Pontius Pilatus (4) Jezus

Jezus voor Pilatus, zesde-eeuws handschrift

[Dit is het vierde van zes blogjes over Pontius Pilatus. Het eerste was hier.]

Van de diverse gebeurtenissen uit het gouverneurschap van Pontius Pilatus is de rechtszaak tegen Jezus natuurlijk het best geattesteerd en het beroemdst. Er zijn niet minder dan vier onafhankelijke verslagen: in chronologische volgorde zijn dat het evangelie van Marcus, de Joodse Oudheden van Flavius Josephus, het evangelie van Johannes en de Annalen van de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus. De lijdensverhalen van de evangelisten Matteüs en Lukas zijn afgeleid van dat van Marcus, maar bevatten informatie die authentiek zou kunnen zijn.

Jezus’ vergrijp

Op het eerste gezicht is het vreemd dat de Joodse leiders, met name de hogepriester Kajafas, Jezus overdroegen aan Pontius Pilatus. Natuurlijk had Jezus het komende Koninkrijk van God voorspeld, en ook had hij op het Tempelterrein de banken van de geldwisselaars omvergeworpen, maar eschatologisch gespeculeer en vandalisme waren geen redenen voor een executie. Wie in de joodse Tempel de regels overtrad, kreeg stok- of zweepslagen.

We kunnen slechts speculeren over de reden van de uitlevering. Dat Jezus zich tijdens het nachtelijk verhoor had geïdentificeerd als de Mensenzoon die het Laatste Oordeel zou vellen, zal hogepriester Kajafas hebben ervaren als een mateloos en irritant bijgeloof, maar niet als werkelijk zorgwekkend. Een charismaticus die beweerde dat de eersten de laatsten zouden zijn en de laatsten de eersten, kon echter gevaarlijk grote menigtes op de been brengen, en dat was wel zorgwekkend. De Romeinse stedelijke elites waren doodsbang voor het grauw. (We weten dat Griekse concertredenaars het advies kregen om niet te vaak over de Griekse onafhankelijkheid te spreken omdat mensen het weleens letterlijk zouden kunnen nemen.) Een oproerkraaier van het platteland kon maar het beste worden uitgeschakeld, zal Kajafas hebben gedacht, en hij leverde Jezus uit. Misschien is dit wat er gebeurde.

Voor Pilatus was de claim dat Jezus “koning der Joden” was, vervolgens voldoende om hem te laten executeren: kruisiging was voor hoogverraad de normale straf. Weliswaar was een messias geen koning van Judea, maar een titel als “zoon van David” deed weinig om de indruk weg te nemen. Het eerdere oproer op het tempelplein bewees dat Jezus met geweld de macht had willen grijpen. Zo simpel zag het eruit voor een Romeinse bestuurder.

Het is zinvol hieraan toe te voegen dat Pilatus met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen Aramees sprak en dus de intern-joodse discussies niet kende. Hij was aangewezen op mannen als Kajafas, met wie hijzelf en zijn voorganger Valerius Gratus al jaren tot volle tevredenheid samenwerkten. Als Kajafas zei dat een messias een koning was, was er voor Pilatus geen reden om daaraan te twijfelen. En los daarvan: ook een Romeinse gouverneur behoorde tot de stedelijke elite, ook zo iemand had geen zin in een confrontatie met een kwade menigte.

Proces

Volgens onze oudste bron, Marcus, voelde Pontius Pilatus echter aan dat er iets niet in de haak was: “hij begreep wel dat de hogepriesters hem uit afgunst hadden uitgeleverd”.noot Marcus 15.10. Dit zou weleens kunnen zijn bevestigd door Flavius Josephus. Met zijn tekst, die bekendstaat als Testimonium Flavianum, is gerommeld, maar er is consensus over de reconstructie, die historisch logisch en taalkundig opvallend sterk is.

In die tijd leefde Jezus, een wijs mens. Hij verrichtte namelijk wonderlijke daden en was de leraar van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen. Daarom had hij veel Joden en ook veel Grieken als leerlingen. Toen hij door Pilatus, bij wie hij door onze leiders was aangeklaagd, was veroordeeld tot het kruis, weigerden die leerlingen hun liefde voor hem op te geven. Daarom is de naar hem “christenen” genoemde stam nog niet verdwenen.noot Flavius Josephus, Joodse Oudheden 18.63-64.

