“Pandora kutusundan bütün dertler çıktı; umut ise tam çıkacakken içeride kaldı.”

Hesiodos ve Pandora Efsanesi - Prof. Dr. Doğan Göçmen #felsefe #pandorakutusu #hesiodos #efsane #mitoloji #tarih

📃 https://www.gundemarsivi.com/hesiodos-ve-pandora-efsanesi/

Hesiodos ve Pandora Efsanesi - Gündem Arşivi

Gündem Arşivi - Hesiodos’un İşler ve Günler adıyla bilinen epik şiirinde anlattığı ünlü Pandora efsanesi herkes tarafından bilinir. Eğer Pandora kutusunu

Gündem Arşivi

“Pandora kutusundan bütün dertler çıktı; umut ise tam çıkacakken içeride kaldı.”

Hesiodos ve Pandora Efsanesi - Prof. Dr. Doğan Göçmen #felsefe #pandorakutusu #hesiodos #efsane #mitoloji #tarih

📃 https://www.gundemarsivi.com/hesiodos-ve-pandora-efsanesi/

Hesiodos ve Pandora Efsanesi - Gündem Arşivi

Gündem Arşivi - Hesiodos’un İşler ve Günler adıyla bilinen epik şiirinde anlattığı ünlü Pandora efsanesi herkes tarafından bilinir. Eğer Pandora kutusunu

Gündem Arşivi

Archeoastronomie

Stonehenge, fase 1

Ik weet zeker dat higgsbosonen, Vietnam, sequoia’s en tektonische platen bestaan, al heb ik ze nooit gezien. Verder betwijfel ik niet dat er ooit triceratopsen over deze planeet hebben rondgewandeld. Ik neem het aan zonder bewijs. Als het gaat om de Oudheid, weet ik echter graag waarom we dingen weten. Bijvoorbeeld: hoe weten archeologen dat monumenten uit het Late Neolithicum en de Bronstijd zijn georiënteerd op astronomische verschijnselen?

Voordat ik verder ga: ik schrijf dit precies om de reden die ik noem. Ik wil weten hoe archeologen weten wat ze weten. Ik schrijf het niet vanuit pseudoscepsis (“ik stel alleen maar vragen”). Ik heb echter een stukje uit de bewijsvoering nooit gehoord, of ben dat vergeten, en ik vertrouw erop dat een archeoloog me straks doorverwijst naar een wetenschappelijk artikel dat ik niet ken. Sta me nu een redenering toe die bij elke stap allerlei nuanceringen behoeft die ik zal overslaan; het gaat me even om de hoofdlijn.

1

Hierboven zag u een plattegrond van Stonehenge in de eerste fase, eenendertigste eeuw v.Chr. De beroemde megalieten waren er nog niet. Wel was er een wal met een diameter van 110 meter met daarbuiten een gracht. In de wal/gracht waren drie onderbrekingen, waarvan de grootste was gericht naar het noordoosten. Wie vanaf het centrum, waar eeuwen later de “altar stone” zou worden geplaatst, naar het noordoosten keek, zag daar op de langste dag van het jaar de zon opkomen.noot Ik weet dat sommige archeologen denken dat men van het noordoosten naar het zuidwesten keek, maar dat maakt voor mijn redenering niet uit. Althans, ruwweg. Zonder veel pretenties en met mijn meer dan veertig jaar oude geodriekhoekje zie ik dat de opening in het noordoosten vanuit het middelpunt bezien zo’n zestien graden wijd is. Laten we, for argument’s sake, aannemen dat zestien graden de marge is die archeologen accepteren als ze denken dat een monument is gericht op een astronomisch verschijnsel. Het kan ook tien of twintig zijn, of vijf of vijfentwintig, maar het gaat om de redenering.

2

Nu zijn er veel meer bouwwerken uit het Late Neolithicum en de Bronstijd bekend waarvan archeologen weten dat ze zijn gericht op hemelverschijnselen. Ik heb eens een boek over de Prehistorie doorgebladerd en constateer dat het bijvoorbeeld gaat om de plaats van zonsopkomst op de langste dag van het jaar, de plaats van zonsopkomst op de kortste dag van het jaar, en daarnaast de plekken op de horizon waar de zon op de langste en kortste dag ondergaat. Als ik vier sectoren inteken, levert dat voor 51° noorderbreedte een plaatje als dit op.

