Journalistieke gewetenskwesties

Een paar keer per jaar schrijf ik een boekrecensie voor het NRC Handelsblad. Meestal gaan die stukjes over boeken over de Oudheid, en dat kan wat problematisch zijn. Hieronder drie kwesties.

1.

Het wereldje van classici, oudhistorici en archeologen is niet groot en het kan gebeuren dat je een boek te recenseren krijgt waarvan je de auteur wel eens hebt ontmoet. Dat ik niet ben verbonden aan een universiteit en geen lid ben van het Nederlands Klassiek Verbond, maakt die kans behoorlijk kleiner, maar soms loop je toch tegen het probleem aan. Zo stuurde de krant me een tijdje geleden Romeinen. Kleding uit de Romeinse tijd in Noordwest-Europa van Sjef Verstraaten. We hebben vorig jaar allebei een toespraakje gehouden op de Romeinenmeeting in Nijmegen en bovendien bevatte Verstraatens boek bijdragen van mensen met wie ik bevriend ben. Hier begonnen de belangen behoorlijk door elkaar te lopen.

Belangenverstrengeling moet je vermijden. Een auteur heeft niets aan bevooroordeelde kritiek, een recensent wordt niet graag beschuldigd van vooringenomenheid en vooral: het is voor een krant schadelijk als haar onafhankelijkheid ter discussie staat. Lezers kunnen heel boos worden als hun vertrouwen wordt beschaamd. Ik heb eens een mevrouw gesproken die haar krantenabonnement had opgezegd nadat ze, overtuigd door een positieve bespreking, een Griekse vertaling had aangeschaft en bij het lezen van de inleiding ontdekte dat de recensent een medewerker was van de vertaler.

Ook zonder dit voorbeeld van hoe het niet moet, aarzelde ik of ik Verstraatens boek moest bespreken. Daarom opperde ik bij de redactie dat ze een andere recensent zou vragen. Dat kon echter geen echte oplossing zijn, omdat ook deze alle betrokkenen kende. Een wijze redacteur stelde daarop voor dat ik het boek zou benutten als aanleiding om het wonderlijke verschijnsel re-enactment aan een wat breder publiek uit te leggen, en zo is het uiteindelijk ook gegaan.

Zou zo’n uitweg er niet zijn geweest, dan hoort een recensent een belangenverstrengeling in zijn stuk aan te geven. Dat heet een “full disclosure” en voorbeelden uit eigen oeuvre vindt u hier en daar. Het achterwege laten is een serieuze zaak: als iemand een negatieve bespreking krijgt van een recensent die de verstrengeling van belangen niet heeft aangegeven, zal de Raad voor de Journalistiek de criticus zeker berispen.

2.

Een ander probleem waar je als recensent van boeken over de Oudheid wel eens mee te maken krijgt, is dat de oudheidkunde, zoals elke wetenschap, onbediscussieerde vooronderstellingen heeft. (In jargontermen: ze maken deel uit van de negatieve heuristiek van het onderzoeksprogramma.) De reden voor het niet-bediscussiëren is vrij simpel: als wordt erkend dat bijvoorbeeld een vergelijking tussen toen en nu problematisch is, zal de subsidiegever kritische vragen gaan stellen. De institutionele inbedding van de wetenschap verhindert dus bepaalde vormen van zelfkritiek. (Dit probleem zou overigens in hoofdletters bovenaan elke academische agenda moeten staan, maar dat terzijde.)

De onbespreekbaarheid van omstreden vooronderstellingen is niet slechts een academische kwestie. Er zijn, zeker bij het Handelsblad, vrij veel hoogopgeleide lezers die herkennen hoe problematisch het is als een classicus een vergelijking maakt tussen een primitieve agrarische samenleving en een postindustriële maatschappij. Wat voor een classicus vanzelfsprekend is, is dat niet voor een socioloog. En – om een voorbeeld uit een recent blogstukje aan te halen – wat voor een astronoom de logische manier is om een antieke bron te lezen, wordt omver geblazen door een eerstejaarsstudent geschiedenis, theologie of klassieke talen.