Dit is een merkwaardige tekst. In plaats van de aanklacht te noemen, noemt Josephus de aanklagers. Dit is des te opmerkelijker omdat de Joodse geschiedschrijver een hekel had aan opstandelingen, die hij verantwoordelijk hield voor de grote oorlog tussen de Joden en de Romeinen van 66-70. Gewoonlijk schept hij er plezier in over hun verdiende straf te schrijven. Dat hij nu de beschuldiging van hoogverraad onvermeld laat, suggereert dat hij twijfels had.

Dat de evangeliën ons een Pontius Pilatus tonen die niet overtuigd was van de schuld van de timmerman, viel uiteraard te verwachten. Marcus en Johannes laten onafhankelijk van elkaar zien hoe de gouverneur de Joden dwong om een deel van de verantwoordelijkheid te nemen: Pilatus verklaart dat hij geen schuld kan vinden en verwijst naar Jezus als “uw koning”, waardoor de bevolking van Jeruzalem wordt gedwongen te verklaren dat ook zij willen dat de man werd gekruisigd.

Een proces als onderhandeling

Het is denkbaar dat de gouverneur van de gelegenheid gebruik maakte om loyaliteitsbeloften te verkrijgen. De bewering van Johannes dat de Joden zelfs verklaarden “geen andere koning te hebben dan de keizer” zou een historisch feit kunnen zijn.noot Johannes 19.15. Pilatus heeft er misschien spijt van gehad dat hij een man moest kruisigen die onschuldig leek, maar hij kan dit hebben beschouwd als een aanvaardbare prijs voor de soepele samenwerking met de tempelautoriteiten.

Er speelt nog iets: we weten, zoals ik vorige week schreef, niet goed hoeveel speelruimte Pilatus had. Als het proces tegen Jezus plaatsvond in het voorjaar van 30 na Chr., kon hij rekenen op steun van de machtige praetoriaanse prefect Lucius Aelius Seianus in Rome. Vond het proces plaats in 33, dan stond Pilatus zwakker en kon hij door een menigte onder druk worden gezet met een argument als “als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer”.noot Johannes 19.12.

Of het Pontius Pilatus was die zocht naar loyaliteitstoezeggingen of dat de menigte hem dwong, valt niet te weten. Wel staat vast dat de bestuurder geen conflict zocht. De evangeliën documenteren dat hij respect toont voor joodse gebruiken. Elk voor zich zijn de voorbeelden weliswaar discutabel, maar de tendens is duidelijk.

  • Matteüs laat Pilatus zijn handen wassen,noot Matteüs 27.24. wat een farizees gebruik was.
  • Johannes schrijft dat Pilatus Jezus’ tegenstanders toestond om te spreken van buiten zijn hoofdkwartier, het Praetorium.noot Het betreden van het gebouw zou de joodse priesters verontreinigen, en dat vlak voor een religieus feest; Johannes 18.29.
  • Marcus en Johannes stellen onafhankelijk van elkaar dat Pilatus Jozef van Arimatea toestond de dode te begraven voor het begin van de sabbat.noot Marcus 15.43 en Johannes 19.38.

Vooral dit laatste is opmerkelijk omdat keizer Augustus had verboden dat mensen die waren geëxecuteerd op beschuldiging van hoogverraad, een normale uitvaart zouden krijgen. Pilatus’ toestemming oogt als de daad van iemand die religieuze gevoelens wil respecteren.

Andere arrestanten

Tot slot nog twee vreemde aspecten. Eén: we lezen nergens dat Pilatus Jezus’ aanhangers liet arresteren. Als hij werkelijk geloofde dat Jezus met geweld een koninkrijk wilde stichten, was dit ronduit onverantwoord. Als hij het idee had dat de executie van een plattelandsmessias de prijs was die hij voor de lieve vrede moest betalen, was het echter volkomen logisch.