Zonsopkomsten en -ondergangen

3

Verder lees ik van constructies die zijn gericht op de plekken waar de sterren Antares, Rigel, Sirius en de Plejaden opkomen of ondergaan. Voor wat zuidelijker breedtes lees ik ook over Deneb, en zo zijn er meer sterren, maar die laat ik even buiten beschouwing. Hieronder zijn ook de opkomsten en ondergangen van Rigel en de Plejaden ingetekend.

Zons- en steropkomsten en -ondergangen

U begint te begrijpen waar ik heen wil: er zijn nu al acht sectoren afgebakend van zestien graden, samen 128°: ruim een derde van de horizon. Nu is Deneb de op achttien na helderste ster; als we ons beperken tot helderdere sterren die op 51° noorderbreedte op- en ondergaan, kunnen we nog tweemaal negen sectoren toevoegen, die gedeeltelijk overlappen. Uiteindelijk is ruim 280% van de horizon afgedekt. Anders geformuleerd: er is bij vrijwel iedere oriëntatie van een bouwwerk wel een heldere opkomende of ondergaande ster te vinden. En dan komt de vraag op hoe archeologen kunnen weten dat oude monumenten werkelijk zijn georiënteerd op een astronomisch verschijnsel.

4

Ik laat nog een paar zaken buiten beschouwing, namelijk dat er precessie bestaat, waardoor sterren niet altijd op dezelfde plek op de horizon verschijnen en verdwijnen. In combinatie met het feit dat prehistorische monumenten niet altijd scherp te dateren zijn, voegt dit extra vaagheid toe. Als we ook maanverschijnselen menemen, zijn er nog meer opties. Ik heb weleens geblogd over het Armeense monument Karahunj, waar de astronomische oriëntatie klinkklare kwakgeschiedenis was.

5

Als bij vrijwel iedere oriëntatie wel een heldere opkomende of ondergaande ster is te vinden, moet zijn uitgeknobbeld dat de door archeologen geopperde oriëntaties desondanks geen toeval zijn. Welk artikel is dat?

6

Ik laat pogingen monumenten te interpreteren als observatoria buiten beschouwing. Ik ben niet overtuigd van de hypothese dat men zulke bouwwerken nodig had om de akkerbouw te reguleren. Lees de Werken en Dagen van Hesiodos of een boek over volksweerkunde, en je krijgt een beeld van de informatie die circuleerde in een agrarische samenleving.

7

Nogmaals: ik schrijf dit niet om te trollen, want intuïtief vermoed ook ik dat de oriëntaties op het opkomen en ondergaan van de zon op de langste en kortste dag reëel zijn. Met sterren heb ik intuïtief moeite omdat er, mijns inziens, altijd wel iets is te verzinnen. Omdat we aan intuïtie niks hebben, wil ik de onderbouwing leren kennen.

Doet dit ertoe?

Op de achtergrond speelt iets anders. Archeologen erfden allerlei opvattingen van eerdere archeologen. Daar is meestal niets verkeerd aan, maar het betekent ook dat archeologen soms niet langer weten waarom ze dingen weten. De vraag waarom archeologen weten dat prehistorische monumenten waren gericht op sterrenkundige verschijnselen, heb ik aan diverse geleerden voorgelegd, die me allemaal doorverwezen naar anderen.

Uit de Romeinse archeologie ken ik verschillende vanzelfsprekendheden die archeologen niet kunnen uitleggen. Onlangs viel me bijvoorbeeld op dat niemand weet waarom we “Magusanus” tegenwoordig beschouwen als naam van een god, terwijl het vroeger gold als plaatsaanduiding. Ik verneem ook geen bewijs voor veelgehoorde beweringen als zou keizer Hadrianus in Voorburg zijn geweest of dat de Drususgrachten lagen in Nederland. Archeologen hebben een mooi vak, reusachtig mooi, maar het oogt weleens als reus op lemen voeten.

En dat is zorgwekkend. Tijdens de Nijmeegse aquaductenaffaire zagen we hoe kwetsbaar het vak is. Er hoeft maar één pseudoscepticus z’n gelijk te halen – en dat is niet denkbeeldig – en de archeologie is geen reus op lemen voeten meer maar een wetenschap met een reusachtig geloofwaardigheidsprobleem.

