Het grafbeeld van Memi

Memi (Ägyptisches Museum, Leipzig)

Laten we eerlijk zijn: als u Memi, die u hierboven ziet afgebeeld, op straat zou tegenkomen, zou u hem vermoedelijk niet herkennen. Ongetwijfeld had hij over zijn bovenlip een heel dun, zorgvuldig gecultiveerd snorretje, en vermoedelijk had hij een even zorgvuldig gevlochten sorbetkapsel, maar zulke grote ogen kan hij nooit hebben gehad. En toch, als ik naar die reuzepupillen kijk, denk ik dat ik iemand zie die ik, als ik oud-Egyptisch zou verstaan, zou kunnen begrijpen.

Dat denk ik weliswaar, maar uiteraard is dat vooral projectie. Elke cultuuruiting bestaat uit enerzijds de feitelijke uiting – geschreven of gesproken woorden, een materieel object, een gebruik… – en anderzijds allerlei impliciet veronderstelde informatie, en die laatste is voorgoed verloren. Het is niet zo dat we een signaal ontvangen en simsalabim contact hebben. We treffen iets aan dat ooit bedoeld is geweest als signaal en wij kennen daaraan een betekenis toe. Dat proces is voor de hele oude wereld lastig, maar voor Egypte is het nog moeilijker dan voor bijvoorbeeld Griekenland: de omvang van het Egyptische talige databestand is ongeveer 10% van dat van het Griekse, en hoewel ik voor de materiële cultuur geen cijfers heb, vermoed ik dat daar iets soortgelijks speelt. Onze kennis van de wereld van Memi is daardoor minder robuust dan de ook al niet bijster robuuste kennis die we hebben over de klassieke wereld.

Maar toch. Je kunt ook niet beweren dat je helemaal géén informatie krijgt als je de twee inscripties leest aan de zijkanten van het beeld, dat overigens is gevonden in Giza in een grafveld uit de tijd van de Vijfde Dynastie (zeg maar tussen 2500 en 2350 v.Chr.).

Memi, de reinigingspriester van de koning, zegt: ik heb dit beeld door een beeldhouwer laten maken en hij was tevreden met wat ik hem heb betaald.

De hoftitels uit het Oude Rijk zijn niet altijd even begrijpelijk, maar we kunnen ons een voorstelling maken van wat een reinigingspriester ongeveer zal hebben gedaan. Memi zal weleens een exorcisme hebben verricht. Maar waarom hij liet weten dat hij de beeldhouwer tot diens tevredenheid heeft betaald, is in elk geval mij een raadsel. Het enige dat ik verzinnen kan, is dat Memi met deze mededeling laat weten dat het beeld werkelijk zijn eigendom is. We hebben het over een tijdperk waarin handel en eigendom nog niet waren wat ze nu zijn.

Memi, de reinigingspriester van de koning: moge hij gaan over de mooie wegen waarover ook de eeuwigen gaan.

We denken dit te begrijpen: de auteur wenst de overledene in het hiernamaals wat bewegingsvrijheid toe. Hij moet vanuit het dodenrijk bijvoorbeeld zijn grafkamer kunnen bereiken om daar offers in ontvangst te nemen.

Memi (Ägyptisches Museum, Leipzig)

Overigens vermoed ik dat een egyptoloog een lachstuip krijgt als hij de twee voorgaande zinnen leest, want de “hij” die vanuit het dodenrijk naar de grafkamer moet komen, is niet zomaar een schim of een ziel. De wijze waarop men in het oude Egypte een mens conceptualiseerde, inclusief het deel dat overbleef na zijn aardse bestaan, is nogal complex. Egyptologen nemen aan dat die complexe visie op het mens-zijn, zoals zij die reconstrueren, al heeft bestaan in het Oude Rijk, maar welbeschouwd is dat weer eens onzeker.

Maar dat is natuurlijk ook de charme van de egyptologie: naarmate je dingen minder goed begrijpt, is de verrassing des te aangenamer als je zo nu en dan wel contact hebt. Of denkt te hebben.

[Dit was het 525e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

#exorcisme #Giza #Memi #OudeRijk #VijfdeDynastie

Tweemaal de Eerste Tussenperiode

Een grafmodel uit Henen-Nesut (Herakleopolis) (Nationaal Museum, Kopenhagen)

De geschiedenis van Egypte begint in de Naqada-tijd, met dat mooie rood-zwarte aardewerk, toen het land langzaam een eenheid werd. Ongetwijfeld heeft daarbij de scheepvaart op de Nijl een rol gespeeld. Rond 3000 v.Chr. ontstond ook het koningschap: het Palet van Narmer toont de vorst als overwinnaar, wat blijkbaar een belangrijke taak was van de vroege heersers. Die taak kaderde in een andere, nog belangrijkere koninklijke verantwoordelijkheid: het handhaven van Maät, ofwel orde en gerechtigheid. Verder representeerde de farao de mensheid tegenover de grote goden.