Maar het vreemdste is dat Pilatus, op de dag waarop hij een man veroordeelde die op z’n kerfstok niet veel meer had dan een flinke rel, een man vrijliet die zeker wél schuldig was: Barabbas. We lezen het bij Marcus en Johannes, onafhankelijk van elkaar, wat een zekere betrouwbaarheid suggereert, maar het is raar. Dat een gouverneur elk jaar een veroordeelde crimineel zou vrijlaten, is immers ronduit bizar. Ik meen dat geen enkele wetenschapper het begrijpt, maar het is duidelijk wat de eerste christenen ervan dachten: het was ironisch dat een huns inziens onschuldige man was doodgemarteld, en een schuldige man was vrijgelaten.

[wordt over twee weken vervolgd]

#Barabbas #EvangelieVanJohannes #EvangelieVanMarcus #FlaviusJosephus #Jeruzalem #JezusVanNazaret #JozefVanArimatea #Judea #Kajafas #kruisiging #LuciusAeliusSeianus #messias #PontiusPilatus #PubliusCorneliusTacitus #TestimoniumFlavianum #ValeriusGratus

Stylometrie

Ik vroeg StableDiffusion een illustratie te leveren bij een blogje over stylometrie.

Over stylometrie heb ik weleens eerder geblogd, maar ik heb het thema nooit systematisch behandeld. Het is, zoals de naam eigenlijk al aangeeft, het meten van de stijl van een auteur. Die kan allerlei eigenschappen verraden. Als iemand vaker “gedaan hebben” schrijft dan “hebben gedaan”, is er een redelijke kans dat hij komt uit het oosten van Nederland. De verhouding tussen woorden als ik/mij/me en jij/je/jouw schijnt bij mannen en vrouwen niet dezelfde te zijn.

Vingerafdruk

Veel van dit soort zaken zijn vrijwel onbewust. Ik heb voor mezelf eens vastgesteld hoe vaak ik in mijn boeken een puntkomma gebruikte, en dat leidde tot een geloofwaardige grafiek, waarop je meteen herkende wanneer ik een goede meelezer kreeg die me bewust maakte van dit aspect van mijn schrijfstijl.

Elke schrijver heeft een stijl die zo uniek is als een vingerafdruk. Als je maar genoeg voorbeelden hebt van een oeuvre, is het mogelijk ook andere teksten  te identificeren die zo iemand heeft geschreven. Het is hoe Marek van der Jagt werd ontmaskerd als Arnon Grunberg en Robert Galbraith als J.K. Rowling. Los van de literaire toepassingen heeft dit soort onderzoek een forensische kant, zoals de identificatie van de UNA-bomber. En er schijnt eens een vluchteling te zijn geweest die asiel kreeg omdat hij stylometrisch kon bewijzen de auteur te zijn van anonieme artikelen waar de autoriteiten in zijn vaderland niet blij mee waren.

Lutosławski

Een van de eersten die hebben geprobeerd de stijl van een auteur te “vatten”, was de Poolse filosoof Wincenty Lutosławski (1863-1954), die in 1896 aantoonde dat Thrasyllus’ traditionele indeling van de dialogen van Plato niet correspondeerde met de historische volgorde. Een jaar later publiceerde hij The Origin and Growth of Plato’s Logic, waarin hij de conclusies ontsloot voor het Engelstalige publiek.

Lutosławski’s methode was als volgt. Het Grieks kent de woorden ὥσπερ en καθάπερ, die je allebei als “zoals” zou kunnen vertalen, en hij stelde de onderlinge verhouding vast. Ook zijn er de twee werkwoordsvormen die je kunt weergeven als “ze zeiden”, εἶπον en ἔλεγον: opnieuw stelde hij de verhouding vast. Kijkend naar vijfhonderd van dit soort eigenschappen, kon Lutosławski bepalen hoe Plato’s stijl zich in de loop der jaren ontwikkelde en kon hij de volgorde van diens dialogen vaststellen. En dus de ontwikkeling van zijn denken over logica, waar het hem om te doen was.

Je kunt zulke scores natuurlijk ook gebruiken om vast te stellen of een tekst wel behoort tot het corpus van deze of gene auteur. Zo is van twee paragrafen Herodotos vastgesteld dat het inlassingen zijn. Ze wijken te veel af van andere paragrafen.

