Islamitisch recht (4) Al-Shafi’i

Het mausoleum van Al-Shafi’i in Cairo (© Wikimedia Commons | gebruiker PaFra)

[Dit is het vierde van acht blogjes over het ontstaan van de islam. Het eerste was hier.]

In de vorige blogjes vertelde ik dat de moslims begin achtste eeuw begonnen met het ontwerpen van een islamitisch rechtstelsel, gebaseerd op de hadith, de tradities over het voorbeeldige leven van de profeet Mohammed en de eerste moslims. De relatie tussen de hadith, de Koran en de plicht van de rechter om goed na te denken, was echter niet uitgekristalliseerd. De algemene theorie van het islamitisch recht werd ontworpen door Muhammad al-Shafi’i (767-820).

Al-Shafi’i over Koran en hadith

In zijn Risala (“Verhandeling”) stelt hij dat de Koran de onfeilbare bron van recht is, en dat deze het gezag van de hadith legitimeert: er stond immers geschreven – en dat verschillende keren – “Gehoorzaamt God en zijn gezant”, en dat kon niets anders betekenen dan dat men zich niet alleen moest laten inspireren door Gods eigen woord, de Koran, maar ook door de anekdotes over de Profeet. Beide openbaarden de juiste levenswijze. Een ander argument was gebaseerd op de regel:

Maakt niet Gods tekenen tot bespotting
en gedenkt Gods weldaad aan u:
dat Hij de Schrift en de Wijsheid
op u heeft nedergezonden
om u daarmede te vermanen.noot Koran 2.231; vert. Kramers.

De woorden “de Schrift en de Wijsheid” gaven, volgens Al-Shafi’i, eveneens aan dat de hadith als rechtsbron even belangrijk was als de Koran zelf. Of, beter gezegd: even belangrijk zou kunnen zijn. De tradities konden namelijk in de praktijk niet helemaal dezelfde status hebben, omdat de overlevering mensenwerk was en de rechtsgeleerden dus minder zekerheid hadden over de betrouwbaarheid. Maar als de overleveringsketen in orde was, meende Al-Shafi’i, kon een hadith veilig worden aanvaard.

Regel en uitzondering

Onderlinge tegenspraken konden alleen schijnbaar zijn, bijvoorbeeld doordat de ene anekdote de algemene regel weergaf en de andere de uitzondering, of doordat Mohammed een regel had vervangen. Neem bijvoorbeeld de volgende Koranpassage, die de straf op overspel noemt:

De ontuchtige vrouw en de ontuchtige man,
geselt een ieder hunner met honderd geselslagen.noot Koran 24.2.

In de praktijk werd een overspelige echter niet gegeseld maar gestenigd. De volgende overlevering lijkt bedacht om de discrepantie op te heffen:

Een man uit Bani Aslam [in Jemen] kwam in de moskee naar Gods profeet en riep naar hem: “Profeet van God, ik heb ongeoorloofd geslachtsverkeer gehad.”
De Profeet wendde zich af, waarop de man zich voor hem plaatste en nogmaals zei: “Profeet van God, ik heb ongeoorloofd geslachtsverkeer gehad.”
Hierop wendde de Profeet zich opnieuw af, maar de man plaatste zich weer voor hem en herhaalde zijn bewering. Nogmaals wendde de Profeet zich af, nogmaals plaatste de man zich voor hem, nogmaals herhaalde hij zijn woorden. Toen de man zo viermaal tegen zichzelf had getuigd, sprak de Profeet hem aan en zei: “Ben je krankzinnig?”
Hij zei van niet, waarop de Profeet tegen zijn gezellen zei: “Ga heen en stenig hem.”
Deze man was getrouwd. Jabir ibn Abdallah zei: “Ik was een van degenen die hem stenigden. We doodden hem bij de gebedsplaats van Medina. Toen de scherpgerande stenen hem raakten, probeerde hij nog te vluchten maar we haalden hem in en wierpen stenen naar hem tot hij dood was.”noot Al-Buchari, Authentieke verzameling 63.161.

In deze anekdote wordt expliciet vermeld dat de man was getrouwd, met als implicatie dat voor hem een andere straf zou gelden dan als hij nog vrijgezel was geweest. Een getrouwde die met een getrouwde overspel pleegde werd, conform de hadith, gestenigd, terwijl een vrijgezel die iemand deed echtbreken de Koranische zweepslagen kreeg.

(Tussen haakjes: dit verschil zou als het onderscheid tussen dubbel en enkel overspel opduiken in de boeteboeken van de christenen, hoewel de Bijbel geen onderscheid maakt en in alle gevallen steniging voorschrijft.noot Leviticus 20.10. De ontlening is niet zo vreemd, omdat de samenstellers van de boeteboeken niet zelden tevens geïnteresseerd waren in de verspreiding van het geloof onder moslims, en vertrouwd waren met islamitische ideeën.)

Consensus

Na de Koran en de hadith was voor al-Shafi’i de consensus der geleerden (ijma’) de derde bron van recht. Dit criterium, dat we ook kennen uit het Sassanidische recht, was niet zonder problemen. In de eerste plaats moest worden vastgesteld wie geleerd genoeg waren, een kwestie waarop we nog zullen terugkomen. Een tweede probleem was dat de wereld van de islam inmiddels te groot was om alle bevoegde rechtsgeleerden (de ulama) te consulteren. Daarom definieerden latere rechtsgeleerden de kwestie iets anders: een lokale traditie die niet was gebaseerd op betrouwbare hadith, moest wijken als overal een andere mening werd verkondigd. In feite werd consensus hiermee, naast het voorbeeld van de Profeet, een tweede unificerend principe.

[wordt zondag vervolgd]

#hadith #ijma #islamisering #islamitischRecht #Koran #Mohammed #MuhammadAlShafiI #sharia #steniging #ulama