“Onder de dekens fluisteren mandarijn-eenden met elkaar”

Naarmate de verwarring van wereldleiders steeds zichtbaarder wordt en verschrikkingen navenant zijn toegenomen, groeit de behoefte aan schoonheid. Om de lente dichterbij te halen, liep ik al weken bij iedere zonnestraal de tuin in op zoek naar de eerste tekenen van het ontwaken van de natuur. Eigenlijk is dit al heel vroeg in de winter te ontdekken als je onder het afgevallen blad kijkt en de knoppen in aanzet ziet wachten op de zon. De morel is nu ook uit haar diepe winterslaap ontwaakt. Ikkyū schreef het ontroerende gedicht Lentewind om hier woorden aan te geven. Maar eerst het levensverhaal over deze legendarische zenmeester uit het Japan van de 15de eeuw.

Ikkyū werd geboren uit een liefdesrelatie van keizer Go-Komatsu van de noordelijke tak van de keizerlijke dynastie met een hofdame van de zuidelijke tak[1]. Door de rivaliteit tussen beide takken, liep het leven van het nog ongeboren kind  gevaar, vooral als de boreling een zoon zou zijn die aanspraak zou kunnen maken op de troon. De aanstaande moeder vluchtte daarom naar het zuiden. De geboorte van Ikkyū stond al in het teken van verboden passie en liefde; passie en liefde bleven de belangrijkste drijfveren in zijn leven. Toen Ikkyū vijf was, droeg zijn moeder de opvoeding over aan een klooster ver van de centra van macht waar hij kon ontsnappen aan de dreiging van het hof. Hij kreeg een klassieke, aristocratische opvoeding in de Chinese literatuur, kreeg les in dichtkunst en kalligrafie en leerde boeddhistische soetrateksten. In het vroege werk Lentepracht dat hij op vijftienjarige leeftijd schreef, zie je de contouren van hartstocht in zijn latere leven al doorschemeren(1980, 212):

“Hoeveel passies klampen zich vast aan de mouwen van deze zwerver?
Massa’s vallende bloesems markeren de passie van Hemel en Aarde
Een geparfumeerde bries over mijn kussen; slaap ik of ben ik wakker?
Hier en nu smelten samen in een onduidelijke lentedroom.”

Toen hij achttien was kwam hij in het klooster van Ken’ō, een kluizenaar monnik die als een vader voor hem was. Twee jaar later sloeg het noodlot toe. Ken’ō overleed en Ikkyū bleef radeloos achter. Hij wilde een einde aan zijn leven maken. Zijn moeder weerhield hem daarvan en haalde hem naar Kyoto.

Daar kwam hij in een kleine ondertempel van Daitoku-ji[2], het klooster, dat onder bescherming van de keizer, zijn biologische vader, stond. Hij bleef er negen jaar lang tot de dood van zijn leermeester Kasō Sōdon, die hem had aangewezen als opvolger, maar zover zou het niet komen. Ikkyū was inmiddels de dertig gepasseerd en in een cruciale fase van zijn leven beland. Kasō Sōdon was feitelijk zijn eerste échte zenleraar geweest en zeer toegewijd aan de weg. Hij had zelf ooit het overdrachtsdocument van zijn leraar geweigerd; Ikkyū zou zijn voorbeeld volgen[3]. Het gebeurde allemaal in een turbulente periode van de Japanse geschiedenis. De grootstedelijke tempels van de rinzai traditie waren tot in haar haarvaten verstrengeld geraakt met de politiek van het shogunaat en de politiek bepaalde de functies in het klooster. In de tempels werd in sake gehandeld en voor een certificaat van verlichting kon worden betaald. Kortom het leven in de grootstedelijke kloosters was door en door verstrengeld geraakt met de elite van het land en volkomen gecorrumpeerd geraakt. De dood van Kasō Sōdon plaatste Ikkyū voor een cruciale keuze: word ik abt en kies ik voor de zekerheid van het kloosterleven, of kies ik een onzekere toekomst? Ieder mens kan in het leven voor zo’n keuze komen te staan, het kan bijvoorbeeld als je je baan opzegt en je nog niet de zekerheid hebt van een volgende stap! Durf je die sprong te wagen? En als je dan vanuit je hart een keuze maakt, krijg je vleugels. Ikkyū verbrandde het zegel van overdracht en ging de vrijheid en een onzekere toekomst van een bedelmonnik tegemoet.

Liefde en compassie voor zijn medemensen waren de belangrijkste drijfveren in zijn bestaan. Ikkyū is bekend geworden om zijn onvoorwaardelijke liefde voor het leven. Hij verliet het kloosterleven en zwierf meer dan dertig jaar als bedelmonnik door het land, waar hij samenleefde met de mensen die hij op zijn pad tegenkwam in de dorpen, gehuchten en steden. Overal en waar hij maar ging kreeg hij volgelingen uit alle rangen en standen. Hij gaf onderricht in het Japans en maakte daarmee zen toegankelijk voor gewone Japanners. Dat was buitengewoon, want normaliter was de voertaal voor religieuze en literaire teksten Chinees. De rinzai traditie stond bekend als samoerai-zen[4] en de elite besteedde veel aandacht aan de kunsten zoals de dichtkunst, kalligrafie en schilderkunst. Ikkyū stond bekend als groot dichter en kalligraaf en hij betekende veel voor de ontwikkeling van de theeceremonie. Rond zijn veertigste, in de periode dat hij landelijke bekendheid had gekregen, werd hem gevraagd abt te worden van een klooster. Hij stemde ermee in, maar hield het slechts tien dagen vol. Hij verliet het klooster met de woorden: ”als je me zoekt, vindt me dan in bordelen, in het café of op de vismarkt.”

Op zijn oude dag kreeg Ikkyū een liefdesrelatie met Mori, een jonge blinde non voor wie hij talloze liefdesgedichten schreef en met wie hij samen muziek maakte, zij op de Japanse koto, een soort harp, hij op de shakuhachi, een bamboefluit. Iedere avond maakten ze muziek. Toen Ikkyū tachtig was, werd hij tenslotte hoofdabt van Daitoku-Ji, het klooster dat gelieerd was aan de keizer. In de jaren zeventig van de vorige eeuw volgden veel westerlingen daar een deel van hun zentraining. Het was het klooster dat met het keizerlijk hof was verbonden. Iedereen die op een sesshin van Maha Karuna Ch’an is geweest, kent het verhaal van Ton Lathouwers over Kobori, abt van één van de ondertempels van Daitoku-ji en neef van de vorige keizer, die toen Ton zijn slippers slordig had neergezet, de sandalen oppakte en in de rij naast alle andere zette met de opmerking dat ook slippers en sandalen met ons mee-mediteren. Ikkyū, onwettige zoon van de keizer was abt geweest van het hoofdklooster. Hij had er met Mori, zijn geliefde geleefd in een hut bij het klooster; hier volgt een gedicht[5] uit die periode:

“Elke nacht, vergezelt blinde Mori mij met een lied.
Onder de dekens fluisteren twee mandarijn-eenden met elkaar.
Wij beloven bij elkaar te zijn voor altijd.
Een oude man verheugt zich nu een eeuwige lente lang”

Om ongecompliceerd samen te leven met de mensen om hem heen, legde Ikkyū de voorschriften voor monniken over het celibaat -daar kom ik zo op terug- en vegetarisme naast zich neer. Er was de hogere waarde in het spel van je niet willen onderscheiden van de mensen met wie je samenleeft. Onder de Japanse bevolking werd veel vis gegeten en daarvan afwijken zou hem immers in een aparte positie hebben gezet.

Ikkyū vierde het leven en beschouwde liefde en hartstocht mits gelijkwaardig en ze tot wederzijdse vervulling leiden als de zuivere expressie van de ware leer. De ervaring van de liefde zelf is verlichting, welke liefde dan ook of het nu de heteroseksuele of homoseksuele liefde betrof, want liefde is een deugd, omdat het de zuiverheid van onze ware natuur in ons doet openbloeien, ons opent en samen doet vloeien met de ander. Ikkyū geeft hiermee een sacrale dimensie aan liefde, erotiek en de lichamelijke ervaring van seksualiteit die verbinding zoekt met de ander en alle anderen en opgaat in het Ene. Het is liefde die dualiteiten overstijgt en daarmee gaf hij een extra dimensie aan de betekenis van liefde waarin lichaam en geest versmelten in de verstrengeling tot één lichaam. Dit kwam ook in zijn liefde voor de natuur tot uitdrukking, zijn liefde voor muziek, poëzie, kalligrafie en in het ritueel van de theeceremonie. Zijn dagelijks leven was leven in aandacht voor de alledaagse dingen om hem heen. Hij droeg dat ook uit aan mensen om hem heen. Een anekdote over een rijk man vertelt hierover: een man vroeg Ikkyū voor hem een kalligrafie te maken om ermee te pronken voor zijn vrienden. Hij verwachtte een bijzondere tekst te krijgen. Ikkyū schreef: aandacht. De man keek verbaasd op. Ikkyū schreef: aandacht. Opnieuw keek de man hem verrast aan. Een derde keer schreef hij: aandacht. De man maakte een buiging.

De lente is twee weken gaande, bloesemtakken beginnen uit te botten. Het mysterie van de seizoenen geeft Ikkyū raak weer in het gedicht Lentewind:

“Breek je een kersenboom open dan vind je geen bloemen,
maar de zachte lentewind laat duizenden bloesems bloeien.”

Het gedicht nodigt uit tot geduld, want alles heeft zijn eigen tijd. Heb geduld, want ingrijpen werkt averechts, dan verstoor je de loop der dingen en komt het niet tot bloei. Alles heeft zijn eigen tijd nodig om te rijpen. Dat geldt ook voor ons mensen. Heb geduld, wacht en waak, zegt Rilke de dichter. Wacht en waak en leef de vragen want je bent nog niet in staat de antwoorden te leven. Want er is een diepere laag in ons, die open-bloeit als de tijd er rijp voor is, want de ziel is langzaam. We gaan allemaal onze eigen unieke weg en hebben tijd nodig. We kunnen onze innerlijke groei niet forceren. Doorgaan en vertrouwen, ook al is je leven een dorre woestijn. Want, zegt Rabbi Nachman van Bratislava (1772- 1810): “Zalig degene die het uitroepen in de dorre woestijn van hun eigen ziel, het is in hun hart waar de schoonste bloemen opbloeien.” Het uithouden in de woestijn, zei ook starets Silouan: “Blijf in de hel en wanhoop niet”. Velen hebben hier op hun unieke manier op gewezen. Ook mijn eerste leermeester zei: “niet mijn wil”.