Woordfrequenties

Lutosławski’s werk was gebaseerd op de verhoudingen tussen taaluitingen. Een heel andere benadering gaat uit van de frequenties waarmee bepaalde woorden voorkomen. Zoiets kan beginnen met een zinslengte. Simon Vestdijk schreef langere zinnen dan Renate Dorrestein. Zelfs een auteur die houdt van variatie en korte zinnen afwisselt met lange, heeft bepaalde voorkeuren. Je kunt ook turven hoe vaak woordjes als δέ voorkomen als derde woord in een zin. Dat soort dingen.

In het verlengde hiervan ligt het gebruik van bepaalde woorden: vermoedelijk het meest herkenbare aspect van iemands taalgebruik. Ruud Lubbers gebruikte nogal eens de uitdrukking “werkende weg”, wat een aanwijzing zou kunnen zijn als nog eens een tekst opduikt van een ongeïdentificeerde Nederlandse premier. Omdat dit zo makkelijk herkenbaar is, is dit ook het eerste wat een vervalser zal doen, dus dit is op zich niet zo’n heel sterke manier – tenzij de stylometrist verschrikkelijk veel woorden onderzoekt en vooral let op halfbewust gebruikte woorden als “toch”, “wel”, “maar”, “nou” of “even”. Uiteraard is dit te combineren met Lutosławski’s aanpak: denk maar aan de verhouding tussen “even”, “effe” en “eventjes”, of de verhouding tussen “nu” en “nou”.

Mede dankzij dit type onderzoek is van een gereconstrueerde versie van het ooit omstreden Testimonium Flavianum vastgesteld dat die correct moet zijn. Veel woorden die heel typisch zijn voor de auteur, Flavius Josephus, kwamen voor in de juiste frequentie. De gereconstrueerde versie was overigens kort, dus het stylometrische argument was er één onder meer.

Naamvallen en verbuigingen

Hoe meer frequenties en verhoudingen je onderzoekt, hoe scherper het beeld wordt, en gelukkig hebben classici – om ons even tot de antieke literatuur te beperken – sinds ongeveer 1990 de beschikking over gedigitaliseerde bestanden. Helaas doet zich hierbij een probleem voor waarvan we bij het bovenstaande nog geen last hadden: in een computer gebruik je een zoekstring, maar woorden komen voor in allerlei vormen, die een mens maar een computer niet herkent. Een computer zal “ik zal” en “jij zult” niet meteen herleiden tot vormen van hetzelfde werkwoord “zullen”. Er is bij computergebruik dus een voorbewerking nodig, die niet makkelijk is.

Je kunt echter van de nood een deugd maken en bijvoorbeeld kijken welk percentage woorden begint met een bepaalde letter, of hoe vaak een woord eindigt op deze of gene letter, of hoe vaak een bepaalde klank voorkomt op de op één na laatste plaats. Dit zijn manieren om in algemene zin – dus zonder te kijken naar welke woorden je precies kijkt – het gebruik van naamvallen en verbuigingen “in een getal te vangen”. Ook dat is immers een aspect van iemands stilistisch handtekening.

Enfin. Ik brei hier een einde aan mijn blogje. Het is zondagavond, ik heb ook andere dingen te doen. Ik noem echter nog even dat dit type onderzoek voor de Historia Augusta belangrijk is geweest (geen zes auteurs maar één auteur) en dat het nog niet zo eenvoudig is gebleken uitspraken te doen over de brieven van de apostel Paulus. Van een deel weten we zeker dat ze authentiek zijn, van andere wordt het in uiteenlopende mate betwijfeld, met nog geen totale consensus. En dat is logisch, want een brief is maar een brief – kort. De verzameling data is niet voldoende groot.

PS

De universiteit van Antwerpen had jaren geleden een online-programma waar je teksten kon invoeren en kon zien wat de computer ervan maakte. Over die versie blogde ik eens. Inmiddels is er een betere versie.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

#ArnonGrunberg #FlaviusJosephus #GriekseTaal #HistoriaAugusta #JKRowling #Plato #stylometrie #TestimoniumFlavianum #Thrasyllus #UNABomber #WincentyLutosławski