Hoe nu te recenseren? Ik heb rekening te houden met de bedoelingen van de auteur, die het ook niet kan helpen dat zijn vakgebied discutabele vooronderstellingen heeft. Dan zou ik moeten doen alsof er niets aan de hand is, en er zijn boeken waarbij dat lukt. Ik moet echter tevens rekening houden met de belangen van de lezer, die gewaarschuwd moet worden dat het boek de aanvaarding veronderstelt van omstreden vooronderstellingen.

In een krant geeft uiteraard het belang van de lezer de doorslag. Voor recensies door mensen die dezelfde vooronderstellingen delen, zijn er wetenschappelijke tijdschriften. Toch vind ik dat ik wel een béétje rekening moet houden met de auteur. Ik heb de spanning tussen de twee belangen verschillende keren aangegeven in mijn stukjes, maar eigenlijk is er geen oplossing. De kwestie is immers kenmerkend voor de hedendaagse informatie-infrastructuur in het algemeen: onze kennis is, met een woord van Bas Heijne, gefragmenteerd geraakt.

3.

Een derde kwestie is universeel en van alle tijden: het beperkte aantal woorden. Daar heeft elke journalist mee te maken, bij ieder stukje, en klachten daarover behoren tot de vakfolklore. De oudste mij bekende vermelding van deze moeilijkheid vond ik in de Post van den Neder-Rhijn en dateert uit de jaren tachtig van de achttiende eeuw.

Dit probleem speelt bijvoorbeeld bij het stuk waar ik vandaag de laatste hand aan leg, een recensie van Toneel in de Oudheid, de mooie uitgave waarmee het Nederlands Klassiek Verbond en het tijdschrift Hermeneus dit jaar een jubileum vieren. Dat ik hoofdauteur Hein van Dolen – overigens een bekende van me – bij naam zal noemen, is vanzelfsprekend. Zijn coauteurs (Patrick Gouw, Wolfgang D.C. de Melo en Hans Smolenaars) verdienen ook vermelding, en omdat de beeldredactrice prachtwerk heeft geleverd, zou ook zij moeten worden genoemd. Ze heeft zeker niet minder werk verricht dan de drie coauteurs. Als ik vijf namen noem, wordt het echter oneerlijk als ik niet tevens de eindredactrice vermeld, want het boek wordt nadrukkelijk gepresenteerd als samenwerking van vier auteurs en twee redactrices. Alleen: het is erg ongebruikelijk in een bespreking in te gaan op het redactionele werk. (Dat gebeurt eigenlijk alleen als het zo slecht is dat de informatieoverdracht erdoor wordt gehinderd.) Los daarvan is het gewoon zonde van de ongeveer 700 woorden die ik ter beschikking heb, een volledige alinea te besteden aan het introduceren van zes medewerkers.

Deze kwestie mag dan al dateren uit de achttiende eeuw, de twintigste eeuw gaf ons gelukkig de transistor, de computer, het internet, hypertext, het wereldwijde web en de eerste weblogs. De resulterende verandering van de informatieoverdracht pakt voor de journalistiek niet goed uit en is voor de oudheidkunde zelfs catastrofaal (meer…). Maar er is één voordeel: journalisten zijn online niet gebonden aan een maximumaantal woorden, zodat ik deze plaats kan gebruiken om naast de auteurs van Toneel in de Oudheid ook de redactrices eens met ere te noemen: beeldredactrice Elly Jans en eindredactrice Thea L. Heres hebben puik werk geleverd.

#belangenverstrengeling #journalistiek #NRCHandelsblad #recenseren

Bladvulling

(Spuistraat 283, Amsterdam)

In een discussie op Facebook over boeken die je ongelezen had gelaten of halverwege opzij had gelegd, vroeg iemand wat nou een boek was om deze zomer in één ruk uit te lezen. Iemand anders linkte naar de “vijf lekkere weglezers voor op vakantie” die Rob Wijnberg op De Correspondent had geplaatst.