De tak met haar knoppen krijgt bloesem en draagt vrucht, sterft af en in de volgende lente is er weer opnieuw de beloftevolle knop die bloesem draagt en opnieuw weer vruchten zal geven. Het is een metafoor voor ons eigen leven met hun wisselende perioden van voorspoed en tegenslag, angst en vrede, wanhoop en gemoedsrust, waarin genade ons kan toevallen. Verdragen en het uithouden bij ziekte, ongemak, ouderdomskwalen, verraad en tegenslag. Het was ook de leefregel van Nietzsche: ‘Amor Fati’, wat zoveel wilde zeggen als: wees moedig en heb je lot lief. Aanvaardt wat is en maak het tot de opdracht in je leven; onderzoek wat het jou hier en nu wil zeggen. Blijf bidden, blijf wachten en waken, en blijf vertrouwen dat die diepere laag in ons zal openbloeien. Daar raken we aan het wonder van het bestaan: de tak met de kersenbloesem, onze ware natuur.

[1] Er bestonden in die periode twee keizerlijke dynastieën die elkaar afwisselden en beconcurreerden. [2] Wikipedia, Daitoku-ji. [3] Er zijn meerdere versies beschreven over het leven van de jonge Ikkyū. Ik baseer me vooral op Thomas Hoover. [4] De sōtō zen van Dōgen was meer toegankelijk voor gewone Japanners. [5] Ik verwijs naar Het Mystieke Netwerk van Nico Tydeman met een uitgebreid verhaal over Ikkyū: Ikkyū Sojun, de Dharmameester van de liefde. Literatuur: Thomas Hoover. The Zen Experience. The historical evolution of Zen through the lives and teachings of its great masters. 1980. Foto: Jocelyn Wong via Pixabay Bron Zitten in verbondenheid / 6 april 2025- https://mahakarunachan.nl/onder-de-dekens-fluisteren-mandarijn-eenden-met-elkaar/ Tekst Elsbeth Wolf.

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#aandacht #erotiekEnDeLichamelijkeErvaringVanSeksualiteit #geduld #Ikkyu #Kobori #Lentewind #liefde #MahaKaruna #onderDeDekensFluisterenMandarijneendenMetElkaar #RabbiNachman #TonLathouwers #zittenInVerbondenheid

“Onder de dekens fluisteren mandarijn-eenden met elkaar” - Boeddhistisch Dagblad

De tak met haar knoppen krijgt bloesem en draagt vrucht, sterft af en in de volgende lente is er weer opnieuw de beloftevolle knop die bloesem draagt en opnieuw weer vruchten zal geven. Het is een metafoor voor ons eigen leven met hun wisselende perioden van voorspoed en tegenslag, angst en vrede, wanhoop en gemoedsrust, waarin genade ons kan toevallen. Verdragen en het uithouden bij ziekte, ongemak, ouderdomskwalen, verraad en tegenslag. Het was ook de leefregel van Nietzsche: ‘Amor Fati’, wat zoveel wilde zeggen als: wees moedig en heb je lot lief. Aanvaardt wat is en maak het tot de opdracht in je leven; onderzoek wat het jou hier en nu wil zeggen. Blijf bidden, blijf wachten en waken, en blijf vertrouwen dat die diepere laag in ons zal openbloeien. Daar raken we aan het wonder van het bestaan: de tak met de kersenbloesem, onze ware natuur.

Boeddhistisch Dagblad

Boeddhisme en psychotherapie

Kan de leer van de Boeddha ons helpen bij geestesziekten? Enerzijds heeft de Boeddha meerdere malen benadrukt dat zijn leer er niet een is van deze wereld. Hij had zelf alle banden met de wereld verbroken voordat hij aan zijn verlossingsweg begon. Dit was niet omdat hij een trauma had, maar omdat hij niet meer afgeleid wilde worden door alledaagse problemen. Zijn belangrijkste leerlingen waren daarom allemaal monniken en later nonnen. Aan de andere kant wordt de Boeddha ook wel eens de grote heelmeester genoemd en hebben de laatste decennia psychotherapeuten zich laten inspireren door met name de boeddhistische meditatievormen, vooral in de Verenigde Staten. Je zou je kunnen afvragen of dit geen oneigenlijk gebruik is, of niet meditatie wordt gereduceerd tot een trucje om tot rust te komen. Uiteindelijk is een psychotherapie erop gericht om mensen op een gezonde manier te laten functioneren in het alledaagse leven, terwijl de boeddhistische verlossingsweg dit alledaagse leven juist zoveel mogelijk achter zich wil laten. In boeddhistische teksten worden wereldse mensen soms bālāḥ genoemd, sukkels. Natuurlijk, alles wat helpt om leed te verzachten en mensen te genezen is welkom, maar mag je dat dan wel boeddhisme noemen?

De helaas te vroeg overleden prof. dr. Ria Kloppenborg was een van de eersten in Nederland die onderzoek verrichtten naar het boeddhisme als hulpbron bij psychotherapie. Dit onderzoek leidde tot de publicatie in 2005 van de bundel Boeddhisme en psychotherapie: theoretische en praktische verkenningen. Daarnaast richtte zij een werkgroep op met een titel “Psychotherapie en boeddhisme”, met het doel om psychotherapeuten en kenners van het boeddhisme kennis en ervaringen uit te laten wisselen. De werkgroep werd een stichting en organiseerde afgelopen jaren meer dan 30 bijeenkomsten. Daarmee ziet de stichting haar doel om een ontwikkeling van kruisbestuiving in gang te zetten bereikt en heft zichzelf op. Als afsluiting is er nu een tweede bundel verschenen met de titel De Therapeut en de Boeddha: een doorgaande dialoog.

Het boek begint met een hoofdstuk waarin de geschiedenis van de Stichting kort wordt uiteengezet. Vervolgens geeft Paul van der Velde een overzicht van de relatie tussen boeddhisme en psychotherapie in internationaal verband. Het derde hoofdstuk gaat over de leer van Tarab Tulku (1934 – 2004): Unity in Duality. Wie zich nu afvraagt waar de dialoog is gebleven, komt in de volgende hoofdstukken ruim aan zijn trekken. Er volgt een dialoog over de boeddhistische invloeden in de Nederlandse geestelijke gezondheidszorg. Vervolgens bespreken twee deskundigen met elkaar hun eigen ervaringen met zowel het boeddhisme als de psychotherapie.

Edel Maex is een Antwerps psychiater die in binnen- en buitenland beroemd is vanwege zijn mindfulness-opleidingen. Hij wordt in het zesde hoofdstuk ondervraagd. In hoofdstuk zeven komt de boeddhistische leraar en psycholoog Han de Wit aan het woord, die een duidelijk onderscheid wil maken tussen therapie en spiritualiteit. Na een korte reflectie over de relatie tussen boeddhisme en psychotherapie wordt het boek afgesloten met een herdruk van de rede die Ria Kloppenborg in 1989 hield bij de aanvaarding van haar ambt als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Utrecht.

Een bonte verzameling

Het boek is een bonte verzameling van uiteenlopende teksten geworden. Paul van der Velde is het opvallendste buitenbeentje omdat hij voornamelijk vertelt wat boeddhisten in Azië allemaal doen rondom geneeskunde, maar nauwelijks waarom. Het volgende hoofdstuk van Robert Keurntjes is nogal technisch en zet voornamelijk de visie van Tarab Tulku uiteen. Daar komt dan ook de term “zelfreferentie” uit de titel vandaan, maar Keurntjes legt niet uit wat hij ermee bedoelt. Tarab Tulku heeft vele cursussen in boeddhistische psychologie gegeven in het Westen, waarbij hij vaak werkte met dromen. Persoonlijke problemen zijn in zijn woorden te wijten aan negatieve zelfreferentie. Deze moet ofwel in een positieve worden veranderd ofwel worden opgelost in openheid. Keurntjes noemt ook de therapeutische methode van Amerikaanse non Tsultrim Allione, die gebaseerd is op de Tibetaanse Chöd-meditatie.

Het vierde hoofdstuk gaat over de vraag of verhouding tussen leerling en leraar in het boeddhisme verschilt van de therapeut-cliëntrelatie. Dit leest ook niet echt lekker weg. Hoewel het gesprek in een tuin plaatsvindt, staat het vol met opsommingen en namen. Toch kan de lezer er behartenswaardige opmerkingen in vinden en de gesprekspartners spreken uit ervaring.

Bij het gesprek met Edel Maex worden nogal wat verwachtingen gewekt, die vervolgens direct de kop in worden gedrukt. In de inleiding tot het gesprek wordt aangekondigd:

Zoals zal blijken uit de weerslag van het interview heeft Edel Maex een evenwichtig oordeel over de ontwikkelingen in en rond mijn vonnis. Hij heeft oog zowel voor de mogelijkheden als voor de beperkingen. Heel opvallend: hij belichaamt wat hij leert en zijn antwoorden op de vragen komen tot stand in het nu.

De eerste vraag luidt: Wat heeft het Boeddhisme in het kader van therapieën bereikt? Welk proces heeft zich voltrokken?

Het antwoord van Maex is: Het beginnen (in 1986/87) met mediteren bij Ton Lathouwers heeft me erg veranderd….

Met andere woorden: Maex krijgt een vraag over het boeddhisme en begint over zichzelf en dan ook nog over een moment 35 jaar geleden. Hoezo belichaming van mindfulness in het nu?

Therapie en nirvāņa

Han de Wit gaat in op zijn onderscheid tussen therapie en het streven naar verlossing. Er is veel voor te zeggen om dit onderscheid te handhaven, maar De Wit is door de jaren milder en wijzer geworden en wijst meerdere keren op de overgangsgebieden en onzekerheden. Dit is een goede benadering voor een geslaagde dialoog, maar helaas gaan zijn gesprekspartners niet op deze misschien wel principiële vaagheden in. Het is echter een zinvol gesprek, waarvan de weergave prettig leest.

De afsluitende tekst van Kloppenborg gaat over de kwaliteiten van de Boeddha als leraar en ze is na al die jaren nog steeds de moeite van het lezen waard.

Het onderwerp is zonder meer actueel. Nog onlangs kwamen er weer berichten in het nieuws over dramatisch verlopen retraites. Dat steevast werd gesproken over “retreats”, toont al aan dat het gaat over import uit de Verenigde Staten, de grootste bananenrepubliek ter wereld. Terloops werd in de kranten ook weer even vermeld dat meditatie ook heel gevaarlijk is. Oud nieuws en we weten inmiddels ook wel dat godsdienstwaanzin echt niet voor het eerst opkwam na de invoering van het boeddhisme in het Westen. Het is jammer dat hier over dit soort dit misbruik en schadelijke therapieën, de psychische kwakzalverij, niet wordt gesproken.

