Islamitisch recht (7) mu’tazilieten

Zestiende-eeuwse tekening van Al-Ma’mun

[Dit is het voorlaatste van acht blogjes over het ontstaan van de islam. Het eerste was hier.]

In het vorige blogje legde ik uit dat tegenover de claim van de islamitische rechtsgeleerden (ulama) dat zij konden uitleggen hoe de gelovigen zich het beste konden gedragen, de kalief stond. Die bevorderde bestudering van Griekse, Indische, Perzische en Syrische teksten in het Huis der Wijsheid.

De mu’tazilieten

De daar opgedane kennis van de Griekse wijsbegeerte werd toegepast door de theologen die mu’tazilieten worden genoemd.noot De naam betekent zoiets als “zij die zich afzijdig houden” (in een destijds belangrijk geschil). Net als de Griekse stoïcijnse filosofen meenden ze dat God en de Rede identiek waren. Dit betekende dat goed en kwaad door de mens beredeneerd konden worden en dat mensen voor morele kennis niet uitsluitend waren aangewezen op de openbaring in de Koran.

Verder oordeelden de mu’tazilieten dat als God rechtvaardig was – en wie zou dat betwijfelen? – Hij niet zoiets onrechtvaardigs kon toestaan als predestinatie. De mu’tazilieten benadrukten daarom de vrije wil van de mens en diens eigen verantwoordelijkheid bij de keuze tussen goed en kwaad. Passages in de Koran die predestinatie vooronderstelden, beschouwden ze als allegorie.

Voor de ulama was dat onaanvaardbaar. Het uitgangspunt van de rechtsgeleerden was immers dat de Koran niet zomaar een geïnspireerd geschrift was, maar een manifestatie van God Zelf. Allegorese was daarom uit den boze. Verder waren de rechtsgeleerden sceptisch over de onbegrensde toepassing van de ratio. De gelovige kon daar beter niet teveel op vertrouwen. Het leven van de Profeet was als voorbeeld voldoende.

Conflict

Kalief Al-Ma’mun steunde de mu’tazilieten. Dat betekende een diepgaand conflict tussen vorst en althans een deel van zijn onderdanen. De kalief kon echter niet anders dan compromisloos zijn: als Gods plaatsbekleder kon hij onmogelijk met de ulama tot een vergelijk komen, terwijl de mu’tazilieten een interpretatie van de Koran boden die het gezag van de kalief onaangetast liet. Onder Al-Ma’muns opvolgers zijn de ulama vijftien jaar lang vervolgd (833-848), maar de populariteit van de geleerden gaf de doorslag. Uiteindelijk kon de kalief niet anders doen dan de ulama accepteren als religieuze autoriteiten. Hadden rechters juridische twijfelgevallen altijd aan de kalief voorgelegd geweest, vanaf het midden van de negende eeuw moest ook advies worden ingewonnen bij een islamitische rechtsgeleerde.

Dit droeg niet bij aan de kracht van het centrale gezag in de islamitische wereld, en de verzwakking van de positie van de kalief is wel genoemd als een factor die een rol speelde bij de latere desintegratie van het uitgestrekte rijk.

Het einde van het Huis der Wijsheid

Het enthousiasme waarmee de Griekse letteren waren bestudeerd, nam sterk af na de overwinning van de ulama. Het Huis der Wijsheid werd gesloten en in 899 bepaalde de kalief dat kopiisten voortaan een beroepseed moesten afleggen dat ze geen werken zouden overschrijven uit de Tijd der Onwetendheid. Niettemin waren er voldoende vertalingen in omloop gekomen om het individuele geleerden mogelijk te maken de Griekse filosofie en wetenschappen te bestuderen.

De moslims stonden dus kritischer ten opzichte van de Grieks-Romeinse cultuur dan de christenen. Waar die hun rechtssysteem zouden modelleren op het Romeinse Recht en probeerden de klassieke teksten in de grondtaal te bestuderen, ontwierpen de moslims een eigen rechtsstelsel en volstonden ze met vertalingen. In de twaalfde eeuw zouden de Europeanen de islamitische instituties en ideeën overnemen. Maar daarover blogde ik al eens eerder.

[wordt vervolgd]

#Abbasiden #AlMaMun #allegorese #allegorie #goedEnKwaad #hadith #HuisDerWijsheid #islamisering #islamitischRecht #Kalifaat #KalifaatVanBagdad #Koran #Mohammed #muTazilieten #predestinatie #ulama #vrijeWil

Islamitisch recht (6) de kalief

Geleerden reizen van keizer Theofilos (r) naar kalief Al-Ma’mun (l)

[Dit is het zesde van acht blogjes over het ontstaan van de islam. Het eerste was hier.]

In de voorgaande vijf blogjes heb ik verteld hoe binnen het Kalifaat behoefte groeide aan een islamitisch rechtsstelsel en hoe de rechtsgeleerden, de ulama, iets volkomen nieuws ontwierpen, dat noch op het joodse, noch op het christelijke, noch op het Romeinse Recht leek. In het islamitische recht was een duidelijke hiërarchie van rechtsbronnen, maar één bron was opvallend afwezig: de kalief.

De visie van de kalief

Hadiths over de eerste vier kaliefen, de “rechtgeleide kaliefen”, werden in overweging genomen. Zij hadden de Profeet nog gekend. De beslissingen van de Umayyadische kaliefen hadden in de tijd van de Abbasidische kaliefen echter geen groot gezag. Althans voor de rechtsgeleerden. De heerser der gelovigen zelf zag dat anders. Een kalief was een plaatsbekleder – en niet van Mohammed, zoals je weleens leest. Inscripties, munten en vroege islamitische teksten maken duidelijk dat de kalief zichzelf zag als de plaatsbekleder van God op aarde.