Je moet gegeven paarden niet in de mond kijken en je moet dankbaar zijn voor goede raad die je zomaar krijgt aangeboden – ik schrijf dit zonder ironie – maar om een of andere reden stoorde Wijnbergs vijftal me. De boeken zullen vast onverbiddelijke page turners zijn, maar zomaar vijf titels opsommen is te gemakkelijk. Over boeken kun je veel interessanter schrijven, zoals Pieter Steinz toonde met zijn rubriek Lezen Etcetera.

Maar mijn ergernis zit dieper dan dat Rob Wijnberg geen Pieter Steinz is. Het probleem is meer dat Rob Wijnberg dit keer ook geen Rob Wijnberg is. Hij is een van de journalisten die zich werkelijk heeft verdiept in de overgang van een papieren naar een digitale krant. De Correspondent is een van de aardigste initiatieven van het moment en ik verwachtte niet dat Wijnberg zich zou bedienen van een vorm die in de papieren journalistiek zinvol kan zijn maar in de digitale media juist kan worden vermeden.

Lijstjes zijn ontstaan in de tijd dat elke papieren pagina nog vol moest. Als er iets blanco bleef, kon er altijd een lijstje op. De damesbladen zijn er groot mee geworden en de oudejaarsbijlagen staan er nog altijd vol mee. Ze zijn het omgekeerde van hoe een journalist zijn stukje schreef: altijd met een of twee alinea’s die eruit konden bij de opmaak. Lijstjes, ook lijstjes van vijf lekkere weglezers, zijn bladvulling. Ze zijn niet nodig in een digitaal medium.

De digitalisering van de journalistiek heeft enorme voordelen. Zo kun je online boeken recenseren met veel meer illustraties en links naar soortgelijke onderwerpen. Je kunt recensies ondersteunen met encyclopedie-achtige artikelen. Ik had van een Wijnberg die over boeken schrijft, beter verwacht.

Ik had gehoopt dat van de digitale journalistiek een prikkel zou uitgaan waardoor de papieren pers zou verbeteren. Dat uitgerekend een journalist die wat verder kijkt dan zijn neus lang is, in een oudmediale valkuil struikelt, en bladvulling produceert voor een medium dat geen bladvulling nodig heeft, illustreert dat we er voorlopig nog niet zijn.

#bladvulling #DeCorrespondent #lijstjes #recenseren #RobWijnberg

Songfestival en boekrecensie

Een maand of twee geleden schijnt een van de medewerkers van De Volkskrant een hard oordeel te hebben geveld over het liedje waarmee Portugal meedeed aan het Eurovisiesongfestival. Later, zo las ik in de rubriek van de Ombudsvrouw, publiceerde de krant een “herstelrecensie”. Ik had van zo’n type recensie nog nooit gehoord maar wat me opviel was de motivatie om

een verkeerde inschatting recht te zetten. … Daags na de eerste halve finale bleken andere Songfestivalrecensenten Portugal wel goed te vinden.

De Ombudsvrouw noemt nog andere redenen om het oordeel aan te passen, maar het staat er toch echt: de mening van andere recensenten doet ter zake. Dit zette me aan het denken omdat ik, als ik een recensie schrijf (doorgaans geschiedenisboeken), probeer mijn oordeel niet te ijken aan wat anderen ervan vinden, maar aan enigszins vaste criteria.

Evenwichtigheid is bijvoorbeeld zo’n criterium. Als Simon Schama in zijn Story of the Jews wel aandacht besteedt aan de christelijke antijoodse polemiek maar niet aan de joodse antichristelijke polemiek, is het boek niet in evenwicht, punt uit, en dat heb ik in mijn recensie in het NRC Handelsblad dan ook geschreven. Toen andere recensenten, zoals Anet Bleich in De Volkskrant, Schama’s Story of the Jews wel goed bleken te vinden, was dat geen aanleiding voor een herstelrecensie. Dat die anderen het verschil niet herkennen tussen een geschiedenisboek en “inspirational literature” verandert immers niets aan de eenzijdigheid van Story of the Jews.