[Met dank aan Marco Langbroek en Kees Huijser. De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#archeoastronomie #Hesiodos #Karahunj #Plejaden #pseudoscepsis #Stonehenge #volksweerkunde #winterzonnewende #zomerzonnewende

Hesiodos en het Lied van Kumarbi

Zeus (Nationaal museum, Athene)

Op naam van de archaïsche Griekse dichter Hesiodos, die u zo rond 700 v.Chr. moet plaatsen, zijn twee grote leerdichten overgeleverd: om te beginnen Werken en dagen, een schitterend gedicht over het dagelijkse management van een boerderij (en ja, dat onderwerp sluit allerminst uit dat iemand er mooi over schrijft), en daarnaast de Theogonie (“geboorte der goden”), een overzicht van alle goden en hun onderlinge conflicten, in het Nederlands vertaald door Ronald Blankenborg.

De Theogonie

We horen over hoe uit de oorspronkelijke chaos twee goden zijn voortgekomen, namelijk Ouranos en Gaia ofwel Vader Hemel en Moeder Aarde. Dit kosmische paar krijgt verschillende kinderen, waaronder de graangod Kronos, die jaloers is op de macht van zijn vader. Gaia heeft zo haar eigen redenen om een afkeer te hebben van Ouranos, en zij zet haar kinderen op tegen hun vader. Kronos neemt het voortouw bij de aanslag en overmeestert Ouranos, die hij met zijn graansikkel castreert.

De oude hemelgod voorspelt nu aan Kronos dat deze op zijn beurt zal worden afgezet. Vooralsnog echter is Kronos, inmiddels getrouwd met zijn zus Rhea, de heerser van de nog jonge schepping.

De nieuwe oppergod neemt voorzorgsmaatregelen om te beletten dat de voorspelling van zijn vader in vervulling zal gaan: hij verzwelgt de kinderen die hij heeft verwekt bij Rhea. Die wil wraak en als ze haar zesde kind baart, de donder- en blimsemgod Zeus, bedenkt ze een plan om haar baby te redden. In plaats van haar zoon geeft ze Kronos een in luiers gewikkelde steen, die de oude god inslikt in de veronderstelling dat het zijn zoontje is.

Als Zeus, die dus in leven blijft, eenmaal is opgegroeid, dwingt hij Kronos om zijn kinderen weer uit te braken. De steen wordt geplaatst in Delfi, waar hij zal worden vereerd als de omfalos, navel, van de wereld. Sinds deze gebeurtenissen, zo wisten de Grieken, regeert Zeus als oppergod over het universum.

Het lied van Kumarbi

We hebben voor dit duistere verhaal over macht, exces, wraak, opvolging en vergelding een parallel: een kleitablet uit de veertiende eeuw v.Chr., gevonden in de Hittitische hoofdstad Hattusa, met daarop de tekst van het Lied van Kumarbi.

Dat begint met een catalogus van goden en vervolgt met een korte typering van de heerschappij van de oergod Alalu, die zich terugtrekt onder de aarde als hij is afgezet door de hemelgod Anu. Alalu’s zoon Kumarbi, een graangod, dient zich echter aan om zijn afgezette vader te wreken. In een gevecht overmeestert hij Anu en bijt hem diens geslachtsdeel af. De verslagen en ontmande hemelgod trekt zich terug, maar niet zonder Kumarbi te hebben voorspeld dat ook hij eens zal worden afgezet.

Op dit punt is de tekst van het kleitablet beschadigd, maar het is duidelijk dat Kumarbi dreigt zijn kinderen op te eten, vermoedelijk om te verhinderen dat zij hem zullen afzetten. Iemand geeft hem echter een stuk steen te eten, dat hij uitbraakt en dat sindsdien wordt vereerd. Vervolgens staat uit Kumarbi’s lichaam de dondergod Tešub op. De graangod heeft immers met het geslachtsdeel ook het zaad van Anu binnengekregen. Tešub neemt de macht over, zodat zich weer een nieuwe godengeneratie aandient.

Tešub (Archeologisch Museum van Gazi Antep)

De parallellen tussen de Theogonie en het Lied van Kumarbi zijn natuurlijk opvallend. Niet alleen zijn er herhaalde motieven, zoals de castratie, maar er is ook de opvolging van een eerste beginsel (Chaos, Alalu), een hemelgod (Ouranos, Anu), een graangod (Kronos, Kumarbi) en een stormgod (Zeus, Tešub). De parallel strekt zich uit buiten de tekst: Zeus en Tešub worden ongeveer hetzelfde afgebeeld.

