was de val van de twee steden onafwendbaar geworden en de Karthagers stemden in met een vredesverdrag, waarin ze Sicilië aan de Romeinen afstonden. Zo kwam er een einde aan een oorlog die volgens Polybios vierentwintig jaren zonder onderbreking had geduurd en daardoor de langste, meest intensieve en grootste oorlog was geweest uit de geschiedenis.

Op dat oordeel valt weinig af te dingen en het bewijst dat Polybios een eerlijk historicus is die de waarde van zijn eigen geschiedwerk weet te relativeren. Zijn verhaal over de Eerste Punische oorlog is namelijk slechts de inleiding tot zijn beschrijving van Romes groei tot hypermacht, het onderwerp waarnaar hij zelf onderzoek had gedaan. De Tweede Punische oorlog, die zoveel beroemder is dan zijn voorganger, was volgens een van zijn voornaamste chroniqueurs in feite van minder belang dan wat eraan was voorafgegaan.

#EerstePunischeOorlog #EgadischeEilanden #HamilkarBarka #hypermacht #Lilybaion #Polybios #Sicilië

De Huurlingenoorlog (1)

Borstpantser, mogelijk gebruikt door een kleine Italische huurling in de Huurlingenoorlog (Musée national du Bardo, Tunis)

Ik heb in het verleden regelmatig geblogd over Karthago en de Punische Oorlogen tegen de Romeinen. De Huurlingenoorlog (241-238 v.Chr.) heb ik echter nog nooit behandeld, terwijl dat een fascinerend onderwerp is. Het was een humanitaire catastrofe zonder weerga.

Eigenlijk is de naam “Huurlingenoorlog” net zo eufemistisch als de naam die de geschiedschrijver Polybios gebruikt: “de oorlog die de Verdragloze wordt genoemd”. Dat geeft weliswaar aan dat het conflict absoluut en onverzoenlijk was, maar het woord “oorlog” suggereert dat er definieerbare fronten en strijdende partijen waren. Maar zo geordend was het niet. Het was een bewapend conflict van allen tegen iedereen.

Het conflict begon in de laatste weken van de Eerste Punische Oorlog. De Romeinen hadden bij de Egadische Eilanden de Karthaagse vloot verslagen en de Karthaagse soldaten op Sicilië, vrijwel allemaal huurlingen, wisten dat ze nooit meer bevoorraad zouden worden. Ze capituleerden en mochten vertrekken naar Afrika. Daar veroorzaakten ze al snel de totale anarchie.

Ontevreden huurlingen

Geskon, de officier met de weinig benijdenswaardige taak opdracht de capitulatie te regelen, liet in de zomer van 241 v.Chr. de soldaten in groepjes laten terugkeren, opdat de Karthaagse autoriteiten hun regiment voor regiment konden betalen en demobiliseren. De voorzorgsmaatregel bevestigt dat er al problemen waren met de betaling van de soldaten, die al eerder in opstand waren gekomen.

De Karthaagse betaalmeesters gaven de manschappen een voorschot en stuurden ze door naar Sikka, 180 kilometer naar het westen, het huidige El Kef. Het is mogelijk dat ze opdracht kregen hierheen te gaan omdat de Karthagers hen het liefst zo ver mogelijk wilden hebben, maar het kan ook zijn dat oorlog dreigde met Numidië, of allebei.

Niet veel later arriveerde Hanno de Grote, een vooraanstaand politicus, om de huurlingen de situatie uit te leggen: Karthago had geen geld in kas en hoopte dat ze genoegen konden nemen met minder. Misschien zouden de manschappen, die wisten hoe slecht het ervoor stond, er enige redelijkheid in hebben kunnen herkennen en was er met rustig onderhandelen een acceptabel compromis mogelijk geweest, maar de tolken gaven de boodschap niet goed door en de Iberiërs, Kelten, Liguriërs, Balearen, Libiërs en Grieken beschouwden Hanno’s voorstel als onacceptabel. De strijdmacht rukte van Sikka op naar Tunis.

Ontevreden boeren

Er was nog meer ontevredenheid. De boeren waren de voorgaande jaren gedwongen geweest de helft van hun oogst af te staan aan Karthago, wat in elke voorindustriële samenleving absurd veel is. Ook de steden in het Karthaagse achterland hadden reden tot kwaadheid, want ze hadden dubbel tribuut moeten betalen. De onvrede greep om zich heen, en toen de 20.000 man sterke huurlingenschare was aangekomen in Tunis, wist de Karthaagse Raad van Ouden niet beter dan in te stemmen met de eis tot onmiddellijke betaling.

Nu roken de huurlingen bloed, en ze bedachten meteen enkele aanvullende kostenposten. Generaal Hamilkar Barka bleek als onderhandelaar onacceptabel – hij had in Sicilië betalingen toegezegd die nooit waren gedaan – maar Geskon had meer succes. Hij betaalde de eerste regimenten en begon soldaten naar huis te sturen.

