Eneco stelt de verkeerde vragen over kernenergie
Energiebedrijf Eneco publiceerde deze week zijn zesde 'Koersverlegger', met een pleidooi voor het behoud van marktwerking in de energietransitie. De zorg over de toenemende rol van de staat in de energiemarkt is begrijpelijk, en op onderdelen terecht. Maar door kernenergie vooral als een marktordeningsvraagstuk te framen, mist Eneco de kern van de kwestie.
De observatie dat marktprikkels cruciaal zijn voor een betaalbaar en robuust energiesysteem is niet onjuist. Overheidssturing moet gepaard gaan met transparantie, efficiëntie en publieke verantwoording. De kritische kanttekeningen bij de snel groeiende budgetten van staatsbedrijven als Gasunie en Tennet, en de mislukte ervaring met het Warmtebedrijf Rotterdam, zijn relevante waarschuwingen die serieus genomen moeten worden.
Eveneens terecht is de oproep om tijdig een marktmodel te ontwikkelen rond kernenergie, zodat niet alle risico's onbeperkt bij de belastingbetaler terechtkomen. Dat is precies de vraag die het publieke debat nu zou moeten domineren.
Wat Eneco echter onvoldoende adresseert, is dat de markt haar oordeel over kernenergie al lang heeft geveld: negatief. Niet vanwege overheidsinterventie, maar vanwege de kostprijzen, de bouwtijden, de financieringsrisico's en de onopgeloste kwestie van het kernafval. In het Verenigd Koninkrijk, Finland en Frankrijk zijn de kosten bij nieuwe kerncentrales consequent twee tot drie keer hoger uitgevallen dan geraamd. De verwachte Nederlandse kostprijs van 20 tot 30 miljard euro voor twee kerncentrales is in dat licht waarschijnlijk een onderschatting.
Dit zijn geen marktimperfecties die met slimme contracten zijn op te lossen. Het zijn structurele kenmerken van de kernenergie zelf. Juist daarom is de vraag niet alleen hóe de overheid kernenergie organiseert, maar óf de inzet op grootschalige kernenergie de meest verstandige besteding is van publieke middelen en politieke aandacht.
In de Koersverlegger van Eneco mist een serieuze vergelijking met de alternatieven. Wind, zon en opslag zijn inmiddels bewezen, schaalbaar en in kostprijs sterk gedaald. De 20 tot 30 miljard voor twee kerncentrales, die op zijn vroegst ergens in de jaren '40 stroom leveren, staat in schril contrast met wat datzelfde bedrag aan hernieuwbare capaciteit en netinvesteringen nu al zou kunnen opleveren.
Een constructief pleidooi voor marktprikkels in de energietransitie zou die afweging centraal moeten stellen. Eneco kan die discussie aan gaan, niet alleen over de marktordening rondom kernenergie, maar over de vraag welke technologieën de energietransitie het snelst, goedkoopst en veiligst vooruithelpen. Dat is de koerswijziging die Nederland werkelijk nodig heeft.
#Congestie #Staatssteun






