Deel 2: Rondom Dao, een kritische bespreking van de Dao-trilogie van Woei-lien Chong

In deze bespreking ga ik kort in op de beide eerste delen van de trilogie met meer aandacht voor het laatste deel. Een uitgebreidere bespreking van Rondom Dao vindt u in Civis Mundi 155 van februari 2025 bij Filosofie, Daoïsme.

Tekst Ben Zondervan

Filosofie met de Vlinderslag is het eerste deel van Chongs trilogie over het daoïsme. Chong benoemt de mystieke ervaringsleer van Lao Zi en Zhuang Zi – de ‘leer zonder woorden’- tot ‘filosofie’ en besteedt daar zeer veel woorden aan.

In dit eerste deel beziet Chong de leer van Lao Zi vooral door de bril van de contemplatieve psychologie zoals uiteengezet door Han de Wit. Duintjer, prominent aanwezig in de beide andere delen, wordt hier slechts een enkele maal genoemd en in een aantal voetnoten. De nadruk ligt op de meditatieve teksten in de Dao Deh Jing en de Zhuangzi. Op P.58 en P.62 alleen al vindt u twee paragrafen over meditatie bij Lao Zi, resp. De ‘terugkeer naar het open bewustzijn’ en Meer aanwijzingen voor de meditatieoefening.  “…in aforisme 52 (DDJ H.52) blijkt, dat het ervaren van het bewustzijn-als-zodanig de culminatie is van meditatieve oefeningen die worden aangeduid als ‘het dichtstoppen van de openingen’ en het ‘sluiten van de poorten’.” “Het bewustzijn onderbreekt tijdelijk het contact met de zintuiglijk waarneembare wereld om, zoals beschreven in Laozi 14 (DDJ H.14), meditatief terug te keren naar de ‘objectloze staat’.” (p.63). M.i. staat deze uitspraak haaks op de lichaamscultuur van het vroege daoïsme zoals Chong dat in de beide andere boeken van haar trilogie propageert.

Chong kan zich nog niet losmaken van het paradigma van het vroege daoïsme als politieke filosofie: “Maar zoals bekend is de Dao Deh Jing ook een handleiding voor het regeren van het rijk: Lao Zi wilde, net als andere filosofen … de toenmalige politieke elite ervan overtuigen dat zijn contemplatieve leer de sleutel was tot het ultieme politieke en bestuurlijke succes.” (p.76).

Maar Lao Zi was net als Zhuang Zi geen filosoof maar een Mysticus, meditatie-leraar, gezien de vele uitspraken over het ‘mysterie van de Dao’ en meditatie in de Dao Deh Jing. Denk ook aan de anti-filosofie in de vele gesprekken van Zhuang Zi met zijn vriend, de filosoof Huizi!

In het deel van dit boek waarin Chong Zhuang Zi en het op zijn naam staande boek de Zhuangzi behandelt staat onder meer een uitstekende uitleg in het vijfde hoofdstuk ‘Zhuang Zi’s diagnose van het bewustzijn’ over de ‘Kun-vis’ en de ‘Peng-vogel’. Ook o.a. de paragrafen in het tiende hoofdstuk over het ‘vasten van het hart’ en ‘zitten en vergeten’ zijn zeker de moeite waard.

Interessant zijn ook de teksten over het daoïstische begrip wuwei en de ontvangst daarvan in het Westen. Op wuwei kom ik in een apart kritisch artikel in een volgend nummer van Civis Mundi nog terug.

Een uitgebreide boekbespreking van de ‘Vlinderslag’ vindt u in Civis Mundi 95.

Leren Laveren

Het tweede deel van deze trilogie, Leren Laveren, is moeilijk leesbaar doordat Chong constant verwijst naar het eerste en het (indertijd nog niet verschenen) derde deel van deze trilogie. Het is alleen goed te lezen – te bestuderen – voor wie beschikt over alle drie de delen én de teksten van de Dao Deh Jing in een recente vertaling én de Zhuangzi bijvoorbeeld zoals vertaald door Kristofer Schipper. En daarnaast ook nog eens de drie boeken van Duintjer die in het eerste deel van dit artikel genoemd worden!