Naar een Huurlingenoorlog

Sommige mannen hadden echter geen belang bij een oplossing. Zo was daar Spendius, een weggelopen slaaf uit Italië die niets te winnen had bij demobilisatie. Hij zou dan immers terug moeten naar zijn meester. Verder was er de Libiër Matho, die als een van de leiders van het oproer de aandacht al had getrokken en wist dat als het huurlingenleger eenmaal ontbonden was, niets hem zou beschermen wanneer de Karthagers een prijs op zijn hoofd zouden zetten. Door hun gestook – althans, zo presenteert Polybios het – liep Geskons poging de gemoederen tot bedaren te brengen uit op niets.

De opstandelingen namen de Karthaagse officier gevangen, en toen duidelijk was dat ze Karthago zouden aanvallen, kregen ze de steun van de uitgebuite Libische boeren. “De mannen hadden geen aansporing nodig,” noteert Polybios, die ook het oncontroleerbare aantal van 70.000 opstandige boeren vermeldt.

Even oncontroleerbaar is dat de vrouwen hun sieraden afstonden om soldij te betalen. Misschien gebeurde het echt, maar het is wel een cliché in de antieke literatuur. De munten uit deze jaren suggereren dat de huurlingen in dienst traden van de verenigde steden in het Karthaagse achterland, die een eigen leider hadden, Zarzas. Dat zal althans de officiële fictie zijn geweest in een tijd waarin het recht van de sterkste bepalend was.

[Wordt vervolgd; dit blogje was gebaseerd op een hoofdstuk uit mijn boek De vergeten oorlog. Wat mij betreft bestelt u het en doet u het iemand cadeau met Sint-Nikolaas. Maar u kunt natuurlijk ook mijn nieuwe boek bestellen, Oudheidkunde is een wetenschap. Mijn uitgever is goed voor me geweest en wil ook wel eens een bestseller hebben.]

#ElKef #Geskon #HamilkarBarka #HannoDeGrote #huurlingen #Huurlingenoorlog #Karthago #Matho #Polybios #soldij #Spendius #Tunesië #Tunis #Zarzas

De Tweede Punische Oorlog (1): Saguntum

Saguntum, waar Hannibal de Tweede Punische Oorlog ontketende

[Vier jaar geleden blogde ik rond kerstmis vrij uitgebreid over het Ardennenoffensief, een historische gebeurtenis die in de nieuwscyclus altijd wordt overschaduwd door de gebruikelijke eindejaarsoverzichten en -lijstjes. Mocht u die stukjes destijds niet hebben gelezen, dan beveel ik ze u van harte aan. Het jaar erna blogde ik over de Trojaanse Oorlog en vorig jaar waren de christenvervolgingen het thema van het inmiddels traditionele vervolgverhaal met kerstmis. Dit jaar kreeg ik tot viermaal toe een verzoek om de Tweede Punische Oorlog. Het is wat ver verwijderd van “Vrede op aarde in de mensen een welbehagen”, maar wie een longread zoekt voor de kerst, heeft hier een veertiendelige reeks.]

Het blijft een van de meest tot de verbeelding sprekende verhalen uit de Oudheid: de Karthaagse veldheer Hannibal Barka die met zijn olifanten over de Alpen trekt. Met deze operatie viel hij de Romeinen aan waar ze het nooit hadden verwacht: in het noorden, in plaats van op Sicilië. Titus Livius, een belangrijke bron, presenteert de Tweede Punische oorlog als strijd op leven en dood, wat enigszins overdreven is omdat Hannibal er niet op uit was Rome te verwoesten. Het ging hem erom het Romeinse stelsel van bondgenoten te ontmantelen en de vijand te reduceren tot de status van stadstaat.

Livius wijdt tien boekrollen aan “de meest gedenkwaardige oorlog aller tijden”, en hoewel hij aandacht besteedt aan het diplomatieke geschil dat de aanleiding ertoe vormde, zoekt hij de oorzaak in het karakter van één man: Hannibal, de zoon van een Hamilkar Barka die op Sicilië een guerrilla tegen de Romeinen had gevoerd. (Ik blogde er al over.) Hamilkar had het verlies van het eiland gecompenseerd door de verovering van Andalusië, wat hem populair maakte bij de Karthaagse bevolking en zijn stad een efficiënte Spaanse landmacht gaf die was getraind volgens de laatste inzichten uit de Griekse wereld. Deze Hamilkar zou zijn zoon hebben laten zweren dat hij voor eeuwig de vijand van Rome zou zijn.