Criteria

Evenwichtigheid is dus één van mijn criteria. Het lijkt me daarnaast vanzelfsprekend dat een auteur niet aanneemt wat moet worden bewezen. Een tweede criterium is dus of de argumentatie op orde is. Een derde criterium is dat de schrijver geen gebeurtenissen verzint waarvoor geen bronnen bestaan.

Dat laatste is problematischer dan het klinkt, want “das wahre Faktum steht nicht in den Quellen”. Feiten zijn altijd reconstructies en er is altijd onderzoek verondersteld. Een goede auteur legt daarom ook uit hoe hij de feiten reconstrueerde. Als dit niet goed aansluit bij de doelgroep, zal een goede auteur de lezer op weg helpen naar vervolgliteratuur waarin de methode wél wordt uitgelegd. Ik heb op deze kleine blog al vaker verwezen naar het advies Tussen onderzoek en samenleving en volsta ermee te herhalen dat het wetenschappelijk proces inzichtelijk behoort te worden gemaakt.

Dat hoeft niet voor elke doelgroep, maar die inzichtelijkheid moet er wel zijn. Voor mijn vak, de oudheidkunde, ontbreekt die vervolgliteratuur echter. We hebben alleen de simpele eerste kennismakingen en de wetenschappelijke literatuur, terwijl het tussenniveau vrijwel afwezig is. Er valt daardoor zelden iets te beleven voor lezers die wel de middelbare school hebben afgemaakt maar geen doctor in de letteren zijn. (Een prettige uitzondering is De eerste wereldtaal. De geschiedenis van het Aramees van Holger Gzella, dat weliswaar op 8 augustus verschijnt maar waarvan ik de PDF toevallig al heb gelezen.)

Kortom, ik verwacht van een boek over de oude wereld dat het in evenwicht is en dat de argumentatie deugt. Daarnaast neem ik het zojuist genoemde advies over en verwacht ik dat de auteur óf uitlegt hoe hij is gekomen tot zijn reconstructie óf verwijst naar literatuur op het tussenniveau.

Evenwicht, argumentatie en onderbouwing dus. Dit drietal is in mijn optiek belangrijker dan een vierde criterium: de stijl van een boek. Je kunt daarover van mening verschillen natuurlijk. Ik heb althans weleens een bespreking in het Historisch Nieuwsblad gelezen waarin een boek werd afgebrand met als enige argument dat het slecht was geschreven.

Wat voorafgaat

Aan de recensie gaat nog iets vooraf: de keuze of je een boek überhaupt moet bespreken. De belangrijkste reden om een boek te negeren is de aanwezigheid van de geboden informatie op het internet. Dan is het boek immers overbodig en er zijn heel veel boeken zonder meerwaarde. Toch is het boek, als medium, nog niet dood. Er zijn nog steeds auteurs die een gestructureerde inleiding bieden tot een voor de lezer niet vertrouwd onderwerp. Het boek van Gzella dat ik zojuist noemde, biedt zo’n overzicht. Een ander voorbeeld is Oudheid als ambitie van Enenkel en Ottenheym, een boek over de omgang met oudheden in de Vroege Nieuwe Tijd. Beide boeken voegen iets toe aan het al bestaande informatieaanbod.

Als een boek iets toevoegt, is het bespreekbaar. De tweede vraag is of ik degene ben die het moet bespreken. Ik schrijf bijvoorbeeld wél over geschiedenisboeken maar niet over andere vakgebieden. Dit hangt overigens wel een beetje af van het medium. Ik ben geen taalkundige en zal dus in de krant niet schrijven over Gzella’s boek over het Aramees, maar ik zou er best een blogstukje aan kunnen wijden, zoals ik ook weleens blog over een vertaling die me plezier heeft gedaan.