De visies van de rechtsgeleerden en de kalief botsen op een wezenlijk punt. De eersten dachten egalitair en benadrukten dat ieder mens een persoonlijke relatie had tot God; de tweede ging uit van de hiërarchie. Omdat de twee partijen niet allebei gelijk konden hebben, groeiden er spanningen. De Abbasidische heersers, die aanvankelijk sympathiseerden met de juristen, kwamen daar dan ook van terug. En uiteraard was deze volte-face in de ogen van elke rechtsgeleerde niets minder dan ketterij, zodat de ergernis wederzijds was.

Toch viel er wel iets voor de Abbasidische politiek te zeggen. Terwijl de Umayyaden de niet-Arabische moslims hadden beschouwd als tweederangs burgers, stonden de Abbasiden meer open voor andere culturen dan de Arabische. Op hun manier dachten ook zij egalitair. De neiging het ene volk niet boven het ander te zetten, leidde tot de opbloei van de wetenschappen. Welke implicaties dat had voor de relatie tussen kalief en rechtsgeleerden, zal ik in het volgende blogje tonen.

De Arabische wetenschap

Hoewel het Arabisch de geprivilegieerde hoftaal bleef, werden in Bagdad alle talen van de islamitische wereld gesproken en bestudeerd. De geleerden benutten daarbij uit het Grieks vertaalde inleidingen tot de taalkunde. Al snel werden ook de werken van Griekse artsen en andere praktische geleerden in het Arabisch omgezet, want de Abbasiden, die door een staatsgreep aan de macht waren gekomen, wilden tonen dat hun heerschappij het leven van de moslims verbeterde.

Ook meer theoretische teksten werden vertaald en zo kwam het dat de Arabieren omstreeks 800 beschikten over vertalingen van Aristoteles’ Organon en zijn Poëtica, een handvol dialogen van Plato en enkele neoplatoonse werken. Eenkennig was men overigens niet: al eerder waren Syrische, Indische en Perzische teksten vertaald.

Met name kalief Al-Ma’mun heeft de bestudering van het Griekse materiaal bevorderd. In 830 stichtte hij in Bagdad het Huis der Wijsheid, waar zo’n honderd vertalers werkten.

Men zegt dat Al-Ma’mun een droom had waarin het hem toescheen dat een statige oude man, gezeten op een lessenaar, een lezing hield en zei: “Ik ben Aristoteles.” Toen hij ontwaakte uit zijn droom vroeg hij wie Aristoteles was. Men zei tegen hem: “Dat is een wijsgeer van de Grieken.”
Hij liet Hunayn ibn Ishaq halen, omdat hij niemand kon vinden die hem evenaarde in het vertalen van de boeken van de Griekse wijsgeren in het Arabisch, en hij schonk hem zeer veel geld en cadeaus en zei hem: “Ik zag in mijn droom dat er een man zat op de zetel in mijn raadzaal waar ik zelf altijd op zit. Ik werd vervuld van respect voor hem en vroeg wie hij was. Men zei dat het Aristoteles was en ik zei dat ik hem eens wat zou vragen. Dus vroeg ik hem: ‘Wat is het goede?’ Hij zei: ‘Wat het verstand als goed beschouwt.’ Daarop zei ik: ‘En verder?’ Hij zei: ‘Wat de massa als goed beschouwt.’ Daarop zei ik: ‘En verder?’ Hij zei: ‘Verder niets.’
Deze droom was de belangrijkste aanleiding om boeken op te halen. Al-Ma’mun was in schriftelijk contact gekomen met de koning van de Byzantijnen [Theofilos], over wie hij de overhand had gekregen. Hij vroeg hem om toestemming voor de overdracht van de klassieke wetenschappen, die bewaard werden in het land van de Byzantijnen. Na een aanvankelijke weigering stemde de koning daarmee in. Al-Ma’mun stuurde voor dat doel een groep mensen, die meenamen wat ze wilden, en toen ze het gebracht hadden, gaf hij hun opdracht het te vertalen en dat deden zij. noot Overgeleverd in de collectie geleerdenbiografieën van Ibn Abi Usaybia; vert. Versteegh.

Zoals na een visioen over Aristoteles wellicht viel te verwachten, legde Hunayn ibn Ishaq, een jonge christelijke geleerde, zich bij zijn vertaalwerkzaamheden vooral toe op de medische traktaten. Maar er werden ook andere teksten vertaald, zoals de publicaties van wiskundigen, filosofen en astronomen. Sommige teksten werden meer dan eens vertaald, en het is aardig te zien dat jongere vertalingen een zelfverzekerder Arabisch tonen: waar het Griekse woord diabetes – dat  dat zoiets als “doorstroming” betekent – aanvankelijk nog werd weergegeven met het leenwoord diyabita, koos men later voor een eigen woord, da’ al-sukkar, waarvan ons “suikerziekte” de letterlijke vertaling is.

[wordt morgen vervolgd]

#Abbasiden #AlMaMun #ArabischeTalen #Aristoteles #hadith #HuisDerWijsheid #islamisering #islamitischRecht #Kalifaat #KalifaatVanBagdad #KalifaatVanDamascus #Mohammed #Plato #TheofilosKeizer #ulama #Umayyaden