Een onvolledige dialoog

Wat me na het lezen van het boek vooral bij is gebleven zijn de leemtes, de tegenstellingen en de onzekerheden. Dit niet omdat ze uitgebreid worden besproken. Integendeel, het is een parade van heren met autoriteit, mannen die het allemaal wel weten. Deze heren zeggen allemaal wat anders, maar ze doen alsof ze het roerend met elkaar eens zijn. Het zijn heren die niet weten wat ze niet weten, al moet misschien voor Han de Wit een uitzondering worden gemaakt.

Een echte dialoog is geen vraaggesprek tussen een onwetende vragensteller en een alwetende deskundige. Een dialoog behoort te worden gevoerd doormiddel van vragen en wedervragen. Die vragen en wedervragen heb ik gemist.

Een belangrijke leemte is het gebrek aan kennis bij de heren. Ze hebben allemaal hun kennis uit de Verenigde Staten, waar ook de mindfulnesshype is ontstaan en ze hebben nooit iets bijgelezen. Als Maex de psychotherapie bijvoorbeeld laat beginnen bij Freud, laat hij zien dat hij nooit heeft gehoord van de therapieën bij de oude Grieken, zoals ontwikkeld door de Stoïcijnen en de Epicurici, en alles wat daarna is gebeurd. Het begrip “therapie” is zelfs door de Grieken bedacht. Bovendien heeft niemand blijkbaar ooit iets gelezen over de continentale traditie, zoals die is beschreven door mensen als Erwin Strauss, Binswanger, Jaspers, Maldiney, Lacan, om er maar een paar te noemen. Er is ook niemand die oog heeft voor het verschil in de historische situatie tussen de tijd van de Boeddha en nu. Het boek blijft met andere woorden een beetje aan het oppervlak hangen omdat een filosofisch kader ontbreekt.

Niettemin is het onderwerp belangrijk genoeg om in bredere kringen te worden besproken en daar levert het boek een belangrijke bijdrage aan.

Laat de dialoog vooral doorgaan!

Thessa Ploos van Amstel (red.): De Therapeut en de Boeddha, Uitgeverij Van Warven, Kampen 2025, paperback 217 bladzijden.

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#Binswanger #BoeddhismeEnPsychotherapie #bonteVerzamelingVanUiteenlopendeTeksten #DeTherapeutEnDeBoeddhaEenDoorgaandeDialoog_ #EdelMaex #ErwinStrauss #Freud #gebrekAanKennis #HanDeWit #hulpbronBijPsychotherapie #Jaspers #Lacan #leemtes #Maldiney #meditatieGevaarlijk #nirvana #PaulVanDerVelde #profDrRiaKloppenborg #psychischeKwakzalverij #RobertKeurntjes #TarabTulku #TonLathouwers #TsultrimAllione #VS

Boeddhisme en psychotherapie - Boeddhistisch Dagblad

Kan de leer van de Boeddha ons helpen bij geestesziekten? Enerzijds heeft de Boeddha meerdere malen benadrukt dat zijn leer er niet een is van deze wereld. Hij had zelf alle banden met de wereld verbroken voordat hij aan zijn verlossingsweg begon. Dit was niet omdat hij een trauma had, maar omdat hij niet meer afgeleid wilde worden door alledaagse problemen. Zijn belangrijkste leerlingen waren daarom allemaal monniken en later nonnen. Aan de andere kant wordt de Boeddha ook wel eens de grote heelmeester genoemd en hebben de laatste decennia psychotherapeuten zich laten inspireren door met name de boeddhistische meditatievormen, vooral in de Verenigde Staten. Je zou je kunnen afvragen of dit geen oneigenlijk gebruik is, of niet meditatie wordt gereduceerd tot een trucje om tot rust te komen.

Boeddhistisch Dagblad

Luisteren naar onze innerlijke stem

Op 26 en 27 januari stond de wereld stil bij de herdenking van de bevrijding van het concentratiekamp Auschwitz 80 jaar geleden. Op het terrein van het voormalige kamp Westerbork werden van zondag tot en met maandag via een livestream alle namen van de meer dan 102.000 Nederlandse Holocaust slachtoffers, Joden, Sinti, Roma en homoseksuelen voorgelezen. In Middelburg bezocht ik zondag een indrukwekkende herdenking in de Koorkerk op het Abdijterrein. De bijeenkomst was georganiseerd door het Etty Hillesum Huis, dat gevestigd is in haar geboortehuis te Middelburg, en de Provincie Zeeland. Een alarmerende zin is me bijgebleven: Auschwitz was er niet ineens; woorden en taal gingen eraan vooraf. ‘Als we onze innerlijke demonen niet uitroeien dan projecteren we die op anderen’, lezen we ergens in het dagboek van Etty Hillesum. In het huidige tijdsbestek leven we op het scherpst van de snede.

Tachtig jaar hebben we in West-Europa in vrede geleefd. Sinds de oorlog in Oekraïne is de vrede onder druk komen te staan. Drie jaar duurt deze oorlog die raakt aan de wonden die de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in onze collectieve ziel hebben achtergelaten. Hij raakt ons in al onze vezels en komt steeds dichterbij, daarbij geholpen door de oproep aan burgers om voorzorgsmaatregelen te nemen voor een mogelijke oorlog.

De wereld is veranderd en vrede in West-Europa is niet meer vanzelfsprekend. Al decennia lang woeden er oorlogen in gebieden ver van ons vandaan, waardoor we ons betrekkelijk veilig konden blijven voelen, zoals in het Midden-Oosten en Afrika die maar blijven voortwoekeren en leiden tot verschrikkingen en ontberingen met enorme aantallen vluchtelingen tot gevolg. De dreiging van onheil gaat ons sinds kort weer heel direct aan. Maar er is geen verschil tussen mensen waar ook ter wereld. We zijn allemaal mensen en overal ter wereld leven we met hetzelfde verlangen naar veiligheid gezondheid, vrede en geluk.

Iedereen reageert verschillend op dreigend onheil en iedereen gaat er ook anders mee om. Er zijn mensen die hun noodpakketten al op orde hebben, gedreven door een mengeling van gevoelens van daadkracht, machteloosheid en angst. Zij hebben hun zaakjes op orde. En er zijn mensen die het groter maken en gehoor geven aan een innerlijke stem. Voor Etty Hillesum, die in 1943 in Auschwitz werd vermoord, was de chaotische tijd waarin ze leefde aanleiding tot een ultiem en nietsontziend zelfonderzoek. De al maar strikter wordende vervolging, de razzia’s en dreigende deportaties van de Joodse bevolking noopten haar tot een vrijwel onmogelijke keuze. Het leidde bij haar tot een radicale overgave en ultieme zelfopoffering, niet door dit in lijdzaamheid te ondergaan, maar als een zelfbewuste daad. Ze nam het besluit om de onzekerheid en het leed niet uit de weg te gaan, maar onvoorwaardelijk solidair te blijven met mensen die geen mogelijkheid hadden om onder te duiken. In dit besluit voelde ze hoe ze door een diepere werkelijkheid werd gevoed en gedragen. Ze begon te bidden: “Als ik bid, bid ik nooit voor mezelf, altijd voor anderen, of ik houd een dolzinnige, kinderlijke of doodernstige dialoog met dat allerdiepste in me dat ik gemakshalve maar God noem”. […] “En hiermee is misschien het meest volkomen uitgedrukt mijn levensgevoel: ik rust in mijzelve. En dat mijzelve, dat allerdiepste en allerrijkste in mij waarin ik rust, dat noem ik ‘God’” (1981: 7). In onze traditie noemen we dat onze ware natuur of boeddhanatuur.

In haar dagboek schrijft ze op 19 februari 1942: ”De mensen, ja de mensen, maar bedenk dat je daar zelf ook onder valt.” […] “En die rottigheid van de anderen zit ook in ons. Ik zie werkelijk geen andere weg dan dat ieder van ons in zichzelf inkeert en alles in zichzelf uitroeit en vernietigt, waarvoor hij of zij meent anderen te moeten vernietigen. Ik geloof niet dat we in de buitenwereld ook maar iets kunnen verbeteren, wat we niet eerst in onszelf moeten verbeteren. En dat lijkt me de enige les van deze oorlog”. […] “Men moet wel veel in zichzelf uitrukken en uitroeien, om er een ongedeelde ruimte te laten ontstaan voor de grote gevoelens en verbondenheden”. Ja, het is heel hard werken om daadwerkelijk de pijn van de ander te voelen, zoals we reciteren in de Avatamsaka soetra: ‘’Dit is de plaats van al degenen, die bereid zijn in dit lijden af te dalen, en precies diezelfde pijn te ervaren in zichzelf”[1]. Als we die zin tot ons laten doordringen dan kunnen we niet meer wegkijken, want dan wordt jouw pijn mijn pijn. Ze besluit met de zin: “Laten we ervan doordrongen zijn, dat iedere atoom haat die wij aan de wereld toevoegen, de wereld nog onherbergzamer maakt dan ze al is”.

Haar woorden resoneren één op één met een tekst uit een van de oudste boeddhistische geschriften uit de Dhammapada: ‘Want nooit komen uitingen van haat in deze wereld tot rust door haat, maar enkel door liefde komen ze tot rust. Dat is de eeuwige wet.’ In de dagelijkse werkelijkheid is ons ego een hardnekkige dwarsligger, we houden het ego in stand door ons gelijk te willen halen, de controle te willen houden, of ons stempel te willen drukken. Het is zwoegen, vallen en opstaan en weer opnieuw beginnen. Als we onze innerlijke demonen niet uitroeien dan projecteren we die op anderen. De woorden van Etty Hillesum lijken op die van Shunryu Suzuki die zijn leerlingen aanmoedigt: ‘een grote schoonmaak in hun geest te houden’, want dat is nodig als we echt onze ware natuur willen verwerkelijken en willen worden wie we ten diepste zijn. Dat lukt alleen door authentiek zelfonderzoek te doen en te luisteren naar onze innerlijke stem en open te staan ‘voor wat gezegd wil worden’, waardoor liefde en compassie opbloeien en vrede in ons hart en de wereld groeien.

Als we de angsten en haat in ons eigen hart niet onder ogen willen zien, zegt Etty Hillesum, dan maken we de wereld tot een onherbergzame plek. Dat is precies wat wij doen als we ons laten leiden door egocentrische bevangenheid en niet gehinderd door enige zelfreflectie, onze frustraties afreageren op onze omgeving. Het gebeurt op wereldschaal als megalomane leiders hun eigen werkelijkheid scheppen en overgaan tot wapengeklepper en vernietiging.

