De Dobruja (1)

De Dobruja rond 1918

Vandaag een blogje buiten mijn eigenlijke expertise, maar ik schrijf het op verzoek. Het gaat over de grens tussen Bulgarije en Roemenië. Voor het grootste deel is dat de benedenloop van de rivier de Donau. Ten zuiden daarvan spreken de mensen Bulgaars, een Slavische taal, en schrijven ze met cyrillische letters, en ten noorden daarvan spreken ze Roemeens, een romaanse taal, en gebruiken ze hetzelfde alfabet als wij.

Dobruja

Alleen helemaal in het oosten ligt de grens wat anders. Zo’n zestig kilometer vóór de rivier de Zwarte Zee bereikt, buigt ’ie naar het noorden af, stroomt 130 kilometer in die richting, en buigt pas daar naar het oosten. De delta strekt zich uit over ruim honderd kilometer. Het gebied bezuiden de Donaumonding staat bekend als de Dobruja, is genoemd naar een veertiende-eeuwse heerser, is half zo groot als België, is politiek heel omstreden geweest en uiteindelijk over de twee landen verdeeld. Ik heb de indruk dat de spanningen nog niet helemaal zijn verdwenen.

Die spanningen hebben alles te maken met de neergang van het Ottomaanse Rijk. Daar zijn sindsdien de Balkanstaten ontstaan, met Bulgaarssprekenden aan de ene kant van de Donau en Roemeenssprekenden aan de andere kant, maar dat was niet altijd de meest logische uitkomst.

Religie versus taal

In de loop van de negentiende eeuw verloor de Ottomaanse sultan steeds meer van zijn Europese bezittingen. Servië was in 1817 het eerste gebied dat autonoom werd, al behield het een Ottomaans garnizoen. De Peloponnesos volgde in 1829: hier ontstond een koninkrijk dat zich later zou uitbreiden richting Athene, Thessalië en uiteindelijk Thessaloniki. En zo waren er meer gebieden die zich in diverse vormen onafhankelijk maakten.

U merkte misschien dat ik in de vorige alinea woorden als “de Serviërs” en “de Grieken” vermeed. Dat had een reden, want het verzet tegen de Ottomanen had een sterke religieuze component: de orthodoxe kerk speelde een rol. De Griekse Onafhankelijkheidsoorlog begon bijvoorbeeld toen bisschop Germanos van Patras de revolutionaire vlag ontvouwde in het klooster Agia Lavra. Er is een fase geweest waarin een deel van de opstandelingen op het Balkanschiereiland streefde naar één staat op orthodoxe grondslag.

Ondertussen ontstond echter het moderne, op taal gebaseerde nationalisme. Dat heeft veel te maken met de ontdekking van de Indo-Europese taalfamilie, waarover elders op deze blog voldoende is geschreven en dat ik nu laat rusten. Het punt is: naarmate de negentiende eeuw vorderde, werd het verzet tegen de Ottomaanse heersers steeds vaker een nationaal, dus op taal gebaseerd verzet. Je kunt niet door het moderne Bulgarije reizen zonder te horen over de Nationale Herleving, waarbij twee middeleeuwse koninkrijken (van 681 tot 1018 en van 1185 tot 1396) gelden als de eerdere levens van het volk. Waar de Dobruja aan het begin van de negentiende eeuw nog onderdeel had kunnen worden van een op orthodoxie gebaseerde staat, was dat eind negentiende niet meer mogelijk: toen was het een mix van Roemeenstaligen, Turkstaligen, Tataarstaligen, Bulgaarstaligen, Russischtaligen en Griekstaligen, met daar tussenin nog wat Duitstaligen.

De grote tegenspeler van de sultan was de tsaar. Die aasde op Constantinopel, dat niet alleen symbolische betekenis had, maar ook de toegang vormde tot de Middellandse Zee. Een groot deel van de negentiende-eeuwse diplomatie had tot doel de Russen daar weg te houden, en daarom schaarden de westerse mogendheden zich in bijvoorbeeld de Krimoorlog aan de zijde van de sultan. Op zoek naar bondgenoten wierp de tsaar zich dan op als beschermheer van de orthodoxen. Naarmate taal belangrijker werd, was de tsaar meer geïnteresseerd in de Slavischsprekende orthodoxen, en dat maakte Bulgarije tot natuurlijke bondgenoot.