Het boek bevat een aantal paragrafen over Duintjers ‘Rondom’, terwijl deze nauwelijks genoemd wordt in de Vlinderslag. Chong geeft aan dat in de Zhuangzi ‘verschillende namen gebruikt worden voor de elementaire ruimte die Duintjer “het Rondom” noemt, o.a. “Hundun” en “Het centrum” (zhong yang). In zijn dialogen met zijn vriend de filosoof Huizi zet hij weer andere termen in, zoals “Nergensland”, en “Het Veld van de Wijde Wildernis”, die eveneens openheid en wijsheid suggereren. Al deze namen zijn omschrijvingen van de nu eenmaal onbenoembare Dao!

Ook hier weer wordt de nadruk gelegd op de politieke filosofie van Lao Zi en Zhuang Zi alsof deze adviseurs waren van de toenmalige heersers. En dat terwijl Zhuang Zi desgevraagd categorisch weigerde een positie aan het Hof te aanvaarden; zie de Zhuangzi H.17 V, VI en H.32 XII.

Schipper benadrukt al in de inleiding van zijn vertaling van de Zhuangzi: “Nergens in de geschriften vindt men aanwijzingen van politieke doeleinden of van een vorstelijk mecenaat, anders dan om er de gek mee te scheren.” Dezelfde afwijzing van politieke betrokkenheid geldt ook voor de daoïstische kluizenaars die de leer van Lao Zi mondeling doorgaven zoals door Jan de Meyer vermeld in De weg terug. Een uitgebreide bespreking van Leren Laveren staat in Civis Mundi 148.

Rondom Dao, De filosofie van Otto Duintjer als wegwijzer naar Lao Zi en Zhuang Zi
(Deze bespreking is gebaseerd op het artikel in Civis Mundi 155.)
In het derde deel van deze Trilogie, Rondom Dao, gaat Chong dieper in op de ‘transcendente’ filosofie van Duintjer.

Voorwoord

Hierin vertelt Chong dat ze al in de in de Filosofie met de Vlinderslag ‘intensief gebruik maakte van Duintjers wijsgerige terminologie om het vroege daoïsme toegankelijk te maken.’ (p.11)

Verder stelt Chong dat het in de Filosofie met de Vlinderslag “helaas aan de ruimte ontbrak om in te gaan op Duintjers eigen filosofie.” (p.11). Ze beperkt zich in dat boek dan ook tot tien voetnoten en twee stukjes tekst, de terminologie van Duintjer komt nauwelijks aan de orde.

Chong stelt dat zowel de spirituele weg van Duintjer als het vroege daoïsme gekenmerkt worden door drie overeenkomstige uitgangspunten: een meditatieve inkeer, lichaamswerk en maatschappelijke betrokkenheid. Voor Duintjer is dat juist, maar voor wat betreft de leer van Lao Zi en Zhuang Zi heb ik mijn bedenkingen bij het lichaamswerk (Niets zien, niets horen, vasthouden aan je geest in stilte en je lichaam wordt vanzelf weer goed – Zhuangzi H.2 III) en maatschappelijke betrokkenheid; zie de DDJ H.77; uit deze tekst blijkt wel maatschappijkritiek, bijv. ‘De weg van de mensen bestaat eruit weg te nemen van hen die een tekort hebben ten bate van degenen die al in overvloed leven.’

Inleiding

Zhuang Zi en Duintjer onderscheiden beide het verschil tussen het ‘persoonlijke ik’ (‘de wereld der 10.000 dingen manifesteert zich tegelijkertijd met het persoonlijke ik, wo’) en het ‘oorspronkelijke ik’, het Zelf, het zijn als een (ongeconditioneerd) kind. Door het volgen van een spirituele weg kan dat ’kind’ weer bereikt worden (zie bijv. DDJ H.10).

Chong wijst erop dat ‘Wie vooral in het daoïsme is geïnteresseerd kan desgewenst volstaan met een cursorische lezing van Hoofdstuk 4,8 en 9.’ Na lezing blijkt echter dat H.4 vooral over regelgeleid gedrag gaat. H.8 en H.9 gaan over de filosofie van Kant. Vooral in H.6 komen ‘daoïstische’ uitspraken aan de orde.