De gebeurtenissen in de wereld leiden tot de vraag: Wat doe ik? Wat doe jij? Ton Lathouwers vertelde eens over de tijd dat hij bij de Koreaanse zenmeester Seung Sahn verbleef. Het was in de periode van de Vietnamoorlog. Iedere avond ging Seung Sahn met zijn leerlingen mediteren voor de vrede, waarbij meerdere keren de Dharani van de grote Mededogende[2] werd gereciteerd. “Never say I cannot” en “try mind”, “try, try, try”, waren de korte maar wijze woorden van Seung Sahn. Bidden helpt! Als we niets anders meer kunnen doen, dan gaan we mediteren voor de vrede en planten daarmee de zaden van vrede in ons eigen hart en in het hart van de wereld. In de meditatie verbinden we ons met alles wat is. Als we de stilte ingaan verbinden we ons met andere kracht die in ons en het hele universum werkzaam wordt.

Als wij in beweging komen, dan beweegt alles met ons mee, zoals een steen die rimpelingen aan de oppervlakte van een vijver maakt. Of als het effect van een vlinder die ergens op het ene continent met haar vleugels fladdert om op een ander continent maanden later een tornado te veroorzaken[3]. “Never say I cannot”, zie Seung Sahn, zelfs al zou je van alle kanten horen dat het onmogelijk is. “Zelfs al zou je er helemaal alleen voor staan”, zei Masao Abe ooit tegen Ton Lathouwers, “als jij erin gelooft vanuit de diepste diepten van je hart, dan is alles altijd mogelijk.” En dat geldt ook in dit tijdsgewricht. Ga zitten in de stilte en als de hemel zwijgt dan is er alleen nog het oervertrouwen van je eigen hart. Dat kan ook het moment zijn om in actie te komen zoals gebeurde bij Florence Nightingale die als verpleegkundige tijdens de Krimoorlog ging werken, omdat de erbarmelijke omstandigheden van de Britse gewonde soldaten haar diep hadden geraakt. Ze moest in actie komen, kon niet anders! Toen koning George van Engeland haar bij de uitreiking van een onderscheiding vroeg wat haar had bewogen, antwoordde ze, een innerlijke Heilige Woede.

Niet iedereen is in staat tot een dergelijke heroïek en dat hoeft ook niet, want wij nemen allemaal onze eigen dharmaplaats in deze wereld in. Dat betekent dat we in ons eigen leven moeten zien te ontdekken wat wij moeten doen. Dat doen we op de plaats waar we staan en met de talenten en beperkingen die we bij onze geboorte hebben geërfd. Dat is de plek waar we ons licht kunnen laten schijnen. En in de stilte verbinden we ons met het leed van alle anderen, zoals Kwan Yin die luistert naar de noodkreten van de wereld. Het gaat erom dat we iets doen, hoe klein of onbeduidend het ook lijkt, een vriendelijk woord, een pannetje soep voor iemand maken, alles wat we doen om licht te brengen in de wereld draagt bij en is van waarde. We weten niet wat het effect is van ons handelen en dat hoeven we niet te weten, maar dat het iets doet, dat is zeker.

In de Gelofte aan de Mensheid van Hisamatsu[4], die we tijdens de sesshin aan het begin van iedere dag reciteren, zijn wij in de wereld om: ‘onze gaven ten volle te ontplooien, ieder volgens de eigen roeping in het leven’. Dat kan alles zijn. We kunnen erop vertrouwen dat ‘het naar ons toe komt, maar dan moeten we het wel oppakken’, zei Elisabeth Dinnissen. En op een dieper niveau is er altijd de weg van gebed en meditatie. Daar is groot vertrouwen voor nodig, maar het werkt. We weten niet hoe, want dat blijft een mysterie, maar het werkt en het raakt aan ons verlangen om het onmogelijke mogelijk te maken. Zoals Ton altijd zegt: “Ga staan op een plek waar geen plaats is”. Leg je niet neer bij wat is, het mag nooit stollen. Blijf geloven in het onmogelijke, in het levende fiat! Wat doe ik?

Het mooie van onze beoefening is dat we ons in het zitten zelf verbinden met de gehele werkelijkheid, met de pijn en wanhoop van alle levende wezens. Liefde en mededogen komen meer en meer in ons gedrag en handelen tot uitdrukking in de directe omgeving waarin we leven. Het maakt de wereld liefdevoller. Tot slot twee strofen van het gedicht van Robert Rozjdestvenski ‘Brief aan de dertigste eeuw’ (1968: 74 -75):

“Moge de liefde werkelijkheid worden en doordrenkt zijn van licht,
klinkend over de eeuwen heen: hulde aan de liefde.
Waardoor alles ons gegeven is, lijden én vreugde,
die de tijd allang heeft doorbroken en in
één machtige opwelling naar de toekomst stroomt.

Moge de liefde leven en doordrenkt zijn van licht.
Moge de liefde leven en onze tijd omhelzen.
Laat de liefde, zuiver en deemoedig iedere dag
opnieuw weer tot mij komen, als een lied dat opstijgt uit mijn hart.

Voor Rozjdestvenski is de liefde de voornaamste richtinggevende kracht van het leven en van heel de geschiedenis. Alleen wat in de menselijke liefde wortelt, kan werkelijk vruchtbaar zijn (id.1968). Moge de liefde leven en onze tijd omhelzen, opdat ons licht kan schijnen en “we anderen onbewust toestemmen dat ook te doen” (1992: 128).

Tekst Elsbeth Wolf. [1] Avatamsaka sutra. [2] Dharani van de grote Mededogende. [3] Butterfly effect van Lorenz. [4] Gelofte aan de mensheid. Literatuur: Etty Hillesum. Het Verstoorde Leven. Dagboek van Etty Hillesum, 1941 – 1943. 1981. Etty Hillesum. Dat onverwoestbare in mij. 2011. Ton Lathouwers. De Sovjetliteratuur. 1968. Marianne Williamson. Terugkeer naar liefde. 1992. Foto: Rob van Ruiten via Pixabay Bron Zitten in verbondenheid / 2 februari 2025. https://mahakarunachan.nl/luisteren-naar-onze-innerlijke-stem/

 

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#Auschwitz #Dhammapada #DharaniVanDeGroteMededogende #EttyHillesum #FlorenceNightingale #GelofteAanDeMensheidVanHisamatsu #holocaust #Joden #RobertRozjdestvenski #RomaEnHomoseksuelen #SeungSahn #ShunryuSuzuki #Sinti #TonLathouwers #TweedeWereldoorlog #Vietnamoorlog
#Auschwitz #Dhammapada #DharaniVanDeGroteMededogende #EttyHillesum #FlorenceNightingale #GelofteAanDeMensheidVanHisamatsu #holocaust #Joden #RobertRozjdestvenski #RomaEnHomoseksuelen #SeungSahn #ShunryuSuzuki #Sinti #TonLathouwers #TweedeWereldoorlog #Vietnamoorlog

Luisteren naar onze innerlijke stem - Boeddhistisch Dagblad

De wereld is veranderd en vrede in West-Europa is niet meer vanzelfsprekend. Al decennia lang woeden er oorlogen in gebieden ver van ons vandaan, waardoor we ons betrekkelijk veilig konden blijven voelen, zoals in het Midden-Oosten en Afrika die maar blijven voortwoekeren en leiden tot verschrikkingen en ontberingen met enorme aantallen vluchtelingen tot gevolg. De dreiging van onheil gaat ons sinds kort weer heel direct aan. Maar er is geen verschil tussen mensen waar ook ter wereld. We zijn allemaal mensen en overal ter wereld leven we met hetzelfde verlangen naar veiligheid gezondheid, vrede en geluk.

Boeddhistisch Dagblad

Boeddhistische doeners en denkers – de serie 76

De redactie van het Boeddhistisch Dagblad is geïnteresseerd in de ervaringen van mensen die het boeddhistisch pad volgen. De leer bestuderen en praktiseren. Al of niet op een kussen of in een sangha of in je eentje. Ben je zo’n iemand en wil je je ervaringen delen- hoe je het boeddhisme hebt ontdekt, wat het je opbracht en niet, je teleurstellingen en hoop, je verwachting, welke richting je volgt en waarom, of als je het boeddhisme weer hebt verlaten- stuur ons jouw ervaringen in een niet zo’n heel lange tekst toe om in de serie Boeddhistische doeners en denkers gepubliceerd te worden.

Mijn ‘weg’ begon 24 jaar geleden. Bij mijn toenmalige werkgever IBM stond in het opleidingscurriculum de training ‘De zin van Zen op het werk’.

Nou, ik had best een veeleisende baan en wat stress dus ik dacht: Dat zou wel eens wat voor mij kunnen zijn.

Het betrof dus een meditatietraining verzorgd door Rients Ritskes vanuit het toenmalige Zentrum. Het heeft mijn leven veranderd. Daar ben ik IBM en Rients nog steeds dankbaar voor.

Ik ben 7 jaar blijven plakken bij Zentrum. Heb uiteindelijk daar bij Willem Scheepers gezeten. Maar Utrecht was best ver vanaf mijn woonplaats Veenendaal dus op enig moment ben ik wat dichterbij huis gaan zoeken en kwam uit bij de zengroep van Olaf van Kooten bij Kenkon in Wageningen. Daar heb ik 14 jaar gemediteerd op de woensdagavonden. In die periode kreeg ik ook kennis van de teksten van Ton Lathouwers. En dat is wel de belangrijkste ontdekking. Ik heb Ton meermalen mogen ontmoeten. Heb al zijn boeken gelezen en kwam soms op de Seshins in Steyl.

Ton heeft mij ontdooid en de Mahayana (Ch’an) gedachten tot diep in mijn vezels gepland. Ton is ons helaas ontvallen. Ik volgde ook al geruime tijd zijn dharmaopvolger Elsbeth Wolf die in deze traditie en met de boodschap van Ton en zijn leraren weer verder borduurt aan het prachtige kleed van Mahayana en Ch’an. De 4 geloften van de Bodhisattva, met name de eerste, zijn mijn levensmotto geworden. Elke dag tussen 19.30 – 20.30 uur zit ik op mijn kussen en sluit ik met de 4 geloften af.

Ik neem deel aan de online sangha van Mahakaruna Ch’an onder leiding van Elsbeth. Zen heeft de hele dag, elke dag mijn aandacht. Helaas zijn er in mijn omgeving weinig sangha’s actief met uitzondering van Wageningen die vooral Engelstalig is.

Ik weet; ik begin pas. Ik heb geen verwachtingen. Ik beoefen. Maar ik wens dat ik  altijd de geest van een beginneer mag behouden.

