Ad van Dun – Je rust vestigen

Gedurende de laatste weken van het jaar 2024 her-publiceerden we beeld en tekst van auteurs. In 2025 gaan we daar mee door. Hieronder een tekst van Ad van Dun, eerder in het BD gepubliceerd op 19 november 2013.

Kom, breek de spiegel, dan kunnen we elkaar ontmoeten.[i]

Rust is een hartskwaliteit, net als vreugde, echtheid, toewijding of helderheid.
Hartskwaliteit wordt niet veroorzaakt maar heerst uit zichzelf, het is de ingeboren werking, het meest elementaire, meest natuurlijke potentieel van ons menselijk bewustzijn.
Maar niet iedereen komt toe aan de beleving van die ingeboren, existentiële rust.
Twee onrustbronnen spelen ons parten: verstoring en onbegrip. Nog niet volledig gevestigde rust kan verstoord worden door allerlei factoren, en we kunnen een verkeerd idee erop na houden over wat rust is.

In zijn diepste betekenis is rust een ander woord voor vervulling, gemoedsrust, volheid van beleving, vrede in je hart, “nirvana”. Dit is de meest grondige rust die je als mens kunt verlangen: duurzaam, uit zichzelf werkend, krachtig en ontspannen.
Op de juiste manier begrepen en concreet getoetst aan alle aspecten van oefenen, is echte rust een actieve en intensieve beleving, geen passiviteit, geen af zijn van onrust maar een alleen maar gesterkt worden door rust.[ii]

In de geconditioneerde, onrustige staat manifesteren we woekering en aandoening;
we worden er getekend door wens, woede en waan, de drie basale existentiële “vergiften” die ons maken tot een verwarde, onvrije sterveling.
In vroeger tijden werden deze drie karmische vertekeningen aangeduid met melancholie, agressie en hysterie. Uiteraard komen zulke onrustige gemoedsgesteldheden voor in allerlei gradaties, combinaties en doseringen, maar het optreden ervan verwijst altijd naar opgelopen spanning, naar onafheid.

Geen cel in ons lijf trilt rustig, zolang bewustwording onvoldoende ruimte en gezag krijgt. We komen blind en moeizaam ter wereld; als we niet toekomen aan oefenen en wakker worden, zullen we er weer net zo blind en moeizaam vandaan gaan. Boeddha zei het al: leven is lijden, zolang mijn woekerende behoeftigheid niet wordt opgelost.
Maar dat laatste is nog niet zo eenvoudig want we bevinden ons in een lastig parket: we worden omgeven door een hoop drukte van zintuiglijkheid en decennia lang al zijn we opgezadeld met de bedrieglijke werking van een onaffe en ingevulde geest. Deze stoorfactoren zorgen voor onrust, binnen en buiten ons.

Nu zul je dit niet altijd zo direct ervaren.
Er is een grote kans dat jouw onrustbeleving getemperd wordt door verworven condities, persoonlijk of maatschappelijk van aard, die rustgevend werken en die een tegenwicht vormen tegen de diepere onrustbarende wetmatigheden van het bestaan.
We hebben ons gewapend, hanteren gericht maatregelen, weten gepaste houdingen in te nemen, koesteren specifieke waarden – maar vooral: we hebben geleerd om soepele grenzen te trekken: voldoende ruim om te ademen en te opereren, maar ook voldoende strak om angst en onzekerheid buiten de deur te houden.
Dus geven we niet thuis als het leven ons nogal hartelijk, onverwachts of pertinent uitnodigt om onszelf helemaal te vertrouwen en ons onbekommerd kenbaar te maken, d.w.z. onvoorwaardelijk en zonder grenzen te leunen in de bron van leven die we zijn.

Zazen (meditatie) is je overgeven aan het leven, leunend in de branding van de schepping. Daarom is zitten:

1. zonder bewegen, roerloos

2. zonder geluid, geruisloos

3. vóór de woorden

4. vóór het denken

5. voeling hebben

6. waarheid vertrouwen

7. leven gezag geven

8. adem laten ademen

9. bedoeling toelaten

10. eenheid belichamen

De gereduceerde, starre en zelf gecreëerde versie van bestaanszekerheid op basis van ik-houvast is het gevolg van ons verkeerd idee over wat rust is.
We zien het verschil niet tussen tijdelijke, geconditioneerde rust (procesrust) en onvoorwaardelijk gevestigde rust (gemoedsrust, levenshouding).
De rust die een voortdurende inspanning vraagt om stand te kunnen houden is geen ware rust.
De zekerheid die steeds opnieuw bevestigd en beargumenteerd wil worden is geen betrouwbare zekerheid.
Kleine ik pulseert in een continue staat van onzekerheid – de scheve relatie met ons lijf (opgeblazen of verwaarloosd) getuigt ervan – en die onzekerheid is de grondoorzaak van onrust.
Ons tastend en grijpend bestaan lijkt zekerheid te creëren maar op de bodem van ons bestaan heerst ongewisheid. Daarom hebben we zo goed geleerd ons leven in te vullen.

Ongewisheid doet je je heil zoeken in verlokkelijke vermogens van maakbaarheid. Alle middelen die je in huis hebt ga je gebruiken om het leven in de meest wenselijke vorm te gieten. Maar zodra je hieraan toegeeft verlies je je relatie met het leven zelf uit het oog;  je mens-zijn, de totaliteit van de grote werkelijkheid en de kleurrijke beleving ervan die jij belichaamt: alle adel wordt verruild voor hachjebewaking en zelfpromotie.
Korte-termijn welbevinden en opportunisme hebben jou voor zich weten te winnen en de waarheidsliefde die jou voorgoed kan bevrijden heeft het nakijken.