Kortom: ik denk dat een recensent even moet nadenken of hij een boek wel beoordelen kán. Sta me op dit punt echter een digressie toe. Je zou denken dat elke schoenmaker zich bij zijn leest houdt, maar dat is helaas niet zo. Voor mijn vakgebied is het echt een probleem dat iedereen meent erover te kunnen oordelen. Met vaak catastrofale gevolgen: ongehinderd door enige kennis typeerde Elsbeth Etty ooit Fik Meijers prul over Jezus als het werk van een “erudiete verteller”. Ik zou er een lief ding voor overhebben als redacties vooraf aan de recensenten van geschiedenisboeken – of althans boeken over oude geschiedenis – zouden vragen wat hun tentamencijfer was voor Theorie van de Geschiedenis. Als ze zo’n tentamen niet hebben afgelegd, kunnen ze in veel gevallen beter afzien van het bespreken van geschiedenisboeken.

Nog een reden om niet te recenseren: als je de auteur goed kent. Nu is dat in een klein wereldje als dat van de oudheidkunde moeilijk te vermijden, maar je kunt in overleg met de redactie een ander soort artikel schrijven. Zo heb ik het fotoboek Romeinen van Sjef Verstraaten, waar ik verschillende betrokkenen van kende, niet gerecenseerd maar gebruikt als aanleiding om het verschijnsel re-enactment uit te leggen. Ik sla ook weleens opdrachten af. Op mijn blog ben ik iets soepeler maar als ik aandacht besteed aan het boek van een bekende, geef ik een full disclosure. U denkt dat dit vanzelf spreekt, maar het is meer dan eens voorgekomen dat classici de boeken bespraken waaraan ze hadden meegewerkt (meer).

Scepsis

Zoals ik al eens eerder heb aangegeven is, met een lelijk woord, de kennisinfrastructuur voor de oudheidkunde ingestort. Zolang er geen uitleg is van het wetenschappelijk proces, kunnen mensen niet weten dat er wetenschappelijke methoden zijn, zullen ze blijven denken dat een professionele vorming niet noodzakelijk is, zullen amateurs soms goede en soms slechte geschiedenisboeken blijven schrijven en zullen redacties niet-specialisten blijven vragen daarover te oordelen. Het gevolg is dat er een wolk is van onjuiste informatie over de oude wereld. Het publiek selecteert daaruit wat het nodig heeft en wordt sceptisch over de rest, inclusief datgene wat wél verantwoord is.

Dit is uiteraard niet uniek voor de oudheidkundige disciplines en het antwoord is bekend: leg uit wat wetenschappelijke informatie beter maakt dan andere. Ik noemde Tussen onderzoek en samenleving al. Ik schreef toen dat hier op twee manieren invulling aan kan worden gegeven: we mogen verwachten dat de auteur van een boek over de oude wereld óf het filologische handwerk, de historische verklaringsmodellen en de archeologische methoden uitlegt, óf verwijst naar publicaties waarin zulke zaken staan uitgelegd.

Er is echter nog een andere tweedeling: er zijn sceptische en minder sceptische doelgroepen. Toen ik Mary Beards SPQR besprak voor een algemeen medium als het NRC Handelsblad, kon ik de bestaande scepsis niet negeren. Mijn vakterrein komt immers vaak met overdrijvingen en onwaarheden in het nieuws. Ik heb er dus op gewezen dat Beard wetenschapsscepsis voedt door haar vele niet in het boek onderbouwde claims. Zou ik hetzelfde boek daarentegen hebben besproken voor een tijdschrift als Hermeneus, dan zou ik een heel andere recensie hebben kunnen schrijven, aangezien de lezers van dat blad de waarde van de klassieke cultuur als vanzelfsprekend aannemen.