Hoe de oosterse verhaalstof in Griekenland bekend is geworden, is niet met zekerheid te zeggen, maar het is vermoedelijk ook de verkeerde vraag. Omdat mensen zo mobiel waren, verspreidde informatie zich altijd. De vraag is eerder of de verhaalstof uit de veertiende eeuw ook bekend was in de achtste, zevende eeuw. Sanchouniathon, de bron van de Filon van Byblos waarover ik al enkele keren blogde, bewijst dat de stof in elk geval op het juiste moment bekend was in Fenicië.

Ik heb over deze materie meer verteld in Goden en halfgoden, waarin u ook mooie vertalingen vindt van de hand van Hein van Dolen.

#Alalu #Anu #Chaos #Gaia #Hesiodos #Kronos #Kumarbi #LiedVanKumarbi #Ouranos #Rhea #Sanchouniathon #Tešub #Theogonie #Zeus

Akousilaos en Ferekydes

Kleio, muze van de geschiedschrijving (Landesmuseum, Trier)

Omdat het oude Sparta werd geregeerd door twee koningen, waren er ook twee koninklijke families, waarvan iedereen wist dat ze teruggingen op de halfgod Herakles. De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos vermeldt hun stambomen als hij de twee Spartaanse koningen introduceert die streden tegen de Perzen, Leonidas en Leotychidas.noot Herodotos, Historiën 7.204 en 8.131.

Het grappige is dat beide lijsten achttien generaties lang zijn. Dat is iets te mooi om waar te zijn. Weliswaar moet de afstand tussen twee historische koningen en hun gedeelde voorouder, legendarisch of niet, in jaren gelijk zijn, laten we zeggen 18×30=540 jaar, maar menselijkerwijs loopt het aantal generaties na zoveel tijd niet meer synchroon. Dit is een verdraaid sterke aanwijzing dat er iets niet klopt. Een andere aanwijzing is dat volgens Herodotos de Trojaanse Oorlog acht eeuwen voor zijn tijd had plaatsgevondennoot Herodotos, Historiën 2.53.  en dat Herakles dáár voor had geleefd, wat betekent dat die achttien generaties zo’n halve eeuw lang moesten zijn geweest.

Kortom, de historische betrouwbaarheid is betrekkelijk gering. Tegelijk bewijzen die even lange lijsten dat mensen hebben geprobeerd systeem te scheppen. We hebben zelfs een redelijk vermoeden wie dat geweest kunnen zijn: Akousilaos van Argos en Ferekydes van Athene. Ze leefden allebei vóór Herodotos, maar we weten niet wanneer precies. Als we ze plaatsen tussen 550 en 450 v.Chr. zullen we de netten wijd genoeg hebben geworpen om er niet naast te zitten.

Akousilaos

Op naam van Akousilaos waren drie boekrollen met genealogieën bekend, die begonnen met de godengeneraties die ook Hesiodos had beschreven in zijn Theogonie. Dat leerdicht was al door continuatoren uitgebreid met stambomen van helden, zoals de tekst die bekendstaat als de Vrouwencatalogus. Akousilaos systematiseerde al deze teksten tot iets wat wij een spreadsheet zouden noemen. Dat betekende ook dat hij Hesiodos hier en daar moest “verbeteren”; de god Eros, die bij Hesiodos nog een ongeschapen oerkracht was geweest, werd door Akousilaos voorzien van ouders.

Hoewel de drie boekrollen alleen uit citaten bekend zijn, mogen we aannemen dat hij voor de menselijke genealogieën soortgelijke vrijheden nam. Hij zal zijn aanpassingen hebben beschouwd als correcties en schiep een overzicht dat vrij van inconsistenties was, maar moffelde zo ook informatie weg.