Hofcultuur

Zo iemand was meer dan een gewoon mens en zo iemand raakte je dus niet aan. Een hoveling die koning Khufu (Cheops) per ongeluk wél had aangeraakt, noteerde later opgelucht dat de vorst hem had toegestaan te blijven leven. Wat we hier feitelijk zien, is het ontstaan van een hofcultuur: een geritualiseerde levenswijze, waarin bepaalde handelingen waren toegestaan, andere handelingen waren verboden, en alle handelingen waren onderworpen aan regels. We zien het ook aan de hoftitels: de hovelingen hadden taken die alleen zij mochten uitvoeren. Niet dat anderen er niet competent voor waren, maar de rol was nu eenmaal aan iemand anders opgedragen. Een ritueel.

En alles draaide om de koning, god onder de mensen. Hij kreeg een waardig graf: groot, groter, trappenpiramide, piramide. Mensen uit heel Egypte kwamen werken aan de bouw. Niet alleen de constructie van dat ene koningsgraf, overigens, want de hovelingen werden in de buurt bijgezet. Ook na de dood kende elke hoveling zijn voorgeschreven plek. Leven én dood waren, om zo te zeggen, tot in de puntjes geritualiseerd.

Crisis?

De greep van het hof strekte zich uit over Beneden- en Boven-Egypte, en naar de oases. Het was feitelijk een proces van schaalvergroting: zoals de koninklijke graven steeds groter werden, zo breidde de macht van het hof zich uit. Zou dit proces zijn doorgegaan, dan zouden de Egyptenaren na de Grote Piramide van Khufu een nóg grotere piramide hebben gebouwd. Maar de piramides van zijn opvolgers waren kleiner.

Het is verleidelijk te denken dat hier iets van verval begon in te zetten. Niet dat het Oude Rijk, zoals we het noemen, van de ene op de andere dag ten onder ging. Het gebeurde geleidelijk. Dat proces vond zijn eindpunt toen Egypte tijdens de lange regering van koning Pepi II in de drieëntwintigste eeuw v.Chr. uiteenviel en er deelrijken ontstonden, die zo nu en dan slaags raakten.

Zo althans lazen de grote oudheidkundigen van de negentiende eeuw de ontwikkeling. Ze keken, zoals onvermijdelijk is, naar Egypte vanuit hun eigen perspectief, en ze beschouwden de vorming van eenheidstaten als iets positiefs – denk aan de eenwording van Duitsland en Italië. De verdeeldheid die kort voor 2200 v.Chr. was begonnen, gold in de negentiende eeuw als een tijd van verval. De naam “Eerste Tussenperiode” is later ontstaan, na de Eerste Wereldoorlog, toen het uiteenvallen van de Ottomaanse, Habsburgse en Russische rijken catastrofaal verliepen.

De Vermaningen van Ipuwer (© Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Dat het een tussentijd was tussen twee bloeiperioden, en dus een periode van culturele neergang, is echter enigszins discutabel. De piramiden mochten dan kleiner zijn, ze werden, zo lang het Oude Rijk bestond, mooier versierd.

Maar vooral: het is de vraag of de Egyptische decentralisatie zo’n ramp was. Vanuit het perspectief van de ene farao was het natuurlijk een vorm van verval dat er meer heersers waren, maar er zijn geen aanwijzingen voor grote aantallen verlaten dorpen of een spectaculair gedaalde agrarische productie. We lezen wél over sociale onrust, maar die was er in de oude wereld wel vaker. Ook is een sombere tekst als de Vermaningen van Ipuwer, die weleens opgevat is geweest als bewijs voor een crisis, niet per se een accurate beschrijving van de tweeëntwintigste-eeuwse situatie. De welvaart nam in elk geval niet bewijsbaar af. De voornaamste verandering was dat één hof plaatsmaakte voor meerdere.

Norbert Elias

Het doet me allemaal wat denken aan wat de Duits-Britse socioloog Norbert Elias (1897-1990) beweerde over de West-Europese hofcultuur. Ook daarin bestond een proces van ritualisering van de omgangsvormen. Je wendde nooit je gezicht af van de vorst, ook niet als je van hem wegliep. Voedsel raakte je niet aan met je handen. Binnenskamers droeg je geen hoofddeksel. Iedere hoveling had een eigen, welomschreven taak. Elias noemde deze ritualisering van de omgangsvormen een civilisatieproces.

Deze Europese hofcultuur verspreidde zich van de vorstelijke hoven naar mindere echelons. Eerst naar de lagere hoven, vervolgens naar het stedelijk patriciaat en uiteindelijk naar de rest van de bevolking. Ook wij eten nu met mes en vork, en mannelijke lezers zullen zich misschien herinneren dat soldaten in de mess geen hoofddeksel dragen. Het is precies zoals het in Egypte ging: er ontstond een geritualiseerde hofcultuur die zich verspreidde naar lagere hoven.

Wat ik met dit alles wil zeggen is het volgende.

  • Voor veel tijdvakken zijn de oudheidkundige data onvoldoende en je kunt ze weliswaar niet alle, maar wel allerlei kanten op redeneren.
  • Wat een onderzoeker een logische uitleg vindt, zal afhangen van de aannames die hij deelt met zijn tijdgenoten.
  • Die aannames zijn voor een negentiende-eeuwer anders dan voor een twintigste-eeuwer, en onze eigen eenentwintigste eeuw zal weer nieuwe interpretaties bieden.

#cheops #eersteTussenperiode #farao #grotePiramide #hofcultuur #khufu #maat #norbertElias #oudeRijk #pepiIi #piramide #vermaningenVanIpuwer