Romeins Halder

Hercules in actie (Romeins Museum, Halder)

Weinig musea zijn zo mooi gehuisvest als het piepkleine Romeinse museum in Halder: het ligt middenin een natuurgebied, als een bijgebouw van een landgoed dat in de zeventiende eeuw is aangelegd op een donk bij het Brabantse riviertje de Dommel. Aan de cour van het landhuis is een theehuis, waar het goed toeven is. Kortom: ideaal voor een fietstochtje.

Je denkt bij Romeins Nederland niet meteen aan het Brabantse platteland, hoewel er bij mijn weten al zeker veertig jaar systematisch onderzoek wordt gedaan, dat zich vooral richtte op grote landgoederen zoals Hoogeloon. Een bestaande boerderij is daar in de eerste twee eeuwen na Chr. uitgegroeid tot een buitenverblijf dat in Italië niet zou hebben misstaan. Er was zelfs een badhuis. Elders in Noord-Brabant zijn landelijke nederzettingen gedocumenteerd die meer het karakter hebben behouden van een IJzertijdnederzetting. Ook daar was de Romeinse nabijheid echter voelbaar.

Maar al vóór het zojuist genoemde onderzoek waren er gemotiveerde amateur-onderzoekers. Een daarvan was een katholieke geestelijke uit Sint-Michielsgestel, met de kloosternaam Celestinus, die belangstelling had voor archeologie en een collectie lokale vondsten bezat. Zo ontstond de documentatie van het Romeinse verleden van dit deel van Noord-Brabant. Paul Damen zaliger nagedachtenis, die het seminarie bezocht in Sint-Michielsgestel, vertelde me ooit eens dat tijdens zijn jeugd sporen van een Romeinse weg waren ontdekt, en ik vermoed dat hij dat van die pater Celestinus gehoord zal hebben.

De klei van de Dommel was bruikbaar voor pottenbakkers. Er zijn hier twee kleikuilen geïdentificeerd, een oven uit de tweede helft van de eerste eeuw na Chr., een half dozijn waterputten, enkele afvalkuilen en een Romeins brandgraf. De misbaksels die bij elke oven worden gevonden, bewijzen dat er minimaal één pottenbakker was die werkte op een draaischijf.

Hercules-inscriptie uit Ruimel (RMO, Leiden)

Het museum toont ook een enorm voorraadvat, wat archeologen een dolium noemen. Even stroomopwaarts is in Ruimel een inscriptie (EDCS-11100861) gevonden ter ere van Hercules Magusanus – u mag zelf bedenken of dat een syncretisme is van een Romeinse en een lokale god of een lokale verschijningsvorm van de Mediterrane mannetjesputter. Het origineel is in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, maar Halder heeft een mooie replica.

Kortom, Romeins Halder was een rivierdorpje met wat pottenbakkersnijverheid. Dat die enige welvaart bracht, is gedocumenteerd met oranjerode terra sigillata. Het is vermoedelijk toeval dat het museum een stuk toont waarop Hercules is te zien (zie boven), die op het punt staat met zijn knots een tegenstander de kop in te slaan. Een museumstuk dat mijn aandacht trok, was een zegelring waarop twee kentauren of hippokampen staan afgebeeld.

Zegelring (Romeins Museum, Halder)

Het museum is niet groot, eigenlijk maar één zaal met een stuk of tien vitrines. Een goede video introduceert de bezoeker tot dit deel van het Romeinse verleden. Het museum is niet altijd open, maar je kunt via de website een afspraak maken. Men maakt reclame met de slagzin “een klein museum met een groot verhaal”, en dat maakt men meer dan waar.

#Dommel #Halder #HerculesMagusanus #hippokamp #Hoogeloon #kentauren #keramiek #NoordBrabant #PaulDamen

Nog één keer: de wijzen uit het oosten

4QTestimonia, met teksten over de messias (Jordan Museum, Amman)

Ik heb al redelijk wat keren geblogd over Matteüs’ verhaal van de wijzen uit het oosten die naar Betlehem kwamen. Ik doe het vandaag nog één keer en dan houd ik ermee op, althans voor 2025.