Ferekydes

Had Akousilaos zich beziggehouden met het systematiseren van het mythische verleden, Ferekydes van Athene probeerde een brug te slaan naar het heden. Hij moest daarbij – met een woord van de beroemde classicus Ulrich von Wilamowitz-Moellendorf – een “Erinnerungslücke” overbruggen. Wij zouden tegenwoordig zeggen: de IJzertijd, maar sommige dingen klinken mooier in het Duits. Van Ferekydes’ werk, dat Historiën (“onderzoekingen”) heette en tien boekrollen lang was, zijn redelijk wat fragmenten over. Hier is een citaat:

Filaias, de zoon van de grote Ajax, vestigde zich in Athene. Van hem stamde Daïklos af. Van hem Epilykos. Van hem Akestor. Van hem Agenor. Van hem Oulios. Van hem Lykes. Van hem Tofon. Van hem Laïos. Van hem Agamestor. Van hem Teisandros. Van hem Hippokleides, tijdens wiens archontaat in Athene [566/565 v.Chr.] de Panatheense feesten zijn ingesteld. Van hem stemde Kypselos af. Van hem de Miltiades die de Chersonesos koloniseerde.noot Fragment 2.

De grote Ajax is een legendarische held uit de Trojaanse Oorlog; Hippokleides is daarentegen een historisch figuur. De Erinnerungslücke is overbrugd. De twaalf tussenliggende generaties zijn daarbij consistent met de achttien tussen Herakles en Leonidas/Leotychidas. Deze tekst is overigens misschien, misschien, vóór 490 v.Chr. geschreven, omdat Ferekydes Miltiades anders wel geïdentificeerd zou hebben aan de hand van een beroemdere verrichting: zijn overwinning op de Perzen bij Marathon.

Datafraude

Wellicht had Ferekydes toegang tot informatie van Miltiades, maar het is niet heel plausibel dat die eeuwenlang opgeschreven is geweest. De betrouwbaarheid is gering. Het eindresultaat van de exercitie van Akousilaos en Ferekydes, een perfecte spreadsheet waarin voor talloze adellijke Griekse families was bewezen dat ze afstamden van de heroën van weleer, waarvan ze allemaal door precies evenveel generaties waren gescheiden, verraadt dat ermee is gerotzooid.

Eigenlijk weten we dat wel zeker. Akousilaos vertelde namelijk dat toen zijn vader eens een kuil op zijn erf aan het graven was, hij metalen platen had gevonden met daarop alle genealogieën. Akousilaos vertelde de inhoud alleen maar na. Zei hij. We weten echter zeker dat Hesiodos’ Theogonie en de continuaties zijn voornaamste bron van informatie zijn geweest.

Kortom, een klassiek geval van datafraude. Het maakt Akousilaos echter wél tot degene die de westerse literatuur heeft voorzien van het motief van de teruggevonden, oeroude tekst, zoals de waarheidsgetrouwe kroniek van Cide Hamete Benengeli, het Boek van Mormon en het verslag van Adson van Melk. Minimaal kunnen we zeggen dat Akousilaos de geschiedenis heeft vervalst maar de literatuur heeft verrijkt.

PS

Voor wie belangstelling heeft voor de geschiedenis van Libanon is er nu deze reeks van tien hoorcolleges, of podcasts, of hoe u het noemen wil. Je moet er wat voor betalen, maar de opbrengst gaat via Cordaid naar Catholic Relief Services in Libanon.

#AkousilaosVanArgos #Eros #FerekydesVanAthene #Herakles #HerodotosVanHalikarnassos #Hesiodos #Miltiades #mythologie #slagBijMarathon #Theogonie #TrojaanseOorlog #UlrichVonWilamowitzMoellendorff #Vrouwencatalogus

Sparta - Livius

Zes redenen om Filon van Byblos te lezen

Vanaf volgende week ligt Goden en halfgoden in de winkel, de eerste Nederlandse vertaling van de fragmenten van de Fenicische Geschiedenis van de Fenicisch-Grieks-Romeinse auteur Filon van Byblos. De vertaler is Hein van Dolen, dus dat is allemaal tiptop voor elkaar, en ik ben degene die de vertaalde fragmenten probeert uit te leggen. Nu is Filon een volstrekt onbekende auteur. Ik was nét begonnen dit blogje te schrijven toen een bekende oudheidkundige me belde, en die vertelde me tussen neus en lippen door nog niet eerder van Filon (en Berossos) te hebben gehoord. Waarom verdient Filon wat meer aandacht?

1

De overgeleverde fragmenten documenteren de mythen die ooit circuleerden in Kanaän en Fenicië. Dit is de wereld waarin het jodendom is ontstaan, en Filon helpt begrijpen tegen wie de eerste monotheïsten zich afzetten. Misschien niet heel vaak, maar het is in elk geval informatie die afkomstig is van een auteur die nog niets wist van het rabbinaat. Dat is een ongebruikelijk en daarom belangrijk perspectief.