Rusland en Bulgarije

Het Ottomaanse gebiedsverlies in Europa vormde voor de sultan een ernstig probleem, want de Balkan vormde het demografische zwaartepunt van zijn Rijk. Naarmate de eeuw vorderde en meer rijksdelen verloren gingen, werden de Aziatische delen belangrijker. Moslims in de nieuwe Balkanstaten verhuisden nogal eens naar het oosten – misschien bezocht u Israël en kent u het Bosnische moskeetje in Caesarea – en zo werd de Balkan steeds christelijker, werd de Levant steeds islamitischer en werd het voor sultan Abdulhamid II aantrekkelijk zich te presenteren als kalief en Ottomaanse burgers te definiëren als Turkssprekende soennieten. Waarmee de problemen voor de Arabieren, Armeniërs, joden en maronieten pas goed begonnen – maar dat is een ander verhaal.

In 1875 ontplofte de Balkan met diverse opstanden in de hele regio. De Russen vielen het Ottomaanse Rijk binnen, wonnen de oorlog en drong de legers van de sultan terug tot in Constantinopel. De Russen begrepen dat als ze die stad zouden innemen, de Britten, Fransen en Italianen zouden interveniëren, en kozen voor de op-een-na-ideaalste-oplossing: de stichting van een koninkrijk Bulgarije dat zich uitstrekte van de Donau tot aan de Egeïsche Zee. Ook het huidige Noord-Macedonië behoorde bij dit nieuwe koninkrijk. Een en ander werd vastgelegd in het Verdrag van San Stefano. Bulgarije is nooit meer zo groot geweest.

Ondanks de Russische poging westerse interventie te vermijden, grepen de westerse mogendheden in. In 1878 vond het Congres van Berlijn plaats waar de grenzen opnieuw werden getrokken. Voor de Bulgaren waren de druiven zuur: hun nieuwe staat werd gereduceerd tot het gebied tussen de Donau en het Balkangebergte. Het gebied ten zuiden van die bergen, met steden als Plovdiv, keerde terug onder Ottomaans bestuur. In 1885 werd een deel daarvan verenigd met Bulgarije en kreeg het land ruwweg zijn huidige grenzen – met uitzondering van de Dobruja.

[Wordt vervolgd]

#AbdulhamidII #CongresVanBerlijn #Dobruja #IndoEuropeseTalen #Krimoorlog #romaanseTalen #slavischeTalen

De Bagdadspoorlijn

Monument voor de doden, gevallen bij de aanleg van de Bagdadspoorlijn

Je zoekt iets en vindt iets anders. Een kwart eeuw geleden reden mijn zakenpartner en ik ergens door het Taurusgebergte, in het voetspoor van Alexander de Grote, zoekend naar de Cilicische Poort. Pas laat op de middag begrepen we dat we er al vier keer langs waren gereden zonder te herkennen dat de ooit nauwe pas dankzij dynamiet was veranderd in de doorgang van een autosnelweg. In de tussentijd hadden we wel iets ongezochts gevonden: een grafmonumentje voor de Duitsers die hier een eeuw eerder waren overleden bij de aanleg van de roemruchte Bagdadspoorlijn.

De Bagdadspoorlijn

We kenden het politieke project waarmee de Duitsers en Ottomanen een landweg wilden openen van de Middellandse Zee naar de Perzische Golf en de Indische Oceaan. Het was een voor de hand liggend alternatief voor het Suezkanaal, dat in handen was van de Britten. Keizer Wilhelm II en sultan Abdulhamid II waren dan ook niet de eersten die het belang van zo’n landroute begrepen. Een halve eeuw eerder, nog vóór de eerste spa voor het Suezkanaal in de grond was gegaan, had Austen Henry Layard hetzelfde al bedacht. Hij kende ook de bezwaren al: er zouden mensen langs zo’n route moeten wonen om de reizigers te helpen aan alles wat bij hun reis nodig was, en Irak was heel dun bevolkt. Hij groef dus de Assyrische hoofdsteden op om te bewijzen dat hier steden konden bestaan.

Station Bagdad

Het monumentje dat wij op die junidag zagen, maakte indruk. De bouw van wegen en tunnels door de Taurus was een enorm project geweest. Uit welk hout waren de bouwers gesneden? Wat voor mensen waren dat geweest? Waren de ingenieurs alleen maar hier om hun brood te verdienen, of waren het avonturiers? Waren ze trots op de tunnel die ze, zo ver van huis, hadden weten aan te leggen? Wat dachten de arbeiders van de oorlogsdreiging en wat dachten ze – toen de Guns of August eenmaal klonken – van de oorlog? Hoe reageerden de nabestaanden toen ze hoorden over de dood van hun dierbaren? Kortom, mijn zakenpartner en ik hadden op weg naar Antiochië wat om te bespreken.

De Bagdad-Berlijn-express

Wat voor mensen waren dat geweest? Ik las De Bagdad-Berlijn-express van Ana van Es in de hoop meer te weten over de technische problemen, over de manier waarop de Duitse ingenieurs de moeilijkheden bij de tunnelbouw overwonnen, over de omstandigheden waaronder de mensen het leven hadden gelaten. Maar je zoekt iets en vindt iets anders: Van Es bleek andere informatie te geven, even interessant en boeiend.