H.1 De levensweg van Otto Duintjer

Door het hele boek noemt Chong steeds weer biografische elementen over Duintjer. Voor een biografie van Duintjer verwijs ik u naar het artikel van Piet Ransijn over Duintjer in Civis Mundi 155. Een treffend citaat van Chong: “Duintjer maakte niet alleen een onderscheid tussen een voorpersoonlijke en een persoonlijke laag in de mens, maar hij stelt ook een diagnose, zowel van het individuele moderne bewustzijn, als de industriële samenleving als geheel; en tenslotte wijst hij wegen naar individuele en maatschappelijke zelfgenezing.” (p.53).

In een ‘eerste tussenstand’: Enkele inhoudelijke overeenkomsten met het daoïsme (p.54) over de overeenkomsten tussen Duintjer en het vroege daoïsme legt Chong weer de nadruk op ‘de centrale rol van het lichaamsgevoel op de spirituele leerweg’. Waar het gaat om het veranderende, meer open lichaamsgevoel door meditatie zullen Lao Zi en Zhuang Zi er geen probleem mee gehad hebben, maar lichaamsoefeningen zoals yoga, qigong en tai chi komen niet voor in hun oude geschriften. Mogelijk kwamen deze lichaamsoefeningen veel later mee met beoefenaren van Yoga uit India en/of met de verspreiding van het boeddhisme in China. Dat vond echter pas in de eerste eeuwen n.C. plaats, terwijl de oudste gevonden documenten met tekeningen van oefeningen gevonden zijn in het bekende graf in Mawangdui van rond 168 v.C.

H.2 Filosoferen vanuit het lichaam

Chong: “In de filosofie van het daoïsme en Otto Duintjer is echter niet het discursieve intellect, maar het lichaamsgevoel de belangrijkste poort tot het ervaren van de werkelijkheid.”

Mag dat dan nog wel filosofie heten? Voor de filosoof gaat het bij uitstek om het denken! Naar mijn mening is het laten vallen van het intellect, van het denken – het legen van het ‘hart, de mind’-, eerder spiritueel, meditatief, dan filosofisch. Je kunt meditatie beter beoefenen dan erover filosoferen zoals Duintjer deed en nu Chong doet! Helaas maak ik mezelf er door het schrijven van o.a. dit artikel ook schuldig aan…

In een ‘tweede tussenstand’, ‘meer overeenkomsten met het daoïsme’ (p.69), wordt vermeld dat de oefenwegen van Duintjer en het vroege daoïsme beide ‘de cultivering van zowel het energetische als het empirische lichaam omvatten’. Interessant is ook dat Chong stelt dat beide leerwegen ‘behalve tot een betere gezondheid kunnen leiden tot een mystieke eenheidservaring en/of paranormale vermogens’. Duintjer en ‘Lao-Zhuang’ delen echter het standpunt dat dit slechts bijverschijnselen zijn, niet de kern waar hun vorm van spiritualiteit om gaat’. (p.69). Volgens Chong: Duintjer en Lao-Zhuang ‘richten zich er vooral niet op om al mediterend van de aarde weg te zweven’.

H.3 Spiritualiteit en levensbeaming

Wat bedoelt Duintjer met spiritualiteit? ‘In plaats van je terug te trekken in een virtueel wereldje, word je uitgenodigd om steeds meer open te gaan voor het proces waarbij de werkelijkheid zich per moment aandient’ wat Duintjer het ‘manifestatiegebeuren’ noemt en het daoïsme (volgens Chong) ‘Dao’ of ziran, dat wat ‘vanuit zichzelf is zoals het is’. Spiritualiteit is dan synoniem met ‘levensbeaming’. (p.78).

“Het leerproces dat Duintjer beoogt berust op dezelfde principes die we zien in bepaalde vormen van meditatie in het boeddhisme en daoïsme, en de moderne mindfulness die van boeddhistische meditatie is afgeleid. Bij deze praxis is het de bedoeling dat je in eerste instantie leert gewaar te zijn wat er tijdens het mediteren aan gevoelens en waarnemingen in je opkomt, zonder er een oordeel over te hebben, en zonder er iets aan te hoeven doen.” (p.79)

Na nog wat verdere toelichting en een stukje biografie over Duintjer komen we aan de ‘derde tussenstand’: ‘overeenkomsten met het daoïsme’: (p.89)

“Het gaat niet om een god of geloof; niet-dualistisch; het gaat niet om streven naar verlichting; maar om de cultivering van het lichaamsgevoel via meditatie.” (om een vollediger mens te worden?).