Omdat de verblinde, uit onrust geboren opstelling noodgedwongen gebruik maakt van beeldvorming en illusie (interpretatie, voorkeur, sturing) is er altijd een factor bedrog in het spel – alleen al omdat waarheid genegeerd wordt en niet bewust wordt meegewogen.
Dit blijkt onder andere uit alle strategie en manipulatie die je hanteert, bijvoorbeeld in je omgang met familie en collega’s. Maar veel wezenlijker nog blijkt dit uit de manier waarop je met jezelf omgaat. Je blijkt ertoe te neigen jezelf goed te praten, je verzamelt argumenten, vergelijkt, projecteert – dagelijks gaat de meeste energie naar het managen en optimaliseren van alle aannames temidden van de reële onbestendigheid.
Deze subtiele vorm van zelfbedrog is een onophoudelijke en diepe bron van onrust.

Het hierboven geschetste mechanisme laat zich praktisch het beste typeren met de droge term “egoïsme”. Wijzen van alle tijden en tradities starten in hun onderricht bij de beperking en pijn van ego-waan. Zij wijden hun leven aan het loslaten ervan en aan het openen en bevrijden van een dieper en substantiëler vermogen: hartskwaliteit.
Zelfs al gaat hun oefenweg, net als de onze, vaak met de nodige moeite gepaard, de oprechte, betrouwbare intentie ervan schenkt hun uiteindelijk de diepste kracht.

Wie wijsheid vooropstelt, begint met eerlijk worden en stopt met indruk willen maken.

Je bewijzen tegenover jezelf en anderen is geen rustgevende activiteit, is slechts oponthoud, een onzinnige zijweg. Vervuld leven heeft geen bevestiging nodig, net zoals een werkelijk geïnspireerde kunstenaar geen notie van omgeving of doelstelling erop na houdt.
Als volheid van beleving eenmaal is blootgelegd, stelt dit je zó krachtig gerust dat bevestiging irrelvant en verder zoeken oninteressant gaat voelen.
Je beseft en weet uit ervaring: echte kwaliteit van leven werkt alleen maar hier en nu, en volledig uit zichzelf. Dit is een intiem inzicht en tegelijkertijd een grote wetmatigheid; het gezag ervan, eenmaal gevestigd, geeft je instant vertrouwen en rust.

Twijfel je soms nog? Kijk dan eens nuchter hoe het kleine scenario je voor de gek houdt.
Met al zijn denken en verbeelden en suggereren doet het ego niks anders dan indruk maken, vooral op zichzelf, als strelende bevestiging van goed bezig zijn.
Maar zodra iemand anders net zo opzichtig bevestiging zou komen zoeken en indruk komt maken bij ons, wijzen we hem of haar zonder veel omhaal af. Met zoveel zichtbare ijdelheid of gekunsteldheid willen we liever niet geconfronteerd worden, het herinnert ons te openlijk aan ons eigen onwaardige bekokstoof.

De verborgen onruststoker, de bron van ons egoïsme, die dit hele spel, dit continu fluctueren tussen macht en onmacht, rust en onrust, ergens in onszelf organiseert en voedt en gaande houdt, wordt in het boeddhisme Mara genoemd: de god van bedrog, van schijn, van dood. Hij is de verpersoonlijking van ons kleine ik, van dát aspect van ons bewustzijn dat een eigen leven is gaan leiden. Losgeweekt van de universele, wetmatige context is het ik zich onaf en geïsoleerd gaan voelen, en sindsdien maakt het zich met een potsierlijke ijdelheid wijs dat het wezenlijk maakbaar en leefbaar is.

Maar de actuele realiteit die ik maar al te vaak vaststel luidt: er is altijd nog onrust in me.
Na al die jaren die ik geïnvesteerd heb in oprecht onderzoek en vrij gekozen, maakbare groei schenkt Mara geen rust hier. En intussen heeft mijn innerlijkheid, mijn niet-maakbare boeddhanatuur onvoldoende realiteit gekregen en is nog steeds niet gevestigd.
Dit is de gespletenheid van ons existentieel dualisme: grote ik (Boeddha) én kleine ik (Mara), vertrouwen én argwaan, rust én onrust.
Hier begint mijn feitelijke bewustwording: ik ben de belevingsruimte waarin zowel boeddhanatuur (potentieel) als maracultuur (conditionering) aanwezig zijn, dharma én karma werken hier tegelijkertijd. Maar er is toch maar één werkelijkheid?
Hoe zit dat?

Twee zelven is op den duur onleefbaar.
De oplossing van ons innerlijk conflict is te vinden in bewust afwegen, op hartsniveau navoelen wat beide polen werkelijk behelzen en te bieden hebben.
Je zult ze gaan verhelderen en onderscheiden, je gaat beide een eigen plek geven en wel zó, dat dharma de stevige, onwrikbare kern vormt en karma een steeds lichter en ruimtelijk werkende periferie. Dit is ook de manier waarop Mara door Boeddha op zijn nummer werd gezet toen hij – kleine ik dus – probeerde het gezag van Boeddha’s geest te ondermijnen. Mara’s dreigende demonen en verleidelijke dochters, de symbolen van onze karmische agressie en begeerte, legden het af tegen Boeddha’s niet stuk te krijgen hartsjuweel, d.w.z. tegen de kracht van zijn heldere, stevig gevestigde innerlijkheid.