(Tussen haakjes: willen de klassieken een toekomst hebben, dan moeten we de Oudheid niet uitleggen aan de lezers van Hermeneus, maar de lezers van het NRC Handelsblad terugwinnen. We moeten dus tonen dat oudheidkundige disciplines wél relevant zijn, wél een wetenschap zijn en wél boeiend zijn. Een wetenschap die zich niet uitlegt op het tussenniveau, heeft geen belang meer.)

Ballen en sterren

Vaak eindigt een bespreking met het aantal sterren of ballen dat een boek waard zou zijn. Dit is problematisch. Op mijn leestafel ligt nu bijvoorbeeld een boek van een auteur die weinig ambitie heeft maar zijn laag-gestelde doelen wel haalt. Vanuit zijn perspectief bezien zou het boek vier of vijf sterren verdienen. Kijk ik vanuit het perspectief van de lezer van het NRC Handelsblad (hoogopgeleid, kritisch), dan is drie al veel. Een echte oplossing voor dit dilemma heb ik niet, al weet ik wel dat de recensent meer de belangen van de lezer moet dienen dan die van de auteur.

Het gebeurt slechts zelden dat een boek vanuit alle perspectieven goed is, maar zulke boeken zijn er wel. Het tweede deel van John Romers A History of Ancient Egypt vond ik heel geslaagd: de auteur maakt torenhoge ambities waar, de lezer krijgt een boek in handen dat hem serieus neemt en het gebodene is niet slechts de papieren versie van wat op het internet valt te vinden. Een goed boek over de Oudheid, het kan dus wel. Nog is niet alles verloren.

Kortom

Ik denk dat de lezer van de bespreking van een geschiedenisboek mag verwachten dat de recensent controleert of het voldoet aan de elementaire voorwaarden:

  • het moet in evenwicht zijn,
  • de argumentatie moet deugen en
  • het behoort óf uit te leggen wat het wetenschappelijk proces is óf naar vervolgliteratuur te verwijzen.

Of er überhaupt wordt gerecenseerd is afhankelijk van:

  • Heeft het boek een meerwaarde boven het internet?
  • Heeft de recensent een persoonlijke relatie tot de auteur?
  • Heeft de recensent de expertise om het boek te beoordelen?

De perfecte recensie bestaat ondertussen niet. Er zal altijd een subjectief element meespelen. Gelukkig is dat niet het laatste woord: zowel voor het geschiedenisboek zelf als voor de bespreking daarvan bestaan kwaliteitscriteria, die weliswaar veranderen en waarover valt te discussiëren, maar die in elk geval benoembaar zijn. Ik hoop dat ik dat in dit wat lang uitgevallen stukje heb kunnen uitleggen.

Wat ik maar zeggen wil: een zo niet redelijk dan toch onderbouwd oordeel komt mijns inziens tot stand door te kijken naar criteria als de hier genoemde en niet, zoals bij het songfestival, door te kijken naar wat anderen ervan denken. De kwaliteit van een boek over het verleden wordt niet bepaald bij meerderheid van stemmen.

[Even geen Methode op Maandag, al komt dit stukje thematisch toch in de buurt. Volgende week verder met die reeks.]

#herstelrecensie #recenseren

Recensie: Livius.Org

Nee, het is me niet in mijn bol geslagen, dat ik mijn eigen website ga recenseren, Livius.Org. Ik doe het bij wijze van experiment. De achtergrond is dat steeds meer mensen hun informatie halen van het internet, een medium dat veel voordelen biedt. Mijn Amerikaanse vriend Bill Thayer is bijvoorbeeld bezig de tekst van Diogenes Laertius online te plaatsen en daarbij kun je met één muisklik van de Engelse vertaling naar het Griekse origineel springen. Online-pagina’s zijn ook makkelijker doorzoekbaar dan die van een boek. Een ander voordeel van het wereldwijde web is dat je nooit ver verwijderd bent van illustraties, achtergrondinformatie of de abstracts van recente wetenschappelijke publicaties. Geen boek kan daar tegenop.