Een gevaarlijke vijand, weet Livius, die een hele reeks militaire kwaliteiten aan Hannibal toeschrijft en daar wreedheid, onbetrouwbaarheid, leugenachtigheid, goddeloosheid, trouweloosheid en principeloosheid aan toevoegt. Dit kwaadaardige sujet werd in 221 commandant van Karthago’s Spaanse leger en was vanaf dat moment uit op oorlog met Rome.

Althans, zo presenteert Livius het, alsof één man in staat is een complete staat in een oorlog mee te slepen. Het ligt natuurlijk complexer. De Karthagers waren gefrustreerd door de nederlaag in de Eerste Punische oorlog en er waren “haviken” die aanstuurden op revanche. Hannibal was niet alleen. Omgekeerd waren er ook in Rome senatoren die meenden dat een tweede oorlog noodzakelijk was. Onder andere omstandigheden zou een wraakbelust man als Hannibal minder ruimte hebben gekregen, maar hij had gedurende enkele jaren voldoende politieke rugdekking om de oorlog te ontketenen die zijn vader lijkt te hebben gewild.

Het uitbreken van de Tweede Punische oorlog was ondertussen geen buitengewoon bijzondere zaak. De Karthagers breidden hun macht uit in Spanje; de bewoners van een bedreigde stad, Saguntum, vroegen om hulp in Rome; maar omdat deze stad lag in een ook door Rome erkende Karthaagse invloedssfeer was er een diplomatiek probleem. Met wat goede wil zou het op te lossen zijn geweest, maar niemand wilde vrede. Toen Hannibal de stad eenmaal had bezet en had vernomen dat én Karthago én Rome dit opvatten als het begin van een oorlog, begon hij aan de voorbereidingen van de opmars naar Italië.

De omvang van het expeditieleger suggereert dat het plan klaar lag. Als de voornaamste bronnen voor deze veldtocht, Livius en de doorgaans accurate Polybios, betrouwbaar zijn, verliet de Karthager Spanje met 102.000 man. Ten noorden van de Ebro liet hij 11.000 man achter en daarna zou hij, na enkele gevechten, met 59.000 soldaten de Pyreneeën zijn overgestoken. Als dit juist is, zou de Karthaagse generaal in Catalonië al een derde van zijn leger hebben verloren. Van de overblijvers zou hij, hoewel geen gevechten worden vermeld, opnieuw een kwart zijn verloren voor hij de Rhône had bereikt, want daar zette hij 46.000 man over. In een later door Hannibal achtergelaten inscriptie vermeldde hij dat hij ooit met 20.000 man voetvolk en 6.000 ruiters was aangekomen op de Povlakte. Dit ongetwijfeld correcte cijfer leidt tot de conclusie dat de overtocht van de Alpen bijna de helft van Hannibals mannen het leven kostte.

Dit spectaculaire verlies kán eenvoudig niet waar zijn. Geen generaal springt zo roekeloos om met mensenlevens, al was het maar omdat hij alleen succes kan hebben met levende soldaten. Het is aannemelijker dat de Karthager met zo’n 40.000 man de Ebro overstak, ongeveer evenveel als Alexander meenam toen hij de Perzen aanviel (bron) en als Caesar zou inzetten tegen de Galliërs. Vervolgens liet Hannibal een kwart van zijn manschappen achter om te verhinderen dat Catalonië een Romeinse basis zou worden – te weinig, zoals zal blijken – en daarna zal hij nog zo’n 4000 man hebben verloren.

Het expeditieleger bestond uit verschillende nationaliteiten. Van de 26.000 man die de Povlakte zullen hebben bereikt, vormden de taaie Libiërs de meerderheid, maar er waren ook Iberiërs, Griekse officieren, slingeraars van de Balearen, Numidiërs en Galliërs. Later zouden daar nog meer Galliërs bijkomen, alsmede Samnieten en andere Italiërs. Een van de manieren om de eenheid te bewaren was religie. Hannibals munten tonen de mannetjesputter die bij de Karthagers Melqart heette, bij de Grieken Herakles en bij de Galliërs Ogmios. Iedereen kon zich ermee identificeren, want niet alleen was de halfgod de belichaming van alles wat mannelijk was, hij was ook beroemd omdat hij lange reizen had gemaakt, omdat hij oorlog had gevoerd en, niet in de laatste plaats, omdat hij ooit vanuit Spanje via de Alpen naar Italië was gekomen.

[Wordt vervolgd]

Deze blog, die u ook via het Whatsapp-kanaal kunt volgen, is niet mijn enige activiteit. In het voorjaar organiseer ik een reis naar Bulgarije en een andere reis langs Keltische locaties.

Zelfde tijdvak


De eerste wereldtaal

september 26, 2017
Skaras of Arar? (2)

januari 29, 2021
Efese

april 17, 2025 Deel dit:

#hamilkarBarka #hannibal #saguntum #spanje