Het loont om je wat te verdiepen in Mara’s aard en invloedssfeer, zoals het ook loont om Boeddha goed te kennen.[i] Mara heerst over het rijk van behoeftigheid (kamaloka). Hij zaait onrust en verwarring, hebzucht en haat, wekt angst, stimuleert houvast en begrenzing.
Hoe kleiner jij wordt, hoe groter hij zich zal voelen.

De weg van ontwaken verloopt van je verward voelen door omslachtig maar ongrijpbaar maragedoe (egoïsme), via het herwinnen van je oorspronkelijke helderheid (de fase van “Boemara”: je weet dat je een boeddha bent maar je strijdt nog met conditioneringen), naar een definitief bevrijd inzetten van je innerlijk potentieel (bodhisattvaschap).
Uiteindelijk zal ons oefenen rust vinden, er zijn immers geen onrustige boeddha’s, geen gedeprimeerde boeddha’s, geen blinde boeddha’s. Een boeddha leeft vreugdevol en krachtig, vorstelijk gezeten op een verfijnd geurende lotusbloem, het symbool van onze open, bloeiende innerlijkheid, een wijs en mededogend hart.

Denk niet: dit is een sprookje, of: leuk en aardig, maar niet voor mij bedoeld.
Hoezo zou je dat denken? Wat maakt jou verschillend van alle leraren en boeddha’s die de oefenweg hebben bewandeld? Ook zij zijn allemaal gestart temidden van zwakte en onrust (denk aan losbol Shakyamuni’s jeugdjaren in materiële overvloed maar in geestelijke nood). Ook zij hebben moeten zoeken en strijden, hebben vertrouwen moeten vinden temidden van twijfel, dapper steun gezocht op momenten van angst en tegenslag – net als jij.

Besef je hoe je jezelf voor de gek kunt houden?
Zonder dat je het beseft kun je je leven zomaar verloren laten gaan.
Vóór je het weet sta je aan het eind van dit korte bestaan en vraag je je verbijsterd – maar te laat – af wat er in godsnaam aan de hand is. De bedoeling van wat er op dat moment gaande is ontgaat je volkomen, net zoals dat zelfs nu, terwijl je toch in je kracht staat, in grote lijnen het geval is.

Wie gelooft in karma (Mara dus) propageert een leven van probleemloos plezier, vol onnadenkendheid, steeds kinderlijk de korste weg kiezend naar gemak.
Maar de dharma (je geweten, werkelijkheidsbesef) tapt uit een heel ander vaatje; het leert ons juist dat lijden en moeite niet vermeden maar overwonnen moeten worden, via mededogend toelaten en wijs hanteren.

Hartsbewustzijn, je centrale bestaansplek en krachtbron, is niet te misleiden met goedkope praatjes en maniertjes. Hoezeer je je ook bombardeert met ondermijning of camoufleert met ophemeling, de rustige puurheid van je hart wordt er niet geraakt: bodhicitta (waarheidsliefde, je vervullingswens) is niet stuk te krijgen. De intrinsieke goedheid ervan blijft je altijd wekken, want niemand kiest vrijwillig voor wrok, voor vastzitten, voor pijn, honger, ongeluk. In ons hart werkt de drang naar geluk en dat motief vindt zijn rust en voltooiing bij daadwerkelijke levenskwaliteit.

VERLOOPverwardheldervrijLASTIGVALLENblind:
iedereenbewust:
leraarontwaakt:
niemandBELEVINGik-waan
(geïsoleerd)tweepoligheid
(fluctuerend)eenheid
(verbonden)GEDAANTEego
(Mara)beoefenaarbodhisattva
(Boeddha)PELGRIMAGEsterveling
(krijger)kluizenaar
(kunstenaar)wijze
(koning)FASENkarma
bestrijdenploppunt
(ommekeer)dharma
bevorderenASPECTENlichaamademgeestOEFENINGshila
(discipline)samadhi
(beleving)prajna
(transcendentie)KARAKTEReindig
(“De weg leidt naar het einde van de weg.”)transformatief
(“Vorm is leegte, leegte is vorm.”)eindeloos
(“Eenheidswegen eindeloos, ik zweer hen te begaan.”)

Het perspectief van de weg…

Zie dus het gezagsverschil: grote ik verdient alle gezag in me.
Kleine ik mag nóg zo bedrieglijke snippers strooien of verlokkelijke deuntjes fluisteren, ik zie helder hoe dit slechts suggestief, onbetrouwbaar maaksel is dat elk moment opnieuw wisselt van toon en kleur en inhoud.
De noodzaak van spirituele hygiëne is me volkomen duidelijk: oefenen is simpelweg een basale levensnoodzaak op deze behoeftige plek, een natuurlijke voorziening voor de ontvankelijke bewustwordingswezens die wij mensen zijn.

Meditatie

geen proces maar beleving

geen greep maar overgave

geen beweging maar ruimte

Bron Stiltij-weblog.

[1] Cleary, Thomas & Cleary J.C. (vert.): The Blue Cliff Record (Hekigan Roku). Boston 1992, p. 184

[1] Zoals ook de ontspanning die door wegvallen van spanning een geconditioneerde vorm van ontspanning is, tegenover de onvoorwaardelijke ontspanningskwaliteit die zich openbaart dankzij het toelaten van kracht.