Ik heb al een paar keer geschreven dat een boek wél iets anders kan: in de ongedifferentieerde nevenschikking van online-informatie (©Kris Peeters) kan een boek orde aanbrengen. Voor ik een boek recenseer, kijk ik dus eerst, zoals ik al eens schreef, of het wel iets toevoegt. Niemand zit te wachten op wéér een biografie van een Romeinse keizer of wéér een vertaling van een Grieks toneelstuk. Allemaal al online aanwezig. Wat we daar niet hebben, zijn overzichtswerken als Holger Gzella’s De eerste wereldtaal.

Uit het enorme belang van het internet vloeit voort dat, als de boekenbijlagen van onze kranten relevant willen blijven, ze ook websites moeten gaan recenseren – al was het maar één website per week. Wat ik me daarbij voorstel, kan ik het beste tonen door mijn eigen site te bespreken. Geen zorgen, ik zal mijn eigen loftrompet niet steken. Nou ja, een beetje dan.

Permanente verbouwing

Voor wie zich bezighoudt met Oudheid, is de encyclopedische website Livius.Org een oude bekende, met alle voor- en nadelen van dien. Het voordeel van een site die in verschillende incarnaties al sinds 1995 “in de lucht” is en die, vóór de opkomst van de Wikipedia, de grootste oudheidkundige site ter wereld was, is dat ze diep geworteld is in het wereldwijde web en makkelijk wordt gevonden. Een ander voordeel is dat de links niet door AI maar ouderwets handmatig zijn aangebracht en dat bijvoorbeeld een verwijzing naar een koningin Arsinoë uitkomt bij de juiste Arsinoë en niet bij een van haar naamgenoten of een stad met die naam. Het nadeel van een oude site is echter dat we ons nog stevig bevinden in Web 1.0: tekst met wat kleine plaatjes, geen interactie met de bezoeker.

Ouderwets is ook de webmaster, Jona Lendering, wiens visie op zijn vak niet is veranderd sinds de jaren tachtig. Zijn website biedt dus de gehele Oudheid aan – Griekenland en Rome enerzijds, het Nabije Oosten anderzijds – en laat geen bewijscategorie onbehandeld. Deze breedte gaat onherroepelijk ten koste van de diepgang en er valt voor studenten aan een universiteit dan ook niets te halen. De breedte betekent bovendien dat Lendering onvermijdelijk nogal wat hooi op zijn vork neemt en het zal nog moeten blijken of dat te veel is of nét het maximaal menselijkerwijs mogelijke.

Ondertussen is wat Lendering in twintig jaar verzamelde in elk geval zonder parallel: hij schreef ruim 600 biografieën en beschreef ruim 500 antieke plaatsen, samen zo’n 2600 webpagina’s. Hij zorgde voor 1300 pagina’s met antieke bronnen, waarvan er sommige alleen op Livius.Org online zijn te vinden (in sterk verouderde HTML). Verder plaatste hij een kleine 8800 foto’s online, wat de komende zomer tot 80.000 zal oplopen. Het is allemaal gratis en de reclame is beperkt tot drie banners.

Hoewel Lendering samenwerkt met Vici en LacusCurtius, is Livius vooral een eenmansproject, wat het voordeel heeft dat er uit de honderden pagina’s een consistent beeld van de oude wereld oprijst. De klassieke cultuur en de twee volken die deze droegen, de Grieken en Romeinen, staan bij Lendering stevig in hun bredere context. Hij heeft bovendien de plekken waarover hij schrijft bezocht en gaat methodische vragen niet uit de weg

Lendering weet kaf en koren meestal redelijk te scheiden. Waar bijvoorbeeld de Wikipedia-lemma’s over de Late Oudheid zijn verschlimmbessert doordat de gebruikers meenden dat citaten van de achttiende-eeuwse auteur Edward Gibbon nuttig zouden zijn, weet Lendering hoe de oudheidkunde de afgelopen twee eeuwen aan kwaliteit heeft gewonnen en negeert hij een Gibbon geheel. Wat Lendering heeft bewogen om Zosimos online te plaatsen in een vertaling uit 1814, is een raadsel.