Was getekend Peter van der Spek. Wilt u ook uw ervaringen met het boeddhisme delen, mail ze dan naar [email protected]

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#beginnersgeest #ElsbethWolf #PeterVanDerSpek #TonLathouwers #WillemScheepers
#beginnersgeest #ElsbethWolf #PeterVanDerSpek #TonLathouwers #WillemScheepers

Boeddhistische doeners en denkers – de serie 76 - Boeddhistisch Dagblad

Ik weet; ik begin pas. Ik heb geen verwachtingen. Ik beoefen. Maar ik wens dat ik  altijd de geest van een beginneer mag behouden.

Boeddhistisch Dagblad

In memoriam Ton Lathouwers (bis)

De zomersesshin van vier maanden geleden komt na het heengaan van Ton op 16 november 2024 ineens in een geheel ander daglicht te staan. Hij krijgt een bijzondere betekenis met gouden randje. Achteraf blijkt het de laatste sesshin te zijn geweest waarin Ton aanwezig was. Hij was aanweziger dan ooit! Dat klinkt wellicht vreemd, maar leeftijd en lichamelijke ongemakken hadden de laatste jaren hun tol geëist. Tussen de verschillende programmaonderdelen door moest er normaliter veel worden gerust. In deze sesshin was het anders. Bij de gebruikelijke dankwoorden aan het einde van een sesshin, memoreerde ik zijn energieke en ontspannen aanwezigheid. ‘s Morgens kwam hij regelmatig plots de zendo binnenlopen met zijn bekende voetstap, om aanwezig te zijn bij het reciteren van de ‘Gelofte aan de mensheid’ van Hisamatsu en het zingen van het ‘Gebed voor alle noden’[1]. In de koffie/theepauze van twintig voor vier zat hij ineens op zijn vaste plek aan tafel en voerde levendige gesprekken, terwijl we hem anders om vijf uur moesten wekken voor de soetradienst. Deelnemers kwamen als bijen op de honing af. We lieten het gebeuren, omdat duidelijk was dat iedereen er zichtbaar van genoot. Na de pauze gingen we de stilte weer in! “We gaan nog jaren samen door; in mijn familie worden de mensen heel oud” vertrouwde Ton me toe.

Grote thema’s van Ton waren: prajnāpāramitā, wijsheid voorbij alle wijsheid, vrouwelijke kant van het goddelijk zijn, je kunt er niet uitvallen en je mag er zijn, want je bent aanvaard hier en nu met je mooie en minder mooie kanten, Kwan Yin, de bodhisattva van het grote mededogen die gehoor geeft aan de noodkreten van de wereld en enkel mededogen is. Ze luistert naar het roepen om hulp. Kwan Yin die iedere gestalte aanneemt om hulp te bieden zoals in de soetra[2] die naar haar genoemd is: ‘als iemand gered kan worden door een Boeddha of een bodhisattva, een kind, een heilige, een hoogbejaarde, een monnik of een non, de meest verlorene, enzovoorts, dan zal zij die gestalte aannemen’.  Wij zijn het, die deze gestalten in deze wereld belichamen, wij zijn deel van dat grote net van Indra en worden door Kwan Yin ingezet, zonder ons dit bewust te zijn. Wij allen vertegenwoordigen dit grote mededogen van Kwan Yin op deze aarde.

Aleksandr Blok (1880-1921) was een van de vele lievelingsschrijvers van Ton. Hij was op Blok gedoctoreerd, zoals hij vaak in zijn teisho’s memoreerde. De volgende geciteerde passages van Blok worden aangevuld en geduid door Ton. Enkele verwijzende opmerkingen zijn van mij. Blok schreef Verzen over De Schone Dame. In 1904 kwam de bundel uit. Het is een lofzang op het eeuwig vrouwelijke. Blok had de Schone Dame in een visioen gezien. Het zijn de eerste teksten die iets van wat al in hem leefde wakker maakte bij Ton.

Hij wilde deze tekst, die hij op band had opgenomen, uitspreken tijdens zijn laatste afscheid. Aan het einde van de week van rouw, waarin iedere avond om 20.00u samen werd gemediteerd, is op zaterdag 23 november om 17.30, het uur van overlijden, een herdenkingsbijeenkomst via zoom georganiseerd door ‘Zitten in Verbondenheid’ waarin teksten van Blok en Sinjawski  zijn voorgedragen.

De kern van de tekst van Blok vatte Ton samen als: Blok vertrouwt erop dat hij, als ridder/ dichter, aan het einde van de strijd naar Haar mag terugkeren. Zij zal hem dan pas de hand reiken als hij slachtoffer is geworden van zijn plicht, als hij zijn leven heeft gegeven voor de verlossing van de wereld. Blok verwees hier altijd naar met verwijzing naar de Sophia zonder iets te zien of zonder enig houvast, zonder iets te begrijpen en zonder iets terug te verwachten. Hij verschuift het accent dan van zijn persoonlijke ervaring naar een grotere betrokkenheid op de ander.

Blok: “Wij zullen allemaal deel moeten hebben aan de verlossing van de door de chaos geketende koningin, de wereldziel, en van onze eigen ziel die aan deze wereldziel deelheeft. Er is een heilige formule, die op een of andere manier door alle schrijvers wordt herhaald: verloochen jezelf omwille van jezelf. Om zichzelf te zijn moet men zichzelf verloochenen.

Persoonlijke zelfverloochening is niet verloochening van de persoonlijkheid, maar verloochening door de persoon van het eigen egoïsme… Ieder mens herhaalt deze formule, als hij tenminste enig sterk geestelijk leven leidt. Het is een heilige formule, maar het is moeilijk om dit goed te begrijpen. Ik ben ervan overtuigd dat hier de redding van de ziekte van de ironie ligt, die ziekte van de persoonlijkheid en het individualisme. […]

We moeten allen trouw blijven aan de oude mythe van Perseus en Andromeda, en allen meewerken aan haar bevrijding van de gevangen koningin, de wereldziel, en van onze eigen ziel, die aan de wereldziel deel heeft. Ieder doet dit op zijn/haar[3] eigen gebied en op zijn/haar eigen wijze”. Voor iedereen betekent dit iets anders.

“Voor de ridder is dit vechten met de draak. Voor de monnik: vechten met de chaos. Voor de filosoof: vechten met de waanzin en veranderlijkheid van het leven.” Blok schrijft  in zijn tekst ‘voor de filosoof’, maar in dit verband is in mijn visie ieder mens een filosoof…

“Ook het leven van de kunstenaar moet een offerleven zijn. Hij moet zich onderdompelen in de chaos om zijn kunst te scheppen.” Wij als mens moeten ons onderdompelen in de chaos om ons leven te leven.

“Juist in de zwarte damp van de hel bevindt zich de kunstenaar waar zij/hij andere werelden ziet. De ondergrondse vlammen moeten haar/zijn wangen schroeien, zoals dat ook bij Dante het geval was. In de talloze sferen van de hel kan, zonder daar in om te komen, alleen zij/ hij vertoeven, die denkt aan Haar, aan de Sophia, die hem als Beatrice daarheen leidt waarheen zelfs een leraar als Vergilius niet durfde te gaan”.  Ton beschouwt dit binnentreden in de hel onder begeleiding van de Sophia als de afdaling van Kwan Yin tot in de diepste afgrond om daar iedereen te redden. Ton verbindt dit dan met een uitspraak die Blok optekende in zijn dagboek: ‘Wanneer het geluk er niet voor iedereen is, dan wil ik het ook niet’ en Ton schrijft: “Je zou het kunnen opvatten als een persoonlijke, vrije vertaling van de eerste gelofte van de bodhisattva” (2015: 148-149).

Blok vervolgt: “Op de vlucht voor zichzelf verschijnt hem in de grijze schemer van de winterdag een gelaat. Zij strekt haar handen naar hem uit en zegt: ‘Ik ben al lang op zoek naar jou, vanuit een zuivere en stille, hemelse wereld…Hou op om Mij met verschillende namen te zoeken. Ik heb maar één naam. Houd op Mij dáár te zoeken, ik ben hier’. […]

Voor heel de mensheid zal de ontmoeting plaatsvinden met het Morgenlicht, voor alle ongelukkige geslachten zal de nieuwe aeon aanbreken, de schitterende, wonderlijke, onbekende verte. […]

Men moet wel geestelijk blind zijn, niet geïnteresseerd in het leven van de kosmos, ongevoelig voor de dagelijkse siddering van de chaos, om te durven veronderstellen dat het ontstaan van de aarde onafhankelijk zou geschieden van en geen invloed zou hebben op de vorming van de mensenziel en op het hele menselijke bestaan. […]

Maar het is, alsof de machtige stroom van de echte een levendige cultuur uiteenspat in duizend kleine beekjes, die zich steeds verder vertakken en zo steeds meer aan kracht verliezen. Daarom draagt onze civilisatie het uitgesproken karakter van desintegratie. Men verliest de geest van eenheid en verbondenheid. Voor ons bestaat er nu een diepe kloof tussen mens en natuur. […]

Zij is de ster die aan het einde zal verschijnen. […] Als dit einde nadert, zal zij komen in een schitterend wit licht. Dan zal Zij aan de hemel de nevels verscheuren. […] Nu vliegen we nog boven een dreigende afgrond, te midden van een steeds dichter wordende duisternis. Maar hoe tomelozer de vlucht wordt, hoe meer het einde nadert, des te stralender en duidelijker zichtbaar wordt het schijnsel van haar Goddelijke gelaat. Naar Haar, die in het hemelsblauw is, voert soms een nauwelijks zichtbaar pad, dwars door de chaotische dwarrelingen heen, waarin wij kinderen van de wanhoop, worden meegesleurd. Langs dit pad zal Zij ons leiden. Wanneer eindelijk al datgene waardoor we ons verontrust weten, voorbij zal zijn, zal Zij ons met lieve hand binnenleiden in de Elyseese velden” (2015: 149-151).

Hier zie je de verering voor Maria van Lourdes van zijn ouders doorschemeren. Bij zijn geboorte werd hij opgedragen aan Maria en kreeg de namen: Maria Anthonius. Het is de reden waarom Ton bij voorkeur de kleur blauw droeg. Zo’n tien jaar geleden maakte hij nog met Louise een bedevaart naar Lourdes.

Tot besluit uit Zij is altijd soms een tekst van Andrei Sinjawski[4] (1925-1997) die voor Ton eveneens veel betekende: “En een kleine deur is in mij opengegaan, en ik heb gezien…het is pas hierna en altijd pas op deze wijze, dat het woord volgt of het begrip. Heel deze rest, of dat nu in de kunst ligt, in de wetenschap, de filosofie, de theologie, is niet meer dan een facultatief communicatiesysteem.