[1] Het valt de meesten van ons moeilijk om meditatie als een natuurlijke beleving te zien en te hanteren.
Maar als jouw nood, de zoektocht van je hart, oprecht is en jij de valkuilen ziet van compensatie, zelfbedrog, afleiding etc., dan zul je dankzij oefenen helemaal kunnen thuiskomen in jezelf, in het leven. Je leert je lichaam opnieuw kennen (openbarend hoe interessant levend vlees kan zijn), je durft je te laten zakken in de ademoceaan (je laten ademen door het leven, ademwater worden) en je ontdekt de transcendente bodem van alle bestaan: hartsbewustzijn dat als een bron zorgt voor alle kwaliteit (je wordt verhelderd en gerustgesteld, gedragen in dharmawerking [het Sanskriet woord “dharma” betekent letterlijk: het dragende; ook etymologisch verwant]).

[1] Mara’s werking wordt o.a. uiteengezet in de volgende Mahayana-soetra’s: Prajnaparamita (vertaald door Edward Conze: Perfect wisdom; the short Prajnaparamita Texts. London 1973 & The perfection of wisdom in eight thousand lines. Dehli 1994 & The large sutra on perfect wisdom. Berkeley 1975), Vimalakirti en Suramgamasamadhi (vertaald door Etienne Lamotte: Suramgamasamadhisutra. Delhi 2003 & The teaching of Vimalakirti. Oxford 1976). Maar ook in de Theravada-soetra’s (Pali-teksten) is er de nodige aandacht voor de capriolen van Mara. Er is zelfs een “boek van Mara” (Breet, Jan de & Janssen, Rob: Samyutta Nikaya – De verzameling van thematisch geordende leerredes 1. Rotterdam 2009, p. 179).

[1] Laat het leven je rust geven. Zet tijdens zazen je wekkertje op een vaste, door jou gekozen tijdsduur en sta pas op als de tijd verstreken is. Zo geef je gezag aan de neutrale werking van wijsheid; kleine ik kan hierdoor leren zich te beheersen, geduld te oefenen, rust te vinden. Waardeer je vermogen om los te laten en wees kritisch op je neiging tot optreden en invullen. Jouw oefentijd is een heilige periode waarin je geen enkele functie hebt, waarin er niets is dat stoort of nodig is en waar alle ruimte heerst voor louter beleven. Details: zie de Stiltij-wisgids (pdf).

 

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#AdVanDun #bewegen #gepasteHoudingen #hartskwaliteit #mara #mechanisme #rust #zazen #zitten

Ad van Dun – De wijsheidsfactor

Betrouwbare maatregelen komen voort uit kloppende conclusies, niet uit half optionele of facet-georiënteerde overwegingen. Bovendien, hoe omvangrijker en structureler de klus is, des te grondiger en integraler de aanpak die vereist is.

Er spelen principiële kwesties op dit moment – klimaat, vluchtelingen, democratie – waar de bestaande structuren onvoldoende antwoord op hebben.
Die structuren zijn, vanwege hun eenzijdig functionele herkomst, het resultaat van niet-kloppende conclusies en van gefragmenteerde methodes.

Een gemeenschap die beseft hoe kostbaar ons leven is, gaat verantwoord om met alle natuurlijke bronnen, behandelt de bewoners van andere streken of culturen op een menswaardige manier en richt de politieke besluitvorming op zo’n manier in dat eenieder zich gezien en verzorgd weet.

Kortom, een leefbare wereld is het tegendeel van persoonlijke belangen en onderlinge concurrentie. Dergelijke principes zijn gebaseerd op achterhaalde, incomplete denkbeelden die niet ons totale menszijn omvatten maar slechts specifieke aspecten ervan, zoals een fysiek overleven (Darwin) of de complexiteit van onze psyche (Freud).
De huidige dominantie van technologie en cognitie wordt voor een groot deel gelegitimeerd door de specifieke onderzoeksresultaten uit deze terreinen.

Maar wat wij op dit moment dringend nodig hebben als integraal instrument is iets veel eenvoudigers en tegelijkertijd iets veel universelers en grondigers, namelijk menselijke wijsheid. De waarde daarvan en ons vermogen daartoe is gedocumenteerd in geschriften uit alle tijden. In alle culturen en in alle tijden zijn er wijze mensen te vinden die de achterliggende wetten en principes van ons bestaan kennen.

Zij spreken over goed en kwaad, leven en dood, ik en de ander, over universele wetten en individuele verantwoordelijkheden. Maar deze waardevolle inbreng wordt tot op heden veel te weinig gehoord en slechts mondjesmaat benut.
Net als in het verleden gaat ook heden ten dage de meeste aandacht vooral naar ad hoc kwesties, korte termijn voordeel, grofmazige toepassingen en zichtbare successen.
Het intensief gebruik van kennis heeft ons het zicht op wijsheid ontnomen.

Sinds Aristoteles een empirische, op het kenbare gebaseerde filosofie propageerde, hanteren wij in ons zoeken naar zingeving met name zintuiglijk waarneembare criteria.1
Maar nut (waarneembaarheid, kennis) en zin (waarheidsvinding, wijsheid) zijn van een wezenlijk verschillende orde. Omdat zij verward worden en niet op hun eigen manier begrepen en benut worden, bepalen onmacht en opportunisme intussen de podia en vervullen media en commercie een disproportionele functie voor veel mensen.

Dit illustreert onze gebrekkige oriëntatie, ons individuele en collectieve wijsheidstekort: in een evenwichtige en complete samenleving, gedragen door bewuste individuen, zal commercie nooit de bepalende factor zijn maar enkel een ondersteunende vorm van dienstverlening ten behoeve van de fysieke en sociale gezondheid.
En diezelfde correlatie is ook te vinden op het individuele vlak: mijn werk mag nooit de centrale identiteitsfactor worden omdat ik daarmee mijn totaalbestaan en mijn diepste menselijkheid zou loochenen.