De Fenicische mythen lijken op die uit Mesopotamië, op die uit Anatolië en zo nu en dan op die uit Egypte. Ze lijken bovendien op de mythen van Griekenland. Filon bewijst dat de mythe over de opeenvolgende godengeneraties, die we kennen uit het Anatolische Lied van Kumarbi uit het tweede millennium v.Chr., in Fenicië ook in de eeuwen daarna bekend was. Dat biedt inzicht in de tijd en de wijze waarop deze mythe is aangekomen bij Hesiodos, wiens Theogonie de structuur vastlegde van de Griekse mythologie.

2

Een andere reden om Filon te lezen is de rationalisering van de mythen. Ik vertelde onlangs al dat mensen destijds natuurwetenschappelijke en allegorische interpretaties gaven aan de oude verhalen. Filon illustreert de derde methode: het euhemerisme, waarover in ons taalgebied weinig is gepubliceerd voor de in de Oudheid geïnteresseerde lezer.

3

Filons mythen bieden zicht op een wereldbeeld dat niet het onze is. Ook dat is een reden om de fragmenten van de Fenicische Geschiedenis te lezen. Antieke mythen zijn namelijk inconsistent. Net als andere antieke volken beschikten de Feniciërs over een verzameling van namen, aanspreektitels, verhalen, functies en wat dies meer zij, die ze voortdurend anders combineerden. De god die Filon nu eens Zeus, dan weer Belos, vervolgens Demarous en ook wel Adados noemt, en die de Kanaänieten Baäl noemden, heeft als vader én Ouranos én Kronos én Dagon. Zulke tegenspraken treffen ons als vreemd, maar in veel culturen hebben de mensen er minder moeite mee. Het contrast helpt ons begrijpen dat ons wereldbeeld, waarin alles systematisch geordend is (en dat ons ver heeft gebracht), niet het enig mogelijke is.

4

Een volgende reden om Filon te lezen is didactisch. Onze kennis van de Oudheid is fragmentarisch. In het geval van de Fenicische Geschiedenis zelfs letterlijk. De oudheidkundige heeft altijd te weinig data, en daarom is oudheidkunde de wetenschap van de dataschaarste. Bij elk stukje informatie dat de onderzoeker in handen krijgt, zal hij bedenken welke informatie hij niet bezit, en dat blijkt steeds een veelvoud te zijn van wat hij wel heeft. Dit betekent dat als we een bron lezen, we niet alleen moeten kijken naar wat er staat, maar vooral naar wat er niet staat. Wie Filon leest, zal constateren dat Baäl anders aanwezig is dan je zou hebben verwacht. Pas dan ga je de gemaakte keuzes herkennen en begrijp je welke vragen je aan de tekst moet stellen.

In een situatie van dataschaarste betekent de lectuur van n’importe welke tekst dat je generalist moet zijn. Iemand die álle data bestudeert. Dat hebben Hein en ik in dit boek willen illustreren: we namen de fragmenten van een Griekse tekst en hebben getoond dat die onbegrijpelijk zijn zonder te kijken naar Kanaänitische, Fenicische, Egyptische, Hebreeuwse, Aramese, Anatolische en Mesopotamische teksten. Een oudheidkundige is generalist of geen oudheidkundige.

5

En dan is er Filon zelf: een Romein die zich in zijn Fenicische trots bedient van een Grieks genre, geschiedschrijving, van de Griekse taal en van een Griekse manier om mythen te duiden. Zo’n meervoudige identiteit staat bekend als “situationele etniciteit”. Wie woonde in het Romeinse Rijk, kon in zijn contact met de overheid Romein zijn, in zijn taalgebruik Griek en thuis weer iets anders. Dat was in de oude wereld normaal, denk maar aan hellenistisch Baktrië.

Daarnaast kennen we, met een term van de Amerikaanse socioloog Herbert Gans, “symbolische etniciteit”: een ietwat oppervlakkige, vrij te kiezen en aan de situatie aan te passen identiteit. Een hedendaags voorbeeld is de Amerikaan die zich beroept op zijn Nederlandse voorouders, maar geen Nederlands spreekt, dient in het Amerikaanse leger en over zijn geadopteerde vaderland weinig meer weet dan dat er windmolens staan en dat mensen op klompen lopen.