Magiërs

Het door Matteüs voor de wijzen gebruikte Griekse woord is magos, en ik vertelde dertien jaar geleden al eens dat dat verwees naar religieuze specialisten uit Perzië. Probleem één: dat zijn geen sterrenwichelaars, hoewel we daar bij Matteüs wel mee te maken hebben. In het Grieks heten sterrenwichelaars soms mathematikoi, vaak chaldaioi en zo nu en dan astrologoi. Geen magoi. Speculaties dat de Perzische magoi aan sterrenwichelarij waren gaan doen toen de Perzen Babylonië hadden onderworpen, zoals geopperd door Mary Boyce, zijn vooral bedacht om dit probleem op te lossen.

Toch is de woordkeuze van Matteüs niet onlogisch. Magoi waren namelijk wel aanwezig als een machthebber ergens arriveerde. Ze zeiden dan gebeden, vaak staand bij een vuuraltaar waarop ze geurstoffen verbrandden. Aangezien Matteüs Jezus presenteert als koning, is hun aanwezigheid in zijn evangelie logisch. Maar hij presenteert ze dus niet in de eerste plaats als sterrenkundigen.

De ster

Dan is er die ster. Dat is, om zo te zeggen, het beeldmerk van de messias. Sinds de vroege eerste eeuw v.Chr. – eigenlijk zolang als het messianisme bestaat – dacht men dat het vers uit Numeri 24.17:

Een ster komt op uit Jakob,
een scepter uit Israël.
Hij verbrijzelt Moab de slapen,
de kinderen van Set slaat hij neer.

verwees naar de messias. Dat Matteüs hier echt naar verwijst, blijkt uit de precieze formulering: de magiërs zeggen tegen koning Herodes “Wij hebben zijn ster zien opkomen”.noot De Statenvertaling “ster in het Oosten” gaat op dit punt de mist in. Met deze verwijzing maakt Matteüs duidelijk wat Jezus’ plaats is in de heilsgeschiedenis.

Citaten en allusies

Verder weeft hij nogal wat verzen uit de joodse religieuze literatuur door zijn betoog. Afgezien van het Numeri-citaat citeert hij letterlijk Micha 5.1, Hosea 11.1, Jeremia 31.15 (“Er klinkt een stem in Rama”) en Exodus 4.19, en alludeert hij aan Jesaja 60.6 en Exodus 1.16. Matteüs’ slotopmerking dat Jezus kwam te wonen in Nazaret om een profetie in vervulling te laten dat hij nazoreeër genoemd zal worden, verwijst naar een onbekend geschrift dat niet in de Bijbel is opgenomen. Het gaat om een woordspel: een nazoreeër is iemand uit Nazaret, is iemand die een gelofte heeft ingelost en verwijst naar netzer, “loot”, wat een ander messiaans motief is: zie Jesaja 11.1.

Ik som dit op omdat de aller-, allereerste vraag die we bij een tekstanalyse moeten stellen, die is naar het genre. Je kunt een roman niet lezen alsof het non-fictie is, een gedicht vergt een andere leeshouding dan proza, en toneel lees je hardop. In dit geval is de dichtstbijzijnde parallel de Dode Zee-rol die bekendstaat als 4QTestimonia, een bloemlezing uit de joodse literatuur die betrekking heeft op de messias. Matteüs heeft zulke citaten genomen en er een verhaal van geschapen.

Het verhaal is dus – ik vertel opnieuw wat ik al eens herhaalde – een literair spel. Het literaire vlechtwerk levert een gek verhaal op, met bijvoorbeeld een hoogst onlogische vlucht naar Egypte, die er vooral is om een Hosea-passage in vervulling te laten gaan. Het heeft dus niet zoveel zin te zoeken naar de ster van Betlehem, want dat is net zoiets als vragen wat die stem uit Rama heeft gezegd.