In het huidige concurrentiemodel – een afspiegeling van ons materialistisch mensbeeld – vechten alle entiteiten, sectoren of groeperingen om voorrang (survival of the fittest).
De overheid die in potentie een bastion van wijsheid zou kunnen zijn, op kleinere schaal te vergelijken met een raad van ouderen, wordt nu gereduceerd tot een van de vele marktpartijen of zelfs tot een afgeleide daarvan. Het parlement dat in een democratie het geheel moet borgen en overzien, staat nu vaak aan de zijlijn, mede omdat zij zelf een deel van haar macht uit handen heeft gegeven (particularisatie).

Je zou dit kunnen typeren als tijdelijke stagnatie of scheefgroei, maar de reëlere term is verwaarlozing. We hebben met zijn allen te weinig oog voor wat echt belangrijk is, zowel voor onszelf als individu als voor onze gemeenschappelijke aspecten.
Deze onnodig kleingeestige levenshouding wordt dagelijks op een pijnlijke manier gemanifesteerd in de lijdende wereld zoals we die om ons heen zien. De collectieve wereld is een rechtstreekse optelsom van alle individuele kwaliteiten.

Blijkbaar staan we onvoldoende stil bij het innerlijk potentieel in onszelf en bij de wetmatige context, de bedoelde zin van het leven zoals dit ons geschonken is. We maken te weining gebruik van ons vermogen een gewetensvolle, bewuste keuze te maken, een heldere en duurzame visie te ontwikkelen, een betrouwbare opstelling in te nemen, enzovoorts.
Wat ontbreekt is een reële, in het individu verankerde wijsheid, en dit betekent per saldo: er is nood aan zelfkennis.

Concreet: welke kranten of omroepen besteden serieuze aandacht aan wijsheid of spiritualiteit als een actuele en relevante factor?
Hoeveel structurele ruimte wordt er geboden binnen de bestaande instituties, met name in het lager en middelbaar onderwijs, voor zingeving, spiritualiteit, waarheidsvinding?
En hoe kan het dat oppervlakkige, ja zelfs primitieve mechanismen – denk aan ridicule beloningsstructuren in bedrijfsleven, denk aan bekrompen benadering van minderheden – eerder worden goedgepraat dan dat zij met urgentie worden bestreden?

Laten we stoppen met spelletjes spelen, stoppen met domweg de ogen sluiten of onszelf blijven wijsmaken dat we intussen tóch wel altijd goed bezig zijn geweest, dat het allemaal écht niet zo’n vaart loopt of dat alles tóch wel vanzelf terechtkomt.

Als beheerder van zijn of haar eigen, onvervreemdbare en hoogst kostbare identiteit, is ieder van ons elk moment de medebouwer van deze wereld.
Wanneer ik dan zie hoe fragiel mijn bestaan nog is en in welke explosieve staat de wereld verkeert, hoe kan ik dan mijn ontoereikendheid of onverschilligheid goedpraten?

Bezinning is gewenst, nuchtere hartskwaliteit.
De kracht van wijsheid.

1 – De metafysica van zijn leraren Plato en m.n. Socrates (de wijsheid van menszijn; hartbewustzijn) werd tot ethica en fysica (de twee aspecten van ons persoonlijk en werelds bestaan: binnen- en buitenwereld, psyche en zintuiglijkheid – namarupa).

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#AdVanDun #bezinning #goedEnKwaad #klimaat #levenEnDood #menselijkeWijsheid #vluchtelingenDemocratie #wijsheid
#AdVanDun #bezinning #goedEnKwaad #klimaat #levenEnDood #menselijkeWijsheid #vluchtelingenDemocratie #wijsheid

Ad van Dun - De wijsheidsfactor - Boeddhistisch Dagblad

Er spelen principiële kwesties op dit moment - klimaat, vluchtelingen, democratie - waar de bestaande structuren onvoldoende antwoord op hebben.

Boeddhistisch Dagblad

Ad van Dun – Alles bestaat uit geest

In dit artikel uit de Lion’s Roar van maart 2019 verklaart zenleraar Norman Fischer, een ‘kleinzoon’ van Shunryu Suzuki roshi, hoe alles wat wij zijn en wat wij ervaren, geest is. Die geest is oorspronkelijke verlichting zelf, onze ware aard.

Vertaling: Ad van Dun

Misschien bestaat er in het boeddhisme niets kostbaarders, diepers en grondiger dan het onderricht over onze geest. Zolang wij niet enigszins vertrouwd zijn met het begrip geest, zoals dit met zijn talloze facetten in het onderricht wordt beschreven, is het moeilijk om een juiste waardering te voelen voor de totale context van de boeddhistische meditatiepraktijk en van de verlichting die ons als hoogste doel daarvan in het vooruitzicht wordt gesteld.

“The Awakening of Faith in the Mahayana”, een belangrijke tekst uit het Oosters boeddhisme,opent met de mededeling dat de geest – niet alleen de geest als abstractie, maar de feitelijke geest van alle levende wezens – ‘alle bestaansvormen omvat, zowel die uit de wereld van verschijnselen, als die uit de transcendente wereld.’