Situationele en symbolische etniciteiten waren in het Romeinse Rijk gewoon, maar Filon van Byblos is een ander paar mouwen. Zijn Fenicische identiteit had niets vrijblijvends. In de toenmalige wetenschapstaal, het Grieks, voorzag hij de destijds algemeen erkende Griekse culturele superioriteit van een contrapunt. Hij was daarom bereid de oude mythen euhemerisch te verbeteren om zo de rest van de wereld te tonen dat de Grieken niet alleen het schrift, de zeevaart en bepaalde goden hadden overgenomen, maar dat ze ook nog slechte leerlingen waren geweest die het aanbod nooit hadden begrepen.

6

Een laatste reden om Filon van Byblos te lezen is die Fenicische cultuur. De door Filon getypeerde mythologie zit vol inconsistenties, wat deels komt door het niet-rationele karakter van alle mythologie en deels doordat de Kanaänieten en Feniciërs woonden in een opvallend open wereld. Het waren kosmopolieten die van alles overnamen. Een puur Fenicische cultuur heeft nooit bestaan. Wat wel heeft bestaan, is een samenleving op een centrale plaats in de ideeënuitwisseling tussen het Nabije Oosten en het Griekse westen.

Er is desondanks weinig aandacht voor de Fenicische stadstaten. Dat heeft iets te maken met het feit dat Fenicië voor specialisten in het oude Mesopotamië perifeer is, dat Fenicië voor specialisten in de klassieke wereld perifeer is en dat Fenicië voor Bijbelwetenschappers perifeer is. Het is vooralsnog moeilijk om in een publieksboek zoals Goden en halfgoden verder te komen dan algemeenheden over “de” cultuur van de Feniciërs, maar we moeten ergens beginnen, en Filon van Byblos is ideaal om te tonen welke verbanden er zijn tussen Fenicië en de rest van de oude wereld.

***

Goden en halfgoden is hier bestelbaar. Levering in de loop van de volgende week.

PS

De Amsterdamse krant Het Parool heeft een reeks Grote Amsterdammers opgesteld en u mag nu stemmen wie u de grootste vindt. Dat de selectie bestaat uit veertien, zal wel zijn bedoeld om Johan Cruijff te laten winnen. En dat André Hazes erbij staat, zal wel zijn bedoeld om expats in te peperen dat niet alles in Amsterdam Engelstalig is. Kortom, er is niet veel goeds over deze poll te zeggen.

Niettemin: surf even naar die pagina, scroll naar beneden en stem op Douwes Dekker ofwel Multatuli. Als de auteur van Woutertje Pieterse gaat gelden als grootste Amsterdammer, compenseert dat een klein beetje dat hij de Nobelprijs nooit heeft kunnen winnen, wat natuurlijk wel had gemoeten.

#boek #euhemerisme #FilonVanByblos #GodenEnHalfgoden #HeinVanDolen #HerbertGans #Hesiodos #Kronos #LiedVanKumarbi #Multatuli #mythologie #NabijeOosten #Ouranos #situationeleEtniciteit #symbolischeEtniciteit #Theogonie

De waarde van mythen

Afdruk van een zegel met een scène uit een van de mythen van Mesopotamië (Louvre, Parijs)

Ergens in de zesde eeuw v.Chr. begonnen de mensen te twijfelen aan de goden. Misschien deden ze dat eerder ook, maar daarover hebben we geen geschreven bronnen. Een joodse auteur haalde uit naar “goden van zilver en goud, gemaakt door mensenhanden”, die weliswaar een mond en ogen hadden maar niet konden spreken of zien.noot Psalm 115.4-5. Een van zijn tijdgenoten, de Griek Xenofanes, constateerde dat de Ethiopische goden platte neuzen hadden en een zwarte huid, terwijl de Thraciërs zeiden dat hun goden blauwe ogen en rood haar hadden. Als dieren zouden kunnen tekenen, insinueerde Xenofanes, zagen hun goden eruit als runderen, paarden of leeuwen.noot Xenofanes, fragment 16. Een derde tijdgenoot, Pythagoras, beweerde dat de dichters Homeros en Hesiodos in de Onderwereld werden bestraft omdat ze feitenvrije verhaaltjes over het goddelijke hadden opgehangen.noot Vgl. Diogenes Laertios, Levens van de filosofen 8.21.

