“Nochtans is het sentiment niet minder waar, mijn geliefdbare huffel. Guilhabert heeft niet het aanzien van Luciendo, maar zijn sonnetten zijn leesbaar zonder een academische kwalificatie en de thematiek herkenbaar voor eenieder die wel eens buiten een troonkamer komt.”
“Gut. Sentimenteel geneuzel vol zelfvoldoening met zoveel bedekte wenken naar seks dat zelfs jonkvrouwen uit Traesal begrijpen dat de priester niet over daadwerkelijke kersen spreekt.”
“Ach staak het zelfcentrische mokken. Je bereikt exact datgene dat je voordoet te willen voorkomen en schijnt een spotlicht op deze ongemakkelijke samenwerking. Nee. Iedereen zou gelukkiger zijn met het veneer van collegialiteit. Hebben jullie contact met andere van de verdomde zwevers dan wij? De pretentie van vriendschappelijk vakgenootschap kan je niet onbekend zijn. We doen niet anders.”
“— Meis,” fluisterde de bard, “stap toch door één van de poorten in je winkel, reis naar de steppen van Ilnandia of het verre zuiden van Siltari. Dool waar de sterren vreemd zijn en de zonovergoten dag zonder markering overgaat in de volgende. Het enige herkenningspunt de voetstappen achter je en de enige vraag welk uitzicht voorbij de volgende heuvel ligt. Wanneer zomer winter wordt spreken we weder, maar vertrek uit Werfstee. Ik smeek je.”
“Mijnjonkheer des Breehorst-Zilverwoud?” Een bekend gezicht kwam uit het poortwachtershuisje, direct gevolgd door de rest van een mollig lijf. De man keek hem door de spijlen aan. “Kan ik u ergens mee helpen vanavond?”
“Mart.” Viggo knikte zo informeel als hij kon, nauwelijks meer dan een hoofdophalen grofweg in dezelfde windrichting als de lakei. “Heerlijke avond om door te brengen in het knusse interieur van een poortgebouw.”
“— Al goed, Manhilde. Al goed,” bromde Sievert, en drukte Alessio enkele gouden munten in zijn handen. De jongen keek met grote ogen van verbazing en angst naar het kleine fortuin voor het hoofd inlichtingen zijn blik ving en indringend aansprak. “Beste Alessio, als ik je mag adviseren om grondig, gezwind en bestendig te verdwijnen. Als ik mij bedenk wanneer jij nog in Werfstee vertoeft is er geen losgeslagen Kwartiermaker die jou kan redden.”
“Waarom?” Lena keek vrolijk. “Iedereen in Werfstee kent, zonder het te weten, wel een deel van het ondergrondse. Maar er is denk ik zelfs niet één Kwartiermaker die alle paden weet. De kunst is om de routes te beheersen die je nodig hebt.” Ze glimlachte betweterig. “Het helpt om sloten te kunnen openen.”