Met andere woorden, de geest is niet alleen iets mentaals. Het is niet, zoals wij in het Westen denken, iets exclusief intellectueels of psychologisch. De geest omvat de hele materiële wereld. Het omvat ook de “transcendente wereld” – en dat voelt vreemd. Want denken we niet normaal gesproken dat het boeddhisme zich, verstandigerwijs, niet bezighoudt met het transcendente, een begrip dat veel weg heeft van God?
We krijgen te horen dat het boeddhisme praktisch en ongecompliceerd is: een menselijk onderricht voor menselijke wezens. Het gaat over kalmeren en begrijpen van de geest, zodat we een einde kunnen maken aan lijden.

Dit is allemaal waar, en het is ook het belangrijkste thema van het vroege boeddhisme. Maar toen de latere leraren van het Mahayana boeddhisme zich bezonnen op wat de geest is, hebben zij ver reikende en verrassende consequenties weten te trekken uit deze vroege leringen.

Zij begonnen door twee aspecten van de geest te onderscheiden – een absoluut aspect en een fenomenaal, relatief aspect. Deze twee aspecten zijn volgens hen zowel identiek als niet-identiek. De geest (niet alleen als abstract begrip, maar ook als mijn geest, jouw geest, de geest van alle levende wezens) is dus tegelijkertijd zowel transcendent als niet-transcendent.

De geest staat gelijk aan werkelijkheid, aan onbestendigheid, aan eeuwigheid.

Dit betekent dat transcendentie niet een plaats of toestand is waarin men zich speciaal voelt of zich ergens anders bevindt: het werkt hier en nu. Geest en materie, ruimte en tijd, organisch of anorganisch, verbeeld of reëel – alles is geest. De geest kan zowel absoluut als relatief zijn, want het ontbreekt hem aan duidelijk omlijnde kenmerken waarmee we onderdelen ervan kunnen onderscheiden. De geest is fluïde: geen bestaand iets, maar tegelijkertijd wél werkzaam. Strikt genomen is hij dus niet onbestendig. Hij is eeuwig.

Goed beschouwd staat de geest gelijk aan werkelijkheid, aan onbestendigheid, aan eeuwigheid. En dit alles maakt deel uit van de werking van mijn eigen geest en van die van alle levende wezens. Dit kleine menselijke leven van mij dus, met al zijn triviale drama’s, en ook deze schijnbaar beperkte en pijnlijke wereld, is in werkelijkheid de weergave van iets onnoemelijk groters en gezaghebbender. Zoals Vasubandhu, de Indische Yogacara-meester, schrijft in zijn beroemde Dertig Verzen: de werkelijkheid bestaat eenvoudigweg uit de transformaties van bewustzijn.

Dit is duizelingwekkend, verbijsterend en pittig. Wat heeft dit te maken met het onomstotelijke feit dat ik voor mijn gevoel wel degelijk te maken heb met lijden?
Mijn geest mag dan wel leeg zijn en eeuwig, transcendent of grenzeloos, maar mijn leven voelt nog steeds onvervuld. Wat moet ik hiermee?

We zouden de vraag als volgt kunnen formuleren: als mijn geest bestaat uit geest, en als die geest realiteit is, hoe verhoudt zich dan mijn niet-verlichte geest die mijn lijden veroorzaakt, tot de verlichte geest die een einde maakt aan mijn lijden?

In psychologisch en logisch opzicht zijn verlichting en niet-verlichting twee tegengestelden. Ik ben ofwel verlicht en ken geen lijden, of ik ben niet verlicht en ik lijd; en ik ervaar wel degelijk een enorm verschil tussen die twee staten. Maar het onderricht over de geest beweert juist dat verlichting en niet-verlichting in feite niet verschillend zijn.
Fundamenteel beschouwd zijn zij zodanigheid (en het woord “fundamenteel” – wat “in de grond” of “in de kern” betekent – is belangrijk hier). “Zodanigheid” is een woord dat in de Mahayanatraditie is gecreëerd om het vermogen van onze geest aan te duiden waarmee hij zich volmaakt als vormenspel kan manifesteren. Wanneer we verschijnselen als zodanigheid beleven, dan ervaren we niet wat wij lijden noemen – zelfs al lijden we!

Wat wij lijden noemen en wat wij ervaren als lijden, is in feite geen lijden. Het is verwarring, illusie, verkeerde visie, vergelijkbaar met het zien van een slang die bij nader inzien slechts een kromme stok blijkt te zijn. Zodanigheid is het enige wat we ooit echt ervaren. Maar in onze verwarring beschouwen we het als iets pijnlijks en gevaarlijks, en daarom onderzoeken we het niet nader. We zien onszelf als het slachtoffer ervan en het voelt alsof we erdoor gemangeld worden, ook al is er in werkelijkheid niets dat mangelt, is er niets dat gemangeld kan worden en is er op de eerste plaats helemaal geen reden om je gemangeld te voelen. De werkelijkheid is niet zoals wij ons die voorstellen, namelijk moeilijk en pijnlijk. Hij is altijd enkel en alleen wat hij is: zodanigheid.

Maar al vlug projecteren we zodanigheid tot iets wat we kunnen grijpen of waar we gebruik van kunnen maken, tot iets anders dan wat we zijn en wat we voortdurend zien plaatsvinden voor onze ogen; en daarom herinnert het onderricht ons eraan dat zodanigheid geen ding is. Het is simpelweg een woord; je zou kunnen zeggen: het is de grens van het verwoordbare. Het is een woord dat ons wordt aangereikt om een einde te maken aan woorden en concepten die met hun betoverende effecten de eigenlijke bron zijn van onze initiële, begoochelde visie. Maar waar alle dingen gelijkelijk en wezenlijk zodanigheid zijn, valt er letterlijk niets te zeggen. Zelfs het woord “zodanigheid” niet.