Feitelijk biedt ze in De Bagdad-Berlijn-express twee verhalen. Het ene gaat over de politiek rond de aanleg van de spoorlijn, die het verlengde was van de al even roemruchte Oriënt Expres. Dit verhaal speelt zich af in het eerste kwart van de vorige eeuw en gaat ook over archeologen, die lange tijd het verlengstuk waren van de inlichtingendiensten. Voor oudheidkundigen is het nadenken over ontbrekende informatie immers een belangrijke vaardigheid en dat is de voornaamste reden waarom inlichtingendiensten zo lang zo graag classici en archeologen rekruteerden. Dat opgravingen de dekmantel konden zijn voor spionage, was een prettige bijkomstigheid.

Het bekendste voorbeeld van deze verstrengeling van wetenschap en politiek is de Britse opgraving bij Karchemish, die door Van Es ook wordt genoemd. De voornaamste archeoloog-met-meervoudige-agenda in De Bagdad-Berlijn-express is echter de Duitser Max von Oppenheim. Hij groef in Tell Halaf, waar de spoorlijn langs liep, en legde (samen met archeologen als Theodor Wiegand) feitelijk de grondslag voor de grote collectie archeologische vondsten uit het Ottomaanse Rijk in het momenteel gesloten Pergamonmuseum. Naast Von Oppenheim behoren T.E. Lawrence of Arabia, Agatha Christie en haar echtgenoot Max Mallowan, Gertrude Bell, Leonard Woolley en Freya Stark tot de door Van Es opgestelde troupe. Ottomaanse archeologen ontbreken.

Het graf van Bell

De nieuwste geschiedenis

Het tweede verhaal is dat van het functioneren van de spoorlijn in de eeuw na de aanleg. Omdat de voltooiing en het gebruik van het spoornetwerk vooral een uiting zijn van staatsmacht, is dit tweede verhaal grotendeels een geschiedenis van de Iraakse staat sinds de ondergang van het Ottomaanse Rijk. Die staatsmacht is, zoals bekend, niet altijd even groot geweest en de treinen reden niet altijd even makkelijk. We lezen over de wijze waarop Irak een koninkrijk werd, over de pro-Duitse coup tijdens de Tweede Wereldoorlog en over de Britse repressie daarvan, over de moord op de koninklijke familie, over Saddam Husein, over de recente oorlogen, over de sjiitische machtsovername en over de ressentimenten die dat opriep. De verrassendste passage is dat de bevolking van Mosul de Islamitische Staat pas in de allerlaatste maanden als repressief heeft ervaren.

Max von Oppenheims boek over Tell Halaf

De Iraakse spoorwegen zijn in dit deel van De Bagdad-Berlijn-express wat minder aanwezig. Ze zijn meer een leitmotiv. Het is echter een goed verteld geschiedverhaal, doorsneden met Van Es’ persoonlijke wederwaardigheden en portretten van mensen die nu werken bij het spoor. Het gaat vaak om functies die van ouder op kind worden doorgegeven. Er is een intrigerende opmerking dat de spoorwegmensen vaak sympathiseerden met het communisme, waar ik graag meer over had willen weten. Ik had ook wat meer willen lezen over het spoor naar Kerbala, waarvan ik aanneem dat het wel de drukste verbinding zal zijn.

Dit laatste is geen kritiek. Je zoekt iets en vindt iets anders. In dit geval: een heel boeiend boek. Ik las De Bagdad-Berlijn-express gisteren in één dag uit. Aanrader.

#AbdulhamidII #AgathaChristie #AnaVanEs #AustenHenryLayard #Bagdad #Bagdadspoorlijn #FreyaStark #GertrudeBell #Kerbala #LeonardWoolley #MaxMallowan #MaxVonOppenheim #Mosul #SaddamHussein #TELawrenceOfArabia #Taurus #TellHalaf #TheodorWiegand #trein #WilhelmII

Theodor Wiegand

Theodor Wiegand

We moeten het eens hebben over archeoloog Theodor Wiegand (1864-1936). Zomaar, omdat het  maandag is en omdat hij gewoon interessant is.

Maar eerst even terug naar de late negentiende eeuw. Het Duitse keizerrijk legitimeert zich als voortzetting van het Romeinse Rijk, want de keizertitel is via Karel de Grote en het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie uiteindelijk beland bij Wilhelm II, die zich aandient als een moderne Antoninus Pius. In Constantinopel heerst sultan Abdulhamid II, die resideert in een oud-Romeinse keizerlijke hoofdstad. De twee gekroonde hoofden hebben een zekere belangstelling gemeen. En in hun landen zijn archeologische diensten.