Hoe zal ik het beschrijven? Er moet een toestand zijn van passieve beschikbaarheid. Men is geheel in afwachting dat de deur zal opengaan. Het is een soort evenwichtstoestand aan de randgebieden van een waarlijk verslindende dorst, een hartstochtelijk dorstig verlangen om zichzelf te kunnen openen en te kunnen zien. Maar dit verlangen, deze dorst, is geenszins een middel, een methode om dit te zien, dit openen te kunnen bewerkstelligen. […]

Slechts wanneer we alles hebben verworpen, wanneer alles in onszelf is uitgedoofd, wanneer we tenslotte opgehouden hebben te geloven en te hopen op wat dan ook: alleen dan kunnen we hopen op wat dan ook: alleen dan kunnen we hopen dat deze deur zal opengaan. Plotseling. Geheel uit zichzelf… […]

Een mens hoeft niet te begrijpen waarom en waarheen het gebed (of onze meditatie) hem/ haar leidt, hierheen of daarheen. Heb vertrouwen. Kom tot bedaren. Onze ziel is veel wijzer en oneindiger dan wij… Kijk om je heen.” (2015: 164-165)

Wij moeten zonder Ton verder. Een paar weken na de zomer sms’te Ton over complicaties met zijn chronische kwaal, in de laatste week van september volgde het bericht dat hij wellicht niet aanwezig zou kunnen zijn bij de november sesshin, begin oktober werd die boodschap definitief. We moesten deelnemers aan de november sesshin, die op 5 november begon, deze mededeling doen. Alle kamers, minus die van Ton, waren bezet. Tijdens de sesshin lieten we ook de vaste plaats van Ton aan tafel in de refter leeg. Op die plaats stond een wit porseleinen vaasje met een roze anjer en wat kleine witte bloemen. Zijn kamer zou leeg zijn gebleven ware het niet dat halverwege de sesshin alsnog een deelnemer arriveerde, die eerst niet kon komen vanwege persoonlijke omstandigheden. Het is een gezegende kamer had de gastenbroeder haar gezegd. Zo heeft ze dit ervaren, als een cadeau van Ton.

Een sesshin is een periode van stilte en inkeer. “Zitten is het allerbelangrijkste”, had Ton ons altijd voorgehouden. Zen gaat voorbij alle woorden en teksten: teisho’s zijn maar bijzaak, het is al mooi als er ook maar één woord of zin blijft hangen of tot inzicht leidt.

Een week na afloop van de sesshin op zaterdag 16 november om 17.30u verliet Ton dit aardse bestaan. De laatste vijf jaren van zijn leven waren jaren van voldoening en te-vrede-heid geworden. Dat ontlokte hem met grote regelmaat de uitspraak: “Dit zijn de gelukkigste jaren van mijn leven”. We  voelen verdriet om zijn heengaan en dankbaarheid voor de jarenlange vriendschap en de acht jaar van intensieve samenwerking tijdens de sesshins.

De laatste tekst die Ton met zijn dharma-opvolgers deelde was een tekst uit de Mumonkan: “Laat elk woord, dat uit je hart komt opwellen als dat aller diepste, als het familiejuweel zo intiem, zo krachtig dat heel het universum opnieuw tot bestaan komt”.

Vanaf de Boeddha en Bodhidharma wordt de Dharma van generatie op generatie doorgegeven. Dat gebeurt al meer dan 2500 jaar. Het is aan ons dit voort te zetten. Ton besloot zijn laatste tekst met de woorden: “Tenslotte wil ik u allen alle goeds wensen in de zin van Hisamatsu’s formulering in de Gelofte aan de mensheid: ‘Ieder volgens de eigen roeping in het leven’ ”.

Wat ons rest, onze dankbaarheid voor het leven van een groot zenmeester Ton Lathouwers.

Tekst en foto Elsbeth Wolf. Zitten in verbondenheid / december 2024. Bron https://mahakarunachan.nl/in-memoriam-ton-lathouwers-bis/ [1] Gelofte aan de mensheid en Gebed voor alle noden. [2] Sutra van Kuan Yin. [3] De vrouwelijke persoonsvormen zijn door mij toegevoegd. [4] In het westen beter bekend onder zijn pseudoniem Abram Tertz. Literatuur: Ton Lathouwers. Zij is altijd soms. 2015.

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#AleksandrBlok #ElsbethWolf #KwanYin #MariaVanLourdes #TonLathouwers
#AleksandrBlok #ElsbethWolf #KwanYin #MariaVanLourdes #TonLathouwers

In memoriam Ton Lathouwers (bis) - Boeddhistisch Dagblad

De laatste tekst die Ton met zijn dharma-opvolgers deelde was een tekst uit de Mumonkan: “Laat elk woord, dat uit je hart komt opwellen als dat aller diepste, als het familiejuweel zo intiem, zo krachtig dat heel het universum opnieuw tot bestaan komt”.

Boeddhistisch Dagblad

Taigu – Oude en nieuwe zenideologie ontleed

Wat is zen? Op deze vraag hebben velen de tong stukgebeten. Het antwoord wordt ook in deze krant regelmatig beproefd. Slechts weinigen hebben in de gaten wat hen ertoe aanzet een poging te wagen deze missie te volbrengen. Of dat de vraag zelf zich kwalificeert als een koan, zoals veel vragen die beginnen met “wat” of “waarom” koans kunnen zijn. Ook Hisamatsu’s ‘fundamentele koan’, zijn moderne koan ter vervanging van alle klassieke zenkoans, is een wat-vraag, maar verpakt in een voorafgaande conditionaliteit: “Precies hier en nu, als niets lukt, wat doe je dan?”

In het klassieke zenboeddhisme waren koans oefenopdrachten om als leraar een indicatie te krijgen van de ontwikkeling van een leerling op diens weg naar bevrijding. Altijd, ook tegenwoordig, hebben zenleraren met het probleem gezeten dat ze de kunst van de vrije geest niet anders kunnen onderrichten dan door voorbeeldgedrag. Er is hier geen stappenplan voor.

Sommigen lijken zich nooit te hebben gerealiseerd dat het antwoord op een koan komt in de vorm van een ervaring. Boeddhistisch auteur Stephen Batchelor zat in een Koreaans zenklooster gefrustreerd te zitten met het gelaat naar een houten paneel en de vraag “Wat is dit?” Na drie maanden pauzeerde het programma voor enige tijd, waarna Batchelor opnieuw drie maanden met dezelfde koan mocht worstelen.

Pas vele jaren later zien wij hem zich in een van zijn boeken ontladen in een eruptie van verontwaardiging wanneer tot hem is doorgedrongen waar de Hartsutra precies over gaat. Waar koans in ieder geval goed voor zijn, is om die leerlingen uit het proces te filteren voor wie zen echt niets is.

Onder zen kun je zowel verstaan de karakteristieke zenervaring als het zenboeddhisme. Niet alle zenboeddhisme stelt echter uitsluitend de zenervaring centraal. Onder dezelfde vlag is in de geschiedenis een variatie van benaderingen schuilgegaan, afhankelijk van plaats en tijdstip.

Zenboeddhisme maakt deel uit van de brede baaierd van Mahayana, dat in een eeuwenlange ontwikkeling nu weer eens deze, dan weer een andere doctrinaire iteratie of een combinatie van iteraties aanhing. In zenkloosters en andere scholen binnen Mahayana in Oost-Azië dobberde men mee op de stroming van de doctrine van de tijd en hield men goed in de gaten uit welke hoek de politieke wind waaide.

Om te overleven was men er bereid tot iedere framing die de gunst van de keizer of de plaatselijke heerser kon wegdragen. In wat over is van klassieke zenliteratuur zitten wereldlijke gezagsdragers regelmatig op de eerste rij en geven andersdenkenden de opdracht om aandachtig te luisteren naar de eerwaarde zenmeester, die het geheel en al bij het rechte einde heeft. In deze literatuur van latere generaties zien wij een vorm van zenpropaganda doorschijnen.

Het verschil tussen de zenervaring en het zenboeddhisme is dat de ervaring persoonlijk is en de stroming of school gebaseerd op institutionalisering, op de routinisering en de internalisering van gedrag dus. Niet zelden staat institutionalisering op gespannen voet met de zenervaring.

Gedrag gaat over de kloosteretiquette, over de heersende doctrine, over de autoriteit van de novicemeester, over wie er vriendje is met wie, over anciënniteit en transmissie, kortom over de formele en informele aspecten van het samenzijn van de groep, dat we mutatis mutandis eveneens terugzien in eigentijdse sangha’s. Allemaal leuk en aardig (of niet), maar met het bij sommigen brandende verlangen naar de zenervaring heeft dit weinig van doen. Bestaand groepsgedrag is een horde die je als beginner neemt of niet. Vandaar dat zo veel initiële belangstellenden sangha’s algauw weer verlaten.

Bij gebrek aan voldoende betrouwbare bronnen is onze kennis over de geschiedenis en de oorsprong van Mahayana en ook die van zenboeddhisme wankel en fragmentarisch. Dit geldt eveneens voor de geschiedenis van het boeddhisme als geheel. Verspreid zijn er geschriften, archeologische resten en monumenten die de tand des tijds hebben overleefd.

Ze horen het niet graag, de gelovigen in de boeddha-met-een-hoofdletter, de verhevene en zo, maar de Pali Canon is het product van een late onder-onder-onder-onder-traditie, gebaseerd op eeuwenlange mondelinge overdracht, tal van correcties door concilies, aangevuld met naar het Sanskriet hertaalde Chinese agama’s en al wat de redactie van de achtereenvolgende edities in de negentiende en twintigste eeuw goeddunkte.

Het is verloren tijd en moeite om te pogen de historiciteit van een oerboeddha vast te stellen, wat gelovigen er niet van weerhoudt de boeddhafiguur van de canon te substitueren voor deze oerboeddha. Omdat de behoefte aan een lijn naar de oerboeddha altijd even onuitroeibaar is geweest als het brandende verlangen naar de zenervaring, zijn leraren van elke origine zelf maar lijnen gaan trekken, bronnen of niet.

Wat dondert het gelovigen dat hun boeddha niet de oerboeddha kon zijn, ze wilden (en willen) er gewoon eentje. Leraren, opgescheept met een massaliteit van aanwas (als het om kloosters ging soms beperkt door het bevoegd wereldlijk gezag), hadden weinig andere keuze dan hieraan mee te doen. Met tal van concurrerende tradities en de eigen aspiraties van leraren kon het van levensbelang zijn de wereld duidelijk te maken dat zij een echte en rechte lijn naar de oerboeddha vertegenwoordigden.