Al lijkt mijn lijden nóg zo werkelijk voor mij, het is een waanidee. Maar het is een machtig waanidee! Het verfijnde weefsel ervan is ingebouwd in de geest, en dus ook in mijn persoonlijk bewustzijn. De vorm en locatie van deze begoocheling (deze termen zijn metaforisch bedoeld, want de geest heeft geen vorm of locatie) zijn hetzelfde als die van de verlichting waarmee hij samenvalt, en aangezien het beide ontbreekt aan een tastbare realiteit, kom ik mijn begoocheling niet zomaar kwijt. Hoe kom je af van iets dat niet bestaat? Er vanaf willen komen, maakt de dingen alleen maar erger. Bovendien is het kwijtraken van mijn begoocheling ook het kwijtraken van mijn verlichting, mijn enige hoop!

Er is een beroemde metafoor in het Mahayana-onderricht waarin de relatie tussen begoocheling en verlichting vergeleken wordt met die tussen golf en oceaan. De golf staat voor illusie, vol beweging en drama. Hij zwelt en bereikt zijn top, breekt, verspreidt zich, en bundelt zich weer voor een volgende aanloop. Zie ik de golf, dan ervaar ik die als werkelijk.

We verlangen naar een bestemming, een staat die ons vrede schenkt. Maar we weten niet hoe we die moeten bereiken.

Maar de golf bestaat niet als iets specifieks. Er bestaat geen entiteit “golf”. Er bestaat enkel water, in beweging of in ruste. De wind bespeelt het water en maakt er een zogenaamde golf van. Sopt de wind, dan stopt de beweging en blijft het water vredig. Of er nu golven zijn of niet, het water blijft altijd water, zout en nat. Is er geen wind, dan is het water rustig en diep. Maar zelfs als er aan het oppervlak een sterke windactiviteit is, dan blijft het water in de diepte rustig.

Zo ook werkt de geest. Hij is diep, puur en stil. Maar als de winden van begoocheling waaien, komt het oppervlak in beweging en ontstaat er lijden, zoals wij dat noemen.
Maar de golven van mijn lijden zijn niets meer of minder dan werking van de geest. En zelfs als ik tier van woede, blijft de innerlijke diepte onaangeroerd. Het leven is de wind. Het leven is het water. Zolang het leven zich manifesteert als verschijnsel, zal begoocheling zich roeren. Begoocheling is in feite de beweging, het geroerd worden, van ontwaken. Mijn oceanische geest is intrinsiek zuiver en vredig, steevast. Wanneer ik dit weet, kan ik de golven waardig bevaren.

De tekst waar ik hierboven al naar verwees, The Awakening of Faith, biedt zelfs een nóg betere vergelijking. Een man is verdwaald. Hij weet niet meer welke weg leidt naar het noorden en welke naar het zuiden. Hij probeert een bepaalde plaats te bereiken, maar in zijn verwarring kan hij er niet komen. Hij voelt zich gedesoriënteerd en innerlijk onzeker. Hij heeft dat deprimerend gevoel van verdwaald zijn, van je niet bevinden waar je zou willen en moeten zijn. Maar dan beseft hij opeens dat er in werkelijkheid geen noord of zuid bestaat – hij beseft dat dit enkel namen zijn die mensen geven aan deze of gene richting, en dat hij, wáár hij zich ook bevindt, zich altijd hier bevindt, waar hij altijd is geweest en altijd zal zijn. Op datzelfde moment heeft die man niet langer het gevoel verdwaald te zijn.

Zo zijn ook wij verdwaald wanneer we ons bestaan niet in zodanigheid vestigen. Omdat het samenhangend karakter van onze geest, de heelheid ervan, ons ontgaat zien we verwarring en gebrekkigheid, en dat geeft natuurlijk aanleiding tot verlangen. We verlangen naar een bestemming, een staat die ons rust schenkt. Maar we weten niet hoe we daar moeten komen. We voelen ons verdwaald, zonder basis, wanhopig op zoek naar richtingwijzers.

“Begoocheling” is de plek waarvandaan we vluchten. “Verlichting” is de bestemming die we zoeken. Maar het is een valse bestemming. Het pad en alle onderrichtingen zijn als noord en zuid, namen voor verschillende richtingen die een tijdelijke waarde hebben maar die ons uiteindelijk verwarren, wanneer we ze een werkelijkheid toedichten die ze helemaal niet bezitten.

Mensen hebben nu eenmaal kaarten en richtingen nodig als zij zich verdwaald voelen; daarom wordt verlichting ons aangereikt als een bestemming die op enige afstand ligt van begoocheling. De onderrichtingen zijn bruikbare, maar tijdelijke hulpmiddelen die ons voor ons gevoel in de juiste richting wijzen. Maar hebben we dit spoor eenmaal lang genoeg gevolgd en worden we wat rustiger, dan zien we de waarheid: er bestaat geen bestemming en geen manier om er te komen. De hele tijd bevinden we ons er al. In het Mahayana boeddhisme wordt dit oorspronkelijke verlichting genoemd, of tathagatagarbha, de Schoot van Zodanigheid.

Dit wordt ook verduidelijkt in een beroemde fabel uit de Lotus soetra, een belangrijke tekst van het Chinese boeddhisme. Een groep mensen is verdwaald. Zij huren een karavaanleider die hen voert naar wat een illusoire stad blijkt te zijn, waar zij op adem kunnen komen. Als zij enigszins zijn bijgekomen, vertelt de karavaanleider hun dat dit niet hun huidige bestemming is en dat dit feitelijk nooit hun bestemming is geweest. De bestemming ligt eindeloos ver verwijderd. Dat wil zeggen, er bestaat geen bestemming; zij hebben zich altijd bevonden op de plek waarheen zij wilden gaan. Maar als de karavaanleider hun dit aan het begin had verteld, zouden ze hem niet geloofd hebben.