Dit lichaamsgevoel lijkt niet echt overeen te komen met het volgende citaat uit de Zhuangzi:

Niets zien, niets horen, vasthouden aan je geest in stilte
En je lichaam wordt vanzelf weer goed
Wees stil! Wees zuiver! Mat je lichaam niet af! (Zhuangzi H.11 III)

H.4 Rondom regels: over regelgeleid gedrag

Hier bespreekt Chong Duintjers boek Rondom Regels. In mijn bespreking van dit boek (zie Deel 1 van dit artikel hierboven) heb ik gekozen voor een directe vergelijking tussen teksten van Duintjer en teksten uit de Dao Deh Jing en de Zhuangzi. Chong kiest voor een meer filosofische aanpak voor een bespreking van dit boek van Duintjer en gaat dieper in op ‘regelgeleid gedrag’. Ze wijst op de overeenkomst met Zhuang Zi waar het gaat om de spelregels van de logica. Duintjer: “Het regelsysteem van de logica maakt logisch redeneren mogelijk, maar kan, zoals gezegd, zichzelf als systeem niet logisch funderen.” Volgens Chong: “Zhuang Zi’s sleutelterm xiaoyaoyou betekent dan ook niet ‘zwerven vrij en blij’ vanuit hedonistische lichtzinnigheid, zoals zo vaak gedacht, maar vanuit het inzicht, dat elke poging om het bestaan te baseren op gronden en funderingen tijdverspilling is”. (p.111).

H.5: De persoonlijke identiteit en het oorspronkelijke zelf

Volgens Duintjer is de persoonlijke identiteit niet ons ‘enige’ zelf. Dit is ontwikkeld binnen een veel grotere ruimte, het ‘oorspronkelijke zelf’ waarmee we geboren zijn. Duintjer doorbrak deze persoonlijke identiteit in 1969 tijdens uitredingservaringen. In mijn eerste deel van dit artikel, Duintjer en de Dao, is al aangegeven dat de boodschap was: ‘It’s all right’, ‘a feeling of being absolutely safe’. Zhuang Zi zou zeggen: ‘gedragen worden door de Dao’. (p.120). Lao Zi: “Volmaakte schoonheid en volmaakt geluk.” (Zie Deel 2 hierboven).

Hoe ontstaat deze ‘persoonlijke identiteit’ of ego? Door conditionering tijdens de opvoeding, door scholing etc. Hoe komen we daarvan af? Door een oefenweg, ‘door zowel de binding aan het ‘men’ als ‘aan het ego’ te overwinnen; ‘dan maken we positief ruimte voor de ontplooiing van het prealabele zelf’. (p.127).

Chong en Duintjer komen hier dicht bij de uitspraken van Lao Zi over het ‘zijn als een kind’:

Ik alleen ben rustig en kalm, zonder verlangen, als een pasgeboren kind dat zelfs nog geen glimlach geeft (DDJ H.20)

Behoud je Deh, je inzicht in de Innerlijke Kracht
Met permanent inzicht in de Deh
keer je terug tot de staat van het pasgeboren kind (DDJ H.28)

H.6 De ‘stap achteruit’: distantie en zelftransformatie

Chong: “Duintjer nam zijn uittredingservaringen juist heel erg ernstig, en wilde naar aanleiding daarvan wijsgerig duidelijk maken dat, ten eerste, het maatschappelijk dominante ervaringsveld van werkelijkheid eindig is, en ten tweede, dat er zich rondom dat veld een oneindig open ruimte bevindt.” Dit is m.i. te vergelijken met de eerste uitspraken van Lao Zi in de Dao Deh Jing:

Wees permanent zonder begeerte, dan ervaar je
het diepe mysterie van het niet-zijn (de Leegte) – de oneindige open ruimte
Ben je constant vervuld van verlangen, dan zie je
alleen de uiterlijkheden (de Vorm) – het maatschappelijk dominante ervaringsveld

Duintjer geeft aan “dat je bereid moet zijn dit ego prijs te geven, het te laten sterven.” (p.139).