Tegelijk heeft het geen zin te ontkennen dat er grote nadelen aan Livius.org kleven. Het is onvermijdelijk dat bij een project van deze breedte een deel van de informatie in de afgelopen twintig jaar verouderd is geraakt. Belangrijker is het vaak ontbreken van annotatie, door Lendering achterwege gelaten op verzoek van de universiteiten, die beducht waren dat de pagina’s van Livius.org als werkstukken zouden worden ingeleverd.

Ook technisch valt er nog wat op aan te merken. De menu’s werken niet altijd even goed en de zoekfunctie is traag. Daaraan wordt echter gewerkt. De website lijkt wel permanent in verbouwing. Filmpjes en interactiviteit zijn niet voorzien. Ten opzichte van de Wikipedia is Livius vooral nuttig om het unieke beeldmateriaal, maar het staat te bezien of de website toekomst heeft.

Sterren: 3/5

***

Screenshot, typering van de site, opmerkingen over de kwaliteit van het aanbod, plaatsing ten opzichte van andere sites (Wiki), beoordeling van de techniek en het bedieningsgemak, sterke en zwakke punten: dat soort zaken zouden volgens mij in een bespreking van een website aan de orde moeten komen. En ik denk dat een krant daar best wat plaats voor mag inruimen. Een boekenbijlage moet een bijdrage leveren aan onze maatschappelijke discussies en niet afzinken tot bijlage bij de lifestyle-bijlage.

#journalistiek #LiviusOrg #recenseren

Ik heb het zó gehad met dit gebruik van het woord #recenseren. Als mensen in de media vandaag de dag zeggen dat ze iets of iemand niet recenseren, dan bedoelen ze: ik ben te laf om daar mijn mening over te geven.
Zég dat gewoon, dan gebruiken we het woord recensie voortaan weer voor wat het is.
Ik heb het zó gehad met dit gebruik van het woord #recenseren. Als mensen in de media vandaag de dag zeggen dat ze iets of iemand niet recenseren, dan bedoelen ze: ik ben te laf om daar mijn mening over te geven. Zég dat gewoon, dan gebruiken we het woord recensie voortaan weer voor wat het is.

𝗔𝘀𝘁𝗿𝗶𝗱 𝗛𝗼𝗹𝗹𝗲𝗲𝗱𝗲𝗿 𝗴𝗮𝗮𝘁 𝗯𝗼𝗲𝗸𝗲𝗻 𝗿𝗲𝗰𝗲𝗻𝘀𝗲𝗿𝗲𝗻: '𝗜𝗲𝘁𝘀 𝘄𝗮𝗮𝗿 𝗺𝗲𝗻 𝗯𝗹𝗶𝗷 𝘃𝗮𝗻 𝘄𝗼𝗿𝗱𝘁'

Astrid Holleeder (58) komt binnenkort met boekrecensies. De beslissing is onderdeel van Astrids voornemen om zichtbaarder te worden op social media om zo 'de stilte te doorbreken'. In De BLVD podcast vertelt Astrid, die onder constante bedreiging van haar criminele broer leeft,...

https://www.rtl.nl/boulevard/entertainment/artikel/5481684/astrid-holleeder-willem-miljuschka-gaat-boeken-recenseren

#AstridHolleeder #boeken #recenseren

Astrid Holleeder gaat boeken recenseren: 'Iets waar men blij van wordt'

Astrid Holleeder (58) komt binnenkort met boekrecensies. De beslissing is onderdeel van Astrids voornemen om zichtbaarder te worden op social media om zo 'de stilte te doorbreken'. In De BLVD podcast vertelt Astrid, die onder constante bedreiging van haar criminele broer leeft, over de diep gekoesterde wens om 'iets te worden waar mensen blij van worden'.

RTL Boulevard