Archeoastronomie

Stonehenge, fase 1

Ik weet zeker dat higgsbosonen, Vietnam, sequoia’s en tektonische platen bestaan, al heb ik ze nooit gezien. Verder betwijfel ik niet dat er ooit triceratopsen over deze planeet hebben rondgewandeld. Ik neem het aan zonder bewijs. Als het gaat om de Oudheid, weet ik echter graag waarom we dingen weten. Bijvoorbeeld: hoe weten archeologen dat monumenten uit het Late Neolithicum en de Bronstijd zijn georiënteerd op astronomische verschijnselen?

Voordat ik verder ga: ik schrijf dit precies om de reden die ik noem. Ik wil weten hoe archeologen weten wat ze weten. Ik schrijf het niet vanuit pseudoscepsis (“ik stel alleen maar vragen”). Ik heb echter een stukje uit de bewijsvoering nooit gehoord, of ben dat vergeten, en ik vertrouw erop dat een archeoloog me straks doorverwijst naar een wetenschappelijk artikel dat ik niet ken. Sta me nu een redenering toe die bij elke stap allerlei nuanceringen behoeft die ik zal overslaan; het gaat me even om de hoofdlijn.

1

Hierboven zag u een plattegrond van Stonehenge in de eerste fase, eenendertigste eeuw v.Chr. De beroemde megalieten waren er nog niet. Wel was er een wal met een diameter van 110 meter met daarbuiten een gracht. In de wal/gracht waren drie onderbrekingen, waarvan de grootste was gericht naar het noordoosten. Wie vanaf het centrum, waar eeuwen later de “altar stone” zou worden geplaatst, naar het noordoosten keek, zag daar op de langste dag van het jaar de zon opkomen.noot Ik weet dat sommige archeologen denken dat men van het noordoosten naar het zuidwesten keek, maar dat maakt voor mijn redenering niet uit. Althans, ruwweg. Zonder veel pretenties en met mijn meer dan veertig jaar oude geodriekhoekje zie ik dat de opening in het noordoosten vanuit het middelpunt bezien zo’n zestien graden wijd is. Laten we, for argument’s sake, aannemen dat zestien graden de marge is die archeologen accepteren als ze denken dat een monument is gericht op een astronomisch verschijnsel. Het kan ook tien of twintig zijn, of vijf of vijfentwintig, maar het gaat om de redenering.

2

Nu zijn er veel meer bouwwerken uit het Late Neolithicum en de Bronstijd bekend waarvan archeologen weten dat ze zijn gericht op hemelverschijnselen. Ik heb eens een boek over de Prehistorie doorgebladerd en constateer dat het bijvoorbeeld gaat om de plaats van zonsopkomst op de langste dag van het jaar, de plaats van zonsopkomst op de kortste dag van het jaar, en daarnaast de plekken op de horizon waar de zon op de langste en kortste dag ondergaat. Als ik vier sectoren inteken, levert dat voor 51° noorderbreedte een plaatje als dit op.

Zonsopkomsten en -ondergangen

3

Verder lees ik van constructies die zijn gericht op de plekken waar de sterren Antares, Rigel, Sirius en de Plejaden opkomen of ondergaan. Voor wat zuidelijker breedtes lees ik ook over Deneb, en zo zijn er meer sterren, maar die laat ik even buiten beschouwing. Hieronder zijn ook de opkomsten en ondergangen van Rigel en de Plejaden ingetekend.

Zons- en steropkomsten en -ondergangen

U begint te begrijpen waar ik heen wil: er zijn nu al acht sectoren afgebakend van zestien graden, samen 128°: ruim een derde van de horizon. Nu is Deneb de op achttien na helderste ster; als we ons beperken tot helderdere sterren die op 51° noorderbreedte op- en ondergaan, kunnen we nog tweemaal negen sectoren toevoegen, die gedeeltelijk overlappen. Uiteindelijk is ruim 280% van de horizon afgedekt. Anders geformuleerd: er is bij vrijwel iedere oriëntatie van een bouwwerk wel een heldere opkomende of ondergaande ster te vinden. En dan komt de vraag op hoe archeologen kunnen weten dat oude monumenten werkelijk zijn georiënteerd op een astronomisch verschijnsel.

4

Ik laat nog een paar zaken buiten beschouwing, namelijk dat er precessie bestaat, waardoor sterren niet altijd op dezelfde plek op de horizon verschijnen en verdwijnen. In combinatie met het feit dat prehistorische monumenten niet altijd scherp te dateren zijn, voegt dit extra vaagheid toe. Als we ook maanverschijnselen menemen, zijn er nog meer opties. Ik heb weleens geblogd over het Armeense monument Karahunj, waar de astronomische oriëntatie klinkklare kwakgeschiedenis was.

5

Als bij vrijwel iedere oriëntatie wel een heldere opkomende of ondergaande ster is te vinden, moet zijn uitgeknobbeld dat de door archeologen geopperde oriëntaties desondanks geen toeval zijn. Welk artikel is dat?

6

Ik laat pogingen monumenten te interpreteren als observatoria buiten beschouwing. Ik ben niet overtuigd van de hypothese dat men zulke bouwwerken nodig had om de akkerbouw te reguleren. Lees de Werken en Dagen van Hesiodos of een boek over volksweerkunde, en je krijgt een beeld van de informatie die circuleerde in een agrarische samenleving.

7

Nogmaals: ik schrijf dit niet om te trollen, want intuïtief vermoed ook ik dat de oriëntaties op het opkomen en ondergaan van de zon op de langste en kortste dag reëel zijn. Met sterren heb ik intuïtief moeite omdat er, mijns inziens, altijd wel iets is te verzinnen. Omdat we aan intuïtie niks hebben, wil ik de onderbouwing leren kennen.

Doet dit ertoe?

Op de achtergrond speelt iets anders. Archeologen erfden allerlei opvattingen van eerdere archeologen. Daar is meestal niets verkeerd aan, maar het betekent ook dat archeologen soms niet langer weten waarom ze dingen weten. De vraag waarom archeologen weten dat prehistorische monumenten waren gericht op sterrenkundige verschijnselen, heb ik aan diverse geleerden voorgelegd, die me allemaal doorverwezen naar anderen.

Uit de Romeinse archeologie ken ik verschillende vanzelfsprekendheden die archeologen niet kunnen uitleggen. Onlangs viel me bijvoorbeeld op dat niemand weet waarom we “Magusanus” tegenwoordig beschouwen als naam van een god, terwijl het vroeger gold als plaatsaanduiding. Ik verneem ook geen bewijs voor veelgehoorde beweringen als zou keizer Hadrianus in Voorburg zijn geweest of dat de Drususgrachten lagen in Nederland. Archeologen hebben een mooi vak, reusachtig mooi, maar het oogt weleens als reus op lemen voeten.

En dat is zorgwekkend. Tijdens de Nijmeegse aquaductenaffaire zagen we hoe kwetsbaar het vak is. Er hoeft maar één pseudoscepticus z’n gelijk te halen – en dat is niet denkbeeldig – en de archeologie is geen reus op lemen voeten meer maar een wetenschap met een reusachtig geloofwaardigheidsprobleem.

[Met dank aan Marco Langbroek en Kees Huijser. De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#archeoastronomie #Hesiodos #Karahunj #Plejaden #pseudoscepsis #Stonehenge #volksweerkunde #winterzonnewende #zomerzonnewende