Niet alles is fictie

Dat Matteüs’ verslag van de geboorte van Jezus is geschreven op de wijze waarop joodse religieuze teksten destijds in elkaar zaten, wil overigens niet zeggen dat alles fictie is. Door wat citaten uit liedjes van Taylor Swift te combineren, kun je een feitelijk accuraat verslag schrijven van de ochtend in januari waarop je de kerstverlichting hebt opgeruimd. Zoals ik al eens schreef, kan de historicus een antieke tekst nooit zomaar helemaal letterlijk nemen maar is het ook verkeerd aan te nemen dat alles literaire fictie is.

Wat ik hierboven vertel, heb ik in diverse stukjes allemaal al weleens uitgelegd. Ik maakte deze samenvatting op verzoek van de onlangs overleden journalist Paul Damen, die hierover nog eens een stuk wilde schrijven en informatie bij me kwam vragen. Maar toen ik het op een druilerige zondagmorgen samenvatte, viel me iets op.

Heidense wijzen

De joodse religieuze literatuur verwijst weleens naar de magiërs, zoals in Daniël 2.2 en in Filon van Alexandriës Leven van Mozes 1.264. De magiërs zijn strijk en zet dwazen, die het eigenlijk niet snappen. Het zijn geen wijzen uit het oosten, maar onwijzen. De Griekse auteur Herodotos denkt er precies zo over. De Joodse precedenten van Matteüs zijn, als ik het goed zie, wel negatief, maar nog vér van de latere typering van magiërs als bedriegers.

In eerste instantie dacht ik dat Matteüs wilde zeggen dat de dwazen het licht zagen opkomen dat koning Herodes tot elke prijs wil doven. Dat zou, dacht ik, dezelfde omkering zijn die we bij Lukas aantreffen: herders, die spreekwoordelijke outcasts van de antieke samenleving, zijn daar de eersten die op de hoogte zijn van goed nieuws. Veel christelijker kon het niet, leek me, als de laatsten de eersten waren.

Gert Knepper, die weleens op deze blog schrijft en die ik altijd om advies kan vragen, had een betere uitleg van het curieuze gegeven dat Matteüs magoi presenteert die er in de joodse religieuze literatuur slecht vanaf komen. Hij attendeert erop dat de magiërs in Daniël het niet snappen doordat hun wijsheid tekortschiet in vergelijking met de inzichten die de joodse religie biedt. In het Matteüs-evangelie concluderen ze echter op grond van hun beperkte wijsheid correct dat er een Joodse koning is geboren.

Zo’n presentatie – het zijn heidenen maar wel goede heidenen – past prima, zowel aan het einde van de eerste eeuw v.Chr. als in de eerste eeuw na Chr. In het eerste geval past het omdat het jodendom een steeds bredere definitie was gaan definiëren van het Verbondsvolk (vgl. het blogje van 24 november); in het tweede geval omdat het christendom eind eerste eeuw na Chr. steeds meer heidense aanhangers kreeg.

Kortom, er is aan de Kerstverhalen nog een hoop te ontdekken, maar voor 2025 vind ik het wel mooi geweest.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#4QTestimonia #Daniël #EvangelieVanLukas #EvangelieVanMatteüs #Exodus #FilonVanAlexandrië #HerodesDeGrote #HoseaProfeet_ #Jeremia #Jesaja #magiërs #MaryBoyce #messias #Micha #NieuweTestament #PaulDamen #Statenvertaling #SterVanBetlehem #TaylorSwift

Iraniërs in Betlehem - Mainzer Beobachter

Wie waren de "wijzen uit het oosten"? Het lijkt een simpel verhaal maar is verdraaid complex.

Mainzer Beobachter