Geprivilegieerde archeologen

De twee landen werken samen: Duitse ingenieurs helpen de Ottomanen bij het aanleggen van een spoorwegnetwerk. In 1898 bezoekt Wilhelm II het Ottomaanse Rijk – ik blogde er al eens over – en in het volgende jaar sluiten de archeologische diensten een overeenkomst: de Duitsers krijgen niet alleen toestemming om in het Ottomaanse Rijk te graven, maar krijgen ook het privilege allerlei voorwerpen te mogen meenemen. Ik heb niet kunnen achterhalen wat Osman Hamdi daarvan heeft gedacht, al weet ik wel dat hij enkele jaren later wist te bewerkstelligen dat er een exportverbod kwam.

In de tussenliggende jaren mochten de Duitsers dus allerlei oudheden meenemen, en zo ontstond het Pergamonmuseum in Berlijn. Dat had een attaché bij het Ottomaanse Archeologische Museum in Constantinopel, en dat was Theodor Wiegand, een leerling van Wilhelm Dörpfeld. Wiegand had zelf al opgravingen verricht in Priëne en heeft, voor zover ik heb kunnen nagaan, als eerste zijn opgraving vergeleken met Pompeii. Nu is “het Griekse Pompeii” voor Priëne nog wel te begrijpen, maar het is sindsdien een van de hardnekkigste en allergemakzuchtigste clichés in de aan hardnekkige en extreem gemakzuchtige clichés zo rijke archeologie.

Wiegand verwierf allerlei reliëfs en kleine voorwerpen, en niet alleen bij de opgravingen in Pergamon en Priëne, maar ook uit Babylon, Aššur, Milete (waar hij zelf de opgravingen leidde) en het even verderop gelegen Didyma. Hij kocht ook voorwerpen via de lokale kunsthandel. Particuliere verzamelaars die om geld verlegen zaten, wisten Wiegand eveneens te vinden. Het Berlijnse museum verwierf bovendien islamitische en eigentijdse Ottomaanse kunst.

Oorlog

In 1911 kwam er een einde aan Wiegands werkzaamheden. Misschien speelde de Eerste Wereldoorlog, die in het Ottomaanse Rijk begon op 29 september 1911, daarbij een rol, maar er waren ook Ottomaanse archeologen (onder andere Halil Edhem Elden) die Wiegand beschuldigden van roof. Ik heb het niet kunnen achterhalen.

De Eerste Wereldoorlog speelde in elk geval zeker een rol toen Wiegand de Ottomaanse en Duitse overheden ervan overtuigde dat bedreigde archeologische monumenten bescherming verdienden. Zo ontstond het Deutsch-Türkisches Denkmalschutzkommando, dat het historische erfgoed in de Levant hielp documenteren en zo nodig restaureren. De documentatie van bijvoorbeeld Petra, Palmyra en Baalbek is zo ontstaan – in volle oorlogstijd, en terwijl de regio werd geteisterd door een gruwelijke hongersnood.

Jeruzalem tijdens de Eerste Wereldoorlog

Wonderlijk genoeg maakte het feit dat het oorlog was, het werk voor de betrokken oudheidkundigen eenvoudiger. Ze konden gebruik maken van luchtfoto’s, en dat was iets nieuws. Na de Eerste Wereldoorlog publiceerde Wiegand de zesdelige Wissenschaftliche Veröffentlichungen des deutsch-türkischen Denkmalschutz-Kommandos (1920-1924). Al in 1918 begon hij met de publicatie van fotoalbums (zoals dit), en ook die boden iets nieuws: onze grootouders konden voor het eerst makkelijk kennis nemen van wat er aan antiek erfgoed was in het Midden-Oosten.

Kortom, een fascinerende man. Wie door het Berlijnse museum zou kunnen lopen – helaas zijn de waardevolste afdelingen gesloten tot 2037 – stelt zich al snel de vraag of hij niet al te voortvarend oudheden heeft aangekocht die in het Ottomaanse Rijk méér mensen een gevoel voor het verleden zouden hebben kunnen geven. Tegelijkertijd heeft hij veel gedaan om het Nabije Oosten in Europa bekendheid te geven. De Oudheid was immers meer dan het Romeinse Rijk waarmee Wilhelm II liep te dwepen, en het economisch en cultureel zwaartepunt heeft nooit ergens anders gelegen dan in de Oriënt.

#AbdulhamidII #AššurStad #Baalbek #Babylon #Berlijn #Constantinopel #EersteWereldoorlog #HalilEdhemElden #Milete #OsmanHamdi #Palmyra #Pergamon #Pergamonmuseum #Petra #Priëne #TheodorWiegand #WilhelmII