Tot zijn leedwezen merkte bijvoorbeeld Eihei Dogen dit eveneens aan den lijve. Zijn zen had hij, volgens eigen zeggen, vanuit China geïmporteerd om het verloederde boeddhisme in Japan terug te brengen naar zijn oorsprong. Het monopolie op zijn gelijk werd echter betwist door de Daruma Zen school, die hetzelfde beoogde en beweerde.

Een gelukkige bijkomstigheid voor zenboeddhisme is dat het er allemaal niet toe hoeft te doen. Het heeft namelijk zijn bevrijdingservaring, die zenboeddhisme gelijkstelt met, of liever als superieur aan, de verlichtingservaring van de oerboeddha. Hiermee gewapend veegt zenboeddhisme de vraag over het bestaan van de oerboeddha als irrelevant onder het tapijt. Broeder Gautama’s te boek gestelde avonturen zijn een clownsact van een oude yogi waar je als zenbeoefenaar doorheen moet leren kijken.

De betekenis van transmissie levert een dilemma op binnen het moderne westerse zen, maar met minder regulerend potentieel dan in kloosters, omdat het zich bij ons in lossere gemeenschappen afspeelt. Transmissie creëert in de ogen van anderen (en in die van dharmaopvolgers) een toplaag in de gemeenschap.

In Oost-Azië kon je dit vroeger nog oplossen door iemand die de zenervaring voldoende onder de knie had, het klooster uit te sturen. Hij ging de wereld in om emplooi te vinden als kapelaan van een plaatselijke tempel, als hagepreker of als rondreizend dichter, van alles was mogelijk. Zo had een klooster mede de functie van een soort priesteropleiding.

Een stil geheimpje van zen is dat verlichting niet alleen door de zenervaring tot stand kan komen. Hier loop je opnieuw tegen een dilemma van de traditie aan. Als je dat openlijk zou toegeven, ja, waarop berust dan de claim van jouw klooster of beweging of sangha dat deze iets betekenisvols vertolkt? Waarom zou je je er als buitenstaander mee inlaten, als het misschien ook anders kan, met minder moeite?

Zen en de wereld, het blijft een bron van misverstanden en menselijk gewriemel. Beeldend kunstenaars, auteurs en andere vrije geesten, doorzien de betekenis van de zenervaring vaak onmiddellijk en intuïtief, zonder ook maar één seconde op een meditatiemat te hebben doorgebracht. In zijn roman ‘Siddhartha’ laat Hermann Hesse de gelijknamige hoofdpersoon het pad kruisen van de oerboeddha en zijn gevolg van monniken. Siddharta’s metgezel treedt in bij de orde, de hoofdpersoon zelf echter niet. Het is een keuze, maar wijsheid kan je ook langs andere weg geworden.

Sommigen, zoals Hisamatsu, hebben zich een tijdje blootgesteld aan zentraining en toen hen het licht was opgegaan, de training verlaten. Hisamatsu werd zonder transmissie een succesvolle naoorlogse leraar, die op zijn manier een ander, moderner procedé introduceerde dan dat van Japans aartsconservatieve zenscholen.

Zelf opstaan als dharmaopvolger: het kan allemaal en het kan geen kwaad om de betekenis van transmissie te relativeren. Tot de rangen van de vrije geesten behoren wereldwijd gelukkig vele mensen die verlicht zijn geraakt door iets anders dan een boeddhistische bevrijdingservaring. Als je de hele zaak overziet, dat is er soms reden tot lachen over onzin die op een onbewaakt moment uit de mond of uit de pen kan voortkomen van zenleraren en hun gevolg, en over de eerbiedige, zwijgende volgzaamheid van niet-begrijpende aspirant- beoefenaars.

Met Hisamatsu maakte Abe Masao, de redder van Ton Lathouwers in een moment van grote persoonlijke crisis, deel uit van de kring rond de Kyoto-school, een groep Japanse filosofen die, men leze het oordeel op basis van grondig onderzoek in James Heisigs boek ‘Philosophers of Nothingness’ (2001), geen bijdrage van betekenis heeft geleverd aan de filosofie.

Abe zelf publiceerde een boek over Dogen met onbegrijpelijke grafische afbeeldingen om de zenleer van een van Japans literaire helden toegankelijker te maken. Het is het groupiegedrag van religieus hunkerenden dat het stilzwijgen en daarmee ook de ontsporingen in westerse zensangha’s faciliteert. Leraren zelf ervaren de hunkering soms als vervelend, wanneer de zoveelste student tijdens een persoonlijk onderhoud uit overschatting van eigen kunnen informeert of transmissie al in zicht is.

En dan verschijnt op 5 november 2024 in het Boeddhistisch Dagblad een bijdrage van Elsbeth Wolf, getiteld ‘Zitten in verbondenheid, Je moet het levend houden’ gebaseerd op een verzameling teksten uit de geschiedenis van Mahayana en zen. Een belangrijk punt dat haar lijkt te ontgaan is dat zen niet tegen het bestuderen van sutrateksten als zodanig is, maar tegen het erkennen van een oerboeddha of welke andere, veruitwendigde religieuze autoriteit dan ook.

Gevolg is dat zij een andere religieuze autoriteit, Bodhidharma (Daruma in het Japans), laat optreden als de zogenaamd historische stichter van zen, terwijl deze gestalte even mythisch is als die van de oerboeddha. Als je haar voetnoten bekijkt, dan kun je je terecht afvragen of ze niet in de gaten heeft waarom de teksten die worden toegeschreven aan Bodhidharma, op zijn minst van enkele honderden jaren later zijn.

Niets in de geschiedenis van Mahayana is wat het lijkt dat het is. Onderzoekers benadrukken dat de oorsprong van het ‘Grote Voertuig’ in raadselen is gehuld. Anders dan de monastieke sektes waarin Gautama’s beweging zich had georganiseerd en vertakt, was de bedoeling dat er voor iedereen plaats zou zijn in dit voertuig. Het lijkt erop dat het vroegste Mahayana een liturgie van een reeks nieuwe teksten inhield, die binnen dezelfde ordes naast die van het traditionele boeddhisme werd onderhouden.

Breukpunten in de geschiedenis van Mahayana moeten met het grootste voorbehoud worden bezien. Wanneer Mahayana zich precies losmaakte, is onbekend. Teksten waarop boeddhisten kunnen terugvallen, zoals in dit geval de Lotus Sutra, hebben meestal een ideologische lading. Al te goedgelovig wordt op basis van zulke teksten aangenomen dat ze een breukpunt beschrijven, of dat er één breukpunt moet zijn geweest.

Wat geldt voor Mahayana, gaat ook op voor zen. Het is verre van zeker dat er één stichter van zen heeft bestaan. Het toeschrijven van een bundeltje dharmaredes aan één charismatische figuur door latere volgelingen die een ideologisch fundament wilden leggen onder hun traditie, is in de geschiedenis van zen echter een beproefd recept. Evenals andere tradities tapte men allemaal uit hetzelfde boeddhistische vaatje. Telkens werd er weer een verhaal gesponnen om zich te onderscheiden, zonder zich erom te bekommeren dat dit was wat de verfoeide concurrentie ook had gedaan.

Als zoveel zenleraren de geschiedenis door verbindt ook Elsbeth Wolf wat ze meent te weten met wat ze niet kán weten. De lijn tussen Bodhidharma en Dogen overspant zo’n zevenhonderd jaar; ze vraagt zich niet af wat we wel en niet weten over het tijdeigen van de een en de ander. Dan gaan we weer zo’n duizend jaar terug naar een passage uit de Avatamsaka Sutra die voor zover wij weten dateert van ongeveer een halve eeuw vóór de tijd waarin zen waarschijnlijk is ontstaan.

Met een selectieve greep teksten wordt zo de traditie van Maha Karuna Chan ideologisch gelegitimeerd en een fundament gelegd onder de hoogst kwestieuze stelling dat mensen die niet in een kloosteromgeving beoefenen, wel moeten zorgen dat ze dagelijks mediteren. Het is aanschouwelijk onderricht en een voorbeeld van de wijze waarop iedere andere eigentijdse zengemeenschap haar eigen verhaal kan construeren.

En het is onnodig. Zensangha’s in de eenentwintigste eeuw staan mijlenver af van de beoefening in de tijd van Huineng en Linji. Het gegoochel met teksten verraadt een verlegenheid om zichzelf van een dekmantel van identiteit te voorzien zonder een beroep te doen op de wortels van eigen tijd en cultuur. En dit terwijl juist deze verlegenheid een mooi aanknopingspunt kan zijn om aan de orde te stellen: “Precies hier en nu, als niets lukt, wat doe je dan?”

Waarom niet gezegd: “Wij weten zo weinig van de geschiedenis van zen en boeddhisme, behalve dat we in bijna niets gelijken op de historische beoefening ervan? Maar dit doet er niet toe, want één ding is altijd uit voorraad leverbaar: een begin maken met een verkenning van de zenervaring. Op basis van deze ervaring werken onze sangha’s eraan de zaden van boeddhaschap te laten ontkiemen bij beoefenaren, in geest soms in staat tot vlagen van verlichting, en verder delend in de onvolmaaktheid van de menselijke existentie.”

Beoefenaren in westerse zensangha’s zijn niet in staat tot de belastende geestelijke capriolen die voor zenmonniken in een kloosteromgeving met continu verblijf mogelijk waren. In een vereenvoudigde zenbeoefening is er geen plaats voor een flirt met een overtrokken vorm van contemplatie. Hooguit kan er hier worden geëxperimenteerd met een zenervaring op een wijze die past bij een tijd waarin onthaasting even belangrijk is als ons functioneren als goed geïntegreerde, individuele leden van de maatschappij. De tijd is verdergegaan en wij staan dichter bij andere bronnen van verlichting uit onze eigen cultuur dan bij de cultuur waarin het zenboeddhisme is ontstaan. Zou dit niet een beter uitgangspunt zijn dan proberen geforceerd de wijsheid van een vreemd verleden te repliceren?

Zen speelt zich af temidden van vele contradicties. Eén daarvan is dat het historische zen zelf opnieuw een monastieke beweging vormde binnen een Mahayana dat zich in naam richtte op een veel groter publiek. Een andere dat hoe harder je de kernervaring probeert te bereiken of de validiteit ervan te bewijzen, des te minder effect je sorteert. Als de ervaring van hart tot hart wordt overgedragen, dan komt het reine land waarlijk toe aan diegenen die erin slagen arm van geest te blijven. Het beste onderricht in zen komt van wie van nature lankmoedig is, niet van de novicemeesters of de tekstschrijvers.