Rationalisering

Tja, die verhaaltjes. De mensen hielden van hun mythen, maar het was waar: die aloude vertellingen waren wel erg vreemd. De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos toonde een manier om er desondanks mee verder te gaan: sommige mythen vielen te lezen als beschrijvingen van de natuur. Ik heb op deze blog al eens verteld dat hij een mythe over Poseidon als schepper van het Tempe-ravijn combineerde met het feit dat deze godheid “aardschokker” werd genoemd, en dat Herodotos redeneerde dat de mythe ging over een aardbeving.noot Herodotos, Historiën 7.129. Deze manier om mythen te lezen is in de achttiende eeuw in West-Europa weer opgepakt, en je hoort nog weleens beweren dat mythen dienden om de natuur te verklaren.

Allegorese was een andere manier om de oude verhalen te rationaliseren. De goden in de homerische epen volgden een gedragscode die latere generaties niet deelden, maar men wilde de poëzie niet terzijde schuiven als betekenisloos. Daarom nam men aan dat er een diepere betekenis moest zijn dan de letterlijke. De beroemde scène uit de Odyssee waarin de liefdesgodin Afrodite haar man Hefaistos bedriegt met de oorlogsgod Ares, viel dan te lezen als een verhaal over de twee tegengestelde principes die het universum zouden beheersen: aantrekking en conflict.noot Homeros, Odyssee 8.266-369. Een vroegchristelijke auteur las het joodse verbod op het eten van varkensvlees als een gebod je niet als varken te gedragen.noot Brief van Barnabas 10.3-11. Het is niet moeilijk te zien dat het sprookje van Amor en Psyche, “liefde en ziel”, is ontworpen om allegorisch te lezen.

Een derde benadering was het euhemerisme waarover ik al eerder blogde. Het komt erop neer dat mythen worden uitgelegd alsof ze gaan over verdienstelijke koningen, die als weldoeners optraden voor de mensheid. Die verleende hun eerbewijzen en ging daarmee door na hun dood, en zo zou religie zijn ontstaan. In een wereld waarin men een Alexander de Grote of een Romeinse keizer goddelijke eerbewijzen toekende, was dit zo vreemd niet.

Moet je mythen wel rationaliseren?

Ik behandel deze materie in mijn eind januari te verschijnen boek over Filon van Byblos, Goden en halfgoden. En terwijl ik ermee bezig was, begon ik woorden te vinden voor een ergernis die ik al jaren voel bij de navertellingen van antieke mythen. Niet zelden zit daar een element van rationalisering in. Mijn punt is: waarom? Waarom moeten we de mythen, die nooit bedoeld zijn geweest om uitgelegd te worden, voorzien van een interpretatie?

Begrijp me niet verkeerd: elke vertaling is al uitleg. In mijn stukje over Herakles heb ik het ook gedaan. Eigenlijk is heel ons kennen interpretatie. Maar waarom zou je daar verder mee gaan en bijvoorbeeld aan het verhaal over de roof van Persefone toevoegen dat het feitelijk gaat over seizoenwisseling?

De gedachte die bij me opkwam – of beter: de woorden die ik vond voor een al eerder gevoelde ergernis – is of we zo niet het kind weggooien met het badwater. Nogal wat mythen – niet allemaal, zie Amor en Psyche – zijn helemaal niet bedoeld om te worden gerationaliseerd, noch natuurwetenschappelijk noch allegorisch noch euhemerisch noch anders. Deze verhalen zijn, om zo te zeggen, voor-rationeel. Ze documenteren een antiek proces van vrije associatie. Psychologen gebruiken dat om de denkwijzen van hun cliënten te doorgronden. En is de waarde van mythen niet dat wij, levend in een meer rationele tijd, via onuitgelegde verhalen contact maken met een vergeten, voor-rationele denkwijze?

Ik weet niet of het zo is. Maar tijdens het schrijven aan Goden en halfgoden speelde deze gedachte meer dan eens door mijn hoofd. Ik vond een manier om een oud gevoel van onbehagen te verwoorden. Wat mij betreft is het boek dus al geslaagd en ik hoop dat u dat straks ook zo zult vinden. Maar dan moet u het wel eerste lezen en dus bestellen.

#Afrodite #allegorese #AmorEnPsyche #Ares #euhemerisme #Euhemeros #GodenEnHalfgoden #Hefaistos #HerodotosVanHalikarnassos #Hesiodos #Homeros #mythologie #Persefone #Poseidon #Pythagoras #Tempe #varken #Xenofanes