In Zen wordt dat de “Grote dood” genoemd; Zenmeester Hakuin:

Als je niet wilt sterven sterf dan nu!
Als je eenmaal sterft, de Grote Dood sterft,
Verlicht bent, de Dao hebt verworven,
in eenheid verkeert met de Dao, sterf je nooit weer! (Zie De Zenmeester die blafte tekst 74)

In de Zhuangzi zegt Ziqi van de Zuiderwal:

‘Dat is zo’, zei Ziqi, ‘Mijn zelf heeft mijn ego ten grave gedragen!’

“Duintjer noemt deze ommekeer… een ‘bekering of ‘tweede geboorte’. (p.140).

Maatschappelijke transformatie: in een aantal paragrafen behandelt Chong de volgens Duintjer noodzakelijke ‘maatschappelijke transformatie’. Daarvoor zijn nodig: 1. Een zeer efficiënt productie- en distributiesysteem 2. Gebaseerd op de grootst mogelijke solidariteit 3. Een zodanige levenshouding bij de deelnemers dat die genoegen nemen met het basaal noodzakelijke aan arbeid en consumptie.

Denkt Duintjer hierbij aan het kloosterleven, het utopisme of aan het marxistische communisme? Chong geeft niet aan waar een dergelijke transformatie bij Lao Zi of Zhuang Zi te vinden zou zijn.

De ‘Buik’

“Tijdens zijn out-of-body experiences, vertelde Duintjer aan Chong, bevond hij zich in een oneindig grote ruimte die tegelijkertijd samenviel met het kleinste punt. Dit kleinste punt zit in je buik”. Chong geeft terecht aan dat dit overeenkomt met Lao Zi die leerde om ‘het centrum te bewaren’, waarmee hij de buik bedoelde, of preciezer gezegd het energiecentrum in de buik dat in het latere daoïsme de dantian genoemd wordt. Je buik is het centrum van de alom aanwezige zone die zowel Duintjer als Zhuang Zi ‘het onuitputtelijke noemen’.” (p.148). Al in het derde hoofdstuk van de Dao Deh Jing wordt de ‘buik’ genoemd:

De Wijze beoefent op een natuurlijke manier
een helende methode van beheersing (van het Zelf)
Hij leegt zijn ‘Hart’, zijn denken/voelen, vult de ‘buik’,
verzwakt begeerte, versterkt zijn botten (DDJ H.3)

Naast deze parallel met de Dao Deh Jing laat Chong Duintjer in dit hoofdstuk verder filosoferen over o.a. manifestatiegebeuren, convergentiepunten en kritisch onderscheiden. In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk, Niemand woont in Nergensland, wijst Duintjer via Chong op de ‘innerlijke Nobody’. Ik citeer Lao Zi:

Begrijp dit: zolang er (nog) een iemand is,
is er sprake van spanningen en lijden
Als er geen iemand meer is, hoe kan er dan nog lijden zijn? (DDJ H.13)

H.7 Duintjer en de wijzen uit het Oosten

Chong geeft aan dat Duintjer in begin ’70 in contact kwam met de Oosterse spiritualiteit, o.a. door zijn yogaleraar, met de Advaita vedanta en de Franse mysticus en yogaleraar leraar Jean Klein. Hij las werken van Ramana Maharshi, Nisargadatta e.d. Hij werd aangetrokken door de eenvoud en radicalisering in het proces van zelfonderzoek. Later betreurde hij de autoriteit bij sommige goeroes. Duintjer had ook kritiek op de eenzijdige gerichtheid op ‘verlichting’.

Chong: “Duintjers oefenweg, net als die van Lao-Zhuang, is nadrukkelijk gericht op het deconditioneren en verinnigen van de relatie met het Aardse, niet op het verlaten van de aardse betrekkingen in een streven naar een kosmische eenheidservaring als doel op zich.”

Volgens Chong “kenden Duintjer en Lao-Zhuang het gevoel dat lichaam en aardse bindingen wegvallen tijdens diepe meditatie, maar ze kozen ervoor om daarna weer met beide benen op de grond te landen, volop te functioneren in de empirische wereld.” (p.163).