Na twaalf jaar schrijven voor het BD en zo’n vijfhonderd bijdragen neemt Jules (Taigu) Prast afscheid van het Boeddhistisch Dagblad. Dit is zijn laatste bijdrage. De hoofdredactie van deze krant is hem zeer erkentelijk en dankbaar voor zijn bijdragen.

 

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#AbeMasao #AvatamsakaSutra #bodhidharma #EiheiDogen #groteVoertuig #HermannHesse #Hisamatsu #koans #Linji #LotusSutra #MahaKarunaChan #StephenBatchelor #TonLathouwers
#AbeMasao #AvatamsakaSutra #bodhidharma #EiheiDogen #groteVoertuig #HermannHesse #Hisamatsu #koans #Linji #LotusSutra #MahaKarunaChan #StephenBatchelor #TonLathouwers

Taigu - Oude en nieuwe zenideologie ontleed - Boeddhistisch Dagblad

Beoefenaren in westerse zensangha’s zijn niet in staat tot de belastende geestelijke capriolen die voor zenmonniken in een kloosteromgeving met continu verblijf mogelijk waren. In een vereenvoudigde zenbeoefening is er geen plaats voor een flirt met een overtrokken vorm van contemplatie. Hooguit kan er hier worden geëxperimenteerd met een zenervaring op een wijze die past bij een tijd waarin onthaasting even belangrijk is als ons functioneren als goed geïntegreerde, individuele leden van de maatschappij. De tijd is verdergegaan en wij staan dichter bij andere bronnen van verlichting uit onze eigen cultuur dan bij de cultuur waarin het zenboeddhisme is ontstaan. Zou dit niet een beter uitgangspunt zijn dan proberen geforceerd de wijsheid van een vreemd verleden te repliceren?

Boeddhistisch Dagblad

Gedachten over een Haiku 24 – anoniem

Are my youthful dreams
still unfinished?
this morning’s frost.

(Anoniem)

Zijn mijn jeugddromen
nog steeds niet uitgevoerd?
rijp in de ochtend.

De dichter peinst over zijn leven dat voorbij ging. Hij herinnert zich de dromen die hij had toen hij nog jong was. Wat is daarvan terecht gekomen? Zoveel plannen en ideeën, ze zijn niet uitgevoerd. Zoals zo vaak in het leven is het heel anders gelopen dan hij had bedacht.

Hij gaat naar buiten en ziet dat het gevroren heeft. De eerste rijp ligt over het gras. En dan schrijft hij deze haiku. Eerst twee regels over zijn gedachten. En dan de derde regel met een observatie van het hier en nu.

De betekenis van de haiku lijkt te liggen in wat de dichter op dat moment ziet. De haiku fungeert als spiegel. Hij weerspiegelt de werkelijkheid van dat moment. Dat is ook de kracht van een goede haiku. De dichter legt niet uit, geeft geen betekenis, maar noteert zijn observatie. De lezer kan zijn eigen gedachten eraan verbinden.

In deze haiku kan uit de bespiegeling in de eerste twee regels worden opgemaakt dat de dichter in de winter van zijn leven is. Die lijn wordt doorgetrokken naar de vorst in de laatste regel. Maar dat is wel wat voor de hand liggend. Misschien zelfs een ‘westerse’ gedachte. Vanuit onze traditie om poëzie te interpreteren en betekenis te geven aan het geschrevene.

De magie van de haiku is juist dat de tekst heel simpel lijkt, maar toch een diep gevoel kan oproepen. Er wordt niet voor niets gezegd dat een goede haiku geschreven is door een beginneling of door een haiku-meester die al zijn kennis en ervaring heeft losgelaten.

Als ik mijn gedachten hierover laat dwalen, langs soms onverwachte paden, denk ik opeens aan de bijbel. Daarin zegt Jezus dat je weer ‘moet worden als de kinderen’. Voordat je kennis en meningen verzamelde. Dus geen haiku’s schrijven en interpreteren van buitenaf, maar van binnenuit. Zoals je was toen je nog een kind was. Of, vanuit je Boeddhanatuur.

Hiermee was deze ‘Gedachten’ klaar voor publicatie, tot ik woensdagmorgen in het Boeddhistisch Dagblad een interview met Ton Lathouwers las. Daarin haalde hij Suzuki en Michail Antsjarov aan, die allebei ook verwoordden dat we weer ‘als de kinderen moeten worden’. In het interview ging het niet over haiku’s schrijven. Het ging over hoop, en elkaar helpen. Maar het sloot wel mooi aan bij deze Gedachten over een haiku. Het interview eindigde met het gedicht ‘Hebben en zijn’ van Ed Hoornik. Hieronder de laatste strofe.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Als kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

De haiku staat in “HAIKU An Anthology of Japanese Poems” door Stephen Addis, Fumiko Yamamoto en Akira Yamamoto en is in het Engels vertaald door de schrijvers.

De Nederlandse vertaling van de haiku is van mij.

#EdHoornik #gedachtenOverEenHaiku #hoop #levenVoorbij #TonLathouwers

Afscheid Ton Lathouwers – ‘in vervoering boven de wolken’

Bericht namens Ljudmila Lathouwers:

Na de besloten dienst op vrijdag 22 november om 9.00 uur is Ton Lathouwers in Apeldoorn gecremeerd.

Wij hebben vaak met Ton over zijn uitvaart gesproken.

Ton met dochter Mila.

Hij wilde geen toespraken tijdens de dienst en heeft zelf een tekst voorgelezen van Anton Blok, die tevoren op band was opgenomen.

De tekst is uit zijn boek: “Zij is altijd soms”.

Eén van de muziekstukken die hij koos, was het largo uit het tripelconcert van Beethoven.

Favoriete opname voor hem was die met David Oistrakh, Mstislav Rostropovich en Sviatoslav Richter.

De muziek herinnerde hem aan de tijd vóór zijn hoogleraarschap in Leuven toen hij als tolk/vertaler voor defensie werkte. In die periode vloog hij met de piloot in vervoering boven de wolken met deze muziek.

We wensen zijn dochter Ljudmila (Mila), zijn schoonzoon Henk Jan en overige familieleden liefde en vertrouwen toe om dit (on)verwachte verlies te dragen. Via dit volgende email adres: [email protected] willen we graag iedereen de gelegenheid bieden om de familie van Ton te eren en te condoleren met dit grote verlies.

Maha Karuna Ch’an, Elsbeth Wolf

#AntonBlok #crematie #DavidOistrakh #Mila #MstislavRostropovichEnSviatoslavRichter #TonLathouwers

Edel – Ton

Enkele dagen geleden, op zaterdag 16 november, overleed Ton Lathouwers, mijn eerste en laatste zenleraar.

Ik noem hem mijn eerste en laatste zenleraar omdat ik in 1986 bij hem ben beginnen te mediteren in Leuven. Hij was er professor Russische literatuur. Toen hij enkele jaren later met pensioen ging en uit Leuven vertrok, begon ik aan een lange zoektocht. Ik mediteerde op verschillende plaatsen en bij verschillende leraren. Uiteindelijk, 20 jaar later, kwam ik weer bij Ton uit. Het is als al die verhalen waarin iemand op wereldreis vertrekt op zoek naar een schat, om hem dan tenslotte in zijn eigen tuin te vinden.

Ik ben blij dat ik Ton nog gesproken heb enkele dagen voor zijn dood. Hij vroeg me of ik zin had om nog eens langs te komen. Ik schrok toen ik hem zag. Ìk wist niet dat hij zo ernstig ziek was. Hij besefte zelf ook dat het niet lang meer zou duren en hij had er vrede mee. Hij maakte grapjes, zoals ik hem altijd gekend heb. Hij was dankbaar voor zovele mensen die hem en de Mahakaruna Chan ondersteund hebben. Hij had er alle vertrouwen in dat het verder zou gaan, ook al wist hij niet hoe.

Aan het einde van het gesprek vroeg hij om nog een half uurtje samen te mediteren. We bleven in stilte, hij liggend in bed, ik op de stoel er naast. Hij viel langzaam in slaap. Even vroeg ik mij af of het zin had om nog te blijven zitten, maar mijn gevoel was heel duidelijk. Dit zou ik ook willen, dacht ik, als het mijn beurt is. Wat doe je als je niets meer kunt doen? Vijf minuten voor het half uur zou aflopen, opende hij zijn ogen. Hij keek mij aan en zei: ‘Ah, je bent er nog’. ‘Ja hoor we zijn samen aan het mediteren, nog vijf minuten.’ ‘Ja, dat is fijn,’ zei hij, ‘zo samen mediteren’ en hij viel terug in slaap. Na vijf minuten stond ik stilletjes op en vertrok. Dat was de laatste keer. Van hart tot hart.

Dat het zou voortgaan, dat was zijn grote bekommernis. Hij had aan een aantal mensen transmissie gegeven. Hij besefte dat transmissie altijd weer tot problemen leidt. Maar transmissie is geen eretitel. Het is een missie. Wat mij betreft is het nog veel meer een passie. De passie om het mooiste wat je gekregen hebt, door te geven. Een titel kan daarbij helpen of in de weg zitten. Maar zonder passie houdt het op.

Het is ontroerend al die reacties te zien op de Mahakaruna website. Ton leeft verder in ieder van ons. En daarmee ook zijn passie.

Dan besef ik: het gaat verder, dat kan niemand tegenhouden.

#leraar #Mahakaruna #missie #sterven #TonLathouwers #transmissie #vanHartTotHart

Extra nieuwsbericht – Maha Karuna Ch’an

Boeken – Je kunt er niet uit vallen

Deze zentoespraken bevatten de geconcentreerde neerslag van een levenslange omgang met de weg van zen, met ontmoetingen, met de wijsheidsteksten uit Oost en West. Zij zijn ten diepste religieus in hun zoektocht naar de ware aard van de mens en van wat hij mag hopen.

Ton Lathouwers laat als onconventionele zenleraar zien hoezeer de inzichten van zen in vele religieuze tradities aanwijsbaar zijn, ook bij denkers als Sjestov, Nietzsche, Kierkegaard en zelfs Sovjetauteurs die geen religieuze taal meer hadden.

Deze toespraken gaan in essentie over vertrouwen, over het oervertrouwen dat zelfs over de dood heen gaat. Al vergaat het universum, je oorspronkelijke gelaat vergaat nooit. Je kunt er niet uit vallen. Dat is beginpunt voor de boeddhistische gelofte die het levensmotto van de auteur werd: hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze alle te bevrijden.

Zentoespraken – Ton Lathouwers
ISBN: 9789056703998
uitvoering: paperback
aantal pagina’s: 464
druk: 3
verschijningsdatum: 22 mrt 2024
prijs: € 24,95
uitgeverij Asoka

#jeKuntErNietUitvallen #TonLathouwers