Laten we dit nu eens praktisch vertalen. Wat leren de dingen die we nu besproken hebben ons eigenlijk over verlichting? Het lijkt erop dat deze onderrichtingen ons adviseren om alle oefenen op te geven en op een of andere manier, via een of andere magische mentale truc, te springen uit dat wat we als lijden ervaren. Maar kunnen we onszelf soms in verwerkelijking wensen of denken?

Nee. De volledige oefenpraktijk (inclusief meditatie, maar ook studie, dharma-relaties, rituelen en veel meer nog) is noodzakelijk. Maar niet zoals we ons dit hebben voorgesteld, niet als een manier om dingen te veranderen. Ons oefenen is in werkelijkheid bedoeld om ons leven beter te gaan begrijpen. Zoals The Awakening of Faith het zo mooi verwoordt: “Het realiseren van verlichting is niets anders dan het integreren van onze identiteit met de oorspronkelijke verlichting.”

Oefenen is dus zowel een plotse (we ervaren flitsen van inzicht) als een geleidelijke (het ontwikkelt zich gedurende een mensenleven) identiteitsverschuiving. We zien onszelf niet langer als het kind van onze ouders, een arme eenzame ziel in een moeilijke wereld, met allerlei geconditioneerde onvolmaaktheden, tekortkomingen, verlangens en verwachtingen die merendeels onvervuld blijven. In plaats daarvan krijgen we vertrouwen in onze oorspronkelijke verlichte aard, die nu en altijd het centrum vormt van ons bestaan, ondanks onze beperkingen en pijn. The Awakening of Faith: “De staat van verlichting is niet iets dat verworven kan worden door oefening of dat geschapen kan worden. In laatste instantie kan verlichting niet gerealiseerd worden, omdat die kwaliteit van meet af aan al voorhanden is.”

Dit onderricht over de geest herinnert me aan een gesprek dat ik had met mijn moeder tegen het einde van haar leven. Zij was stervende. Ik wist dit, en iedereen in onze familie wist dit, maar we spraken er niet over omdat mijn moeder er liever niet aan dacht. Maar op een keer, toen we in een restaurantje bij haar in de buurt een broodje met gerookte zalm aten, zei ze tegen mij, op een luchtige toon, alsof ze alleen maar nieuwsgierig was: “Wat denken boeddhisten over wat er gebeurt als je gestorven bent?”

“Nou,” zei ik tegen haar, “dat hangt af van hoe jij jezelf ziet. Als je denkt dat jij enkel lichaam en geest bent, dus alleen maar de huidige herinneringen en ervaringen en relaties en gedachten, dan zal de dood geen prettig nieuws zijn voor je. Want zodra je sterft, zul je al dat spul kwijtraken. Maar als je denkt dat je ook nog wat meer bent dan dit, iets dat je niet begrijpt maar wel intuïtief voelt en vertrouwt, dan zal als je sterft dit iets – dat nooit geboren is en niet kan sterven – nooit weggaan. En dan zal ons sterven eenvoudiger en gelukkiger worden.”

Ik weet niet zeker of die woorden mijn moeder troost hebben kunnen schenken. Zoals ik het me nu herinner, leek het haar eerder te verbijsteren dan te troosten. Maar misschien heeft wat ik zei haar tegen het einde geholpen, toen haar bewustzijn vervaagde en haar geest rustig bleef.

Natuurlijk: de grote boeddhistische leraren die dit onderricht over de geest eeuwenlang hebben uiteengezet, doen dit niet enkel om ons te troosten. Zij schenken ons dit inzicht in wat onze geest werkelijk is, om ons een betrouwbare basis te geven voor een oefenpad waarmee we ons leven – en de wereld – kunnen transformeren.

De uitgever van dit artikel heeft toestemming verleend voor vertaling en publicatie ervan. Originele versie https://www.lionsroar.com/everythings-made-of-mind/ Norman Fischer is de oprichter van de Everyday Zen Foundation. Zijn meest recente boek is Experience: Denken, schrijven, taal en religie.

Ad van Dun, de vertaler van deze tekst, is begeleider van Stiltij. Van Dun begon in 1977 met de beoefening van zen en in 1978 met aikido. In 2000 stichtte hij zencentrum Prajna en Aikidoschool Inai (innerlijk aikido); beide scholen werden per 2010 verenigd in Stiltij. Eind 2016 heeft hij de bodhisattva-geloften afgelegd. Stiltij https://stiltijdharma.nl/

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#AdVanDun #geest #LionsRoar #NormanFischer #Stiltij #vertaling
#AdVanDun #geest #LionsRoar #NormanFischer #Stiltij #vertaling

Ad van Dun - Alles bestaat uit geest - Boeddhistisch Dagblad

Misschien bestaat er in het boeddhisme niets kostbaarders, diepers en grondiger dan het onderricht over onze geest. Zolang wij niet enigszins vertrouwd zijn met het begrip geest, zoals dit met zijn talloze facetten in het onderricht wordt beschreven, is het moeilijk om een juiste waardering te voelen voor de totale context van de boeddhistische meditatiepraktijk en van de verlichting die ons als hoogste doel daarvan in het vooruitzicht wordt gesteld.

Boeddhistisch Dagblad