Voor Duintjers filosofie klopt dit, maar ik ben benieuwd wat het gros van de daoïstische kluizenaars en de eerste zenmeesters ervan gezegd zouden hebben dat het bij hun meditatie niet in de eerste plaats om verlichting ging! De Boeddha werd verlicht juist toen hij alles, ook zijn lichaamsoefeningen liet vallen… Zenmeester Dogen: ‘laat lichaam en geest vallen!’.

Duintjer was blijkbaar ook kritisch over de advaita-leraar Douwe Tiemersma die zich volgens hem te veel richtte op de “eenwording door via het energetische lichaam weg te bewegen van het aardse.” Duintjer stond op het standpunt: “niet het oneindige willen ervaren, maar het eindige ervaren in oneindige openheid”. (p.65).

Chong stelt dat een lichaamsgerichte oefenweg, “het zich centreren in het fysieke lichaam…, ook kenmerkend is voor de methode van Lao Zi en Zhuang Zi. Niet voor niets leert Lao Zi de beoefenaar om ‘het centrum (de buik) te hoeden (shou zong).” (p.168).  Dan zou je de op de ‘buik’, op de ‘Hara’ gerichte Zenmeditatie ook als lichaamsgerichte oefenweg moeten zien?

In 1983 distantieerde Duintjer zich van Babaji, zonder overigens totaal met hem te breken.

Chong beschrijft dat Duintjer in 1984 bij een bezoek aan India eerst wekenlang in een uitzonderlijke meditatieve toestand verkeerde, maar later in een ‘demonische sfeer’ terecht kwam: “Hij had het gevoel, zei hij, dat hij zich voor het eerst van zijn leven in een rechtstreekse, dus niet louter psychische, confrontatie bevond met demonische krachten”. (p.172). In Zen worden dergelijke verschijnselen ‘makyo’ genoemd. Vooral het Tibetaans boeddhisme besteedt hier veel aandacht aan.

Het hoofdstuk eindigt met een kritische beschouwing over Bhagwan (Osho).

Chong: “Zijn conclusie was dat seculiere en spirituele leraren wel degelijk kunnen spreken vanuit de woordloze dimensie die hij aanduidt als ‘de Onuitputtelijke bron’, net als begaafde kunstenaars, wetenschappers, filosofen etc. Mensen kunnen inderdaad op allerlei verschillende manieren ‘geïnspireerd’ en ‘inspirerend’ zijn omdat ze hun tijd en plaats in een bepaald opzicht ontstijgen.” (p.182). Met de nadruk op ‘in een bepaald opzicht’. Volgens Duintjer “staat ieder mens altijd zelf al rechtstreeks in contact met de Bron van waaruit de meester spreekt.” (p.183).  Je zou kunnen zeggen: de Dao is overal, hier nu, maar door je conditionering, (de ‘boeien en kluisters’ zoals genoemd in de Zhuangzi) is de Dao verborgen voor je. Duintjer zou zeggen dat het daarbij gaat om “de capsule waarin veel moderne mensen in het Westen, sinds de tijd van Descartes en Kant, zich in bevinden”, door hem ‘het rationeel-empirische bewustzijn’ genoemd.” (p.185). En vooral over Kant gaan dan de volgende twee hoofdstukken.

H.8: Duintjers vroege visie op Kant

Volgens Chong geeft het proefschrift van Duintjer over Kant uit 1966 al een aanzet tot het begrippenkader dat Duintjer filosofisch ontwikkelde om zijn mystieke ervaringen in onder te brengen. Het gaat dan om de begrippen ‘totaliteit ‘en ‘oorspronkelijke samenhang’ als voorlopers van het ‘Rondom’.

In de paragraaf De traditie van de transcendente filosofie “wilde Duintjer de lange geschiedenis, aard en reikwijdte van de transcendentale filosofie in kaart brengen.”, met Kant en Heidegger als de twee bekendste vertegenwoordigers in de moderne tijd. (p.193). Transcendent verwijst dan naar “datgene dat uitgaat boven het zintuiglijk waarneembare “. (p.194). Deze filosofie heeft ook een maatschappelijk belang. In de paragraaf De mogelijke rol van de filosofie in tijden van overgang komt dit aan de orde bij de overgang ‘van de ene wereld naar de andere’, ‘Als een vroedvrouw’. (p.198).

Na een kritische beschrijving van de filosofie van Kant gaat Duintjer over op de ‘wereld van de wetenschap’ en sluit daarbij aan bij de wetenschapsfilosofie van Kuhn. “Kuhns analyse van de wetenschap gaat in tegen twee wijdverspreide voorstellingen van ‘wetenschap’. De eerste is, dat de wetenschap een objectieve en neutrale, waardenvrije beschrijving geeft van de werkelijkheid. … Ten tweede geeft Kuhns werk de doodsteek aan de zienswijze dat de wetenschap altijd lineair voor uitblijft gaan via het opstapelen van kennis. Kuhn wijst op de paradigma’s die aangeven ‘welke verschijnselen van belang zijn en welke niet, welke methoden al dan niet zijn toegestaan, en welke criteria en instrumenten moeten worden gebruikt.” (p.207). De meeste wetenschappers zijn zich daar niet van bewust, met als gevolg dat sommige wetenschappers “anomalieën aangrijpen om het vertrouwen in het heersende paradigma te ondermijnen, en een alternatief paradigma te ontwikkelen. Er ontstaat dan een ‘competitie’ met mogelijk een omslag van paradigma.” (p.209).

Het zal de lezer misschien duidelijk zijn dat ik een ander paradigma hanteer dan Chong als het om het daoïsme van Lao Zi en Zhuang Zi gaat! Hier kom ik nog op terug aan het einde van dit artikel.

H.9 Duintjers latere visie op Kant

In zijn boek Hints voor een diagnose: naar aanleiding van Kant. Over aard, grenzen en alternatieven van her rationeel-empirisch bewustzijn (1988) “paste Duintjer Kants transcendentale methode toe op Kant zelf.” “Geformuleerd in termen van het spirituele grondpatroon dat Duintjer (volgens Chong) deelt met het daoïsme: in Hints vinden we, ten eerste, de diagnose van wat het alledaagse bewustzijn voorafgaat, en in H.5 van zijn boek reikt Duintjer, ten tweede, ook enige handvaten voor oefeningen waarmee de lezer zelf de weg naar heling kan inslaan.” (p.213).

Door het ‘rationeel-empirische bewustzijn’ zijn de huidige maatschappelijke problemen niet oplosbaar zolang “we ons bewerkend blijven verhouden tot onszelf en onze omgeving, vervreemd van de natuur om ons heen en in onszelf, kunnen we deze problemen niet oplossen; het rationeel-empirische bewustzijn is namelijk zelf onderdeel van het probleem.” (p.215) “Net als Descartes, schrijft Duintjer, stelt Kant bewustzijn gelijk aan discursief denken, redenerend oordelen.” (p.216). “Duintjers filosofie komt op dit punt sterk overeen met het daoïsme, dat eveneens streeft naar voelend en participerende tegenwoordig zijn in plaats van denkend en willen tegenwoordig stellen. Het discursieve denken staat deze manier van zijn in de weg.”  “…je moet je niet volledig vereenzelvigen met de denkende zijnswijze want dan wordt de ruimte voor tegenwoordig zijn ontoegankelijk.” (p.219). “Dat blijkt vooral als we eens proberen niet te denken.” “…op het meditatiekussentje, met de ogen gesloten zitten we nog steeds te denken aan…” (p.221).

H.10 Andere ervaringswijzen

Hier behandelt Chong na Duintjers diagnose in H.9 diens ‘handvaten voor oefeningen waarmee de lezer zelf de weg naar heling kan inslaan.’

“In het vijfde hoofdstuk van Hints beschrijft Duintjer wijzen van ervaren die hij dankzij meditatie en lichaamswerk had leren kennen, maar waar het ‘rationeel-empirisch bewustzijn geen toegang toe heeft.” (p.224).

“Het was zeker niet Duintjers bedoeling dat de andere ervaringswijzen die hij onder de aandacht wilde brengen het oordelende denken zouden vervangen; hij wilde alleen wijzen op andere manieren van zelf-zijn dan de denkende, om te benadrukken dat deze laatste je opsluit in een ervaringsruimte die veel kleiner en schraler is dan mogelijk. Als denken en willen even wegevallen, aldus Duintjer, is er niet langer, zoals bij Kant, een vereenzelviging met het actieve ik dat voortdurend bezig is om gedachten te produceren.” (p.225)

Denken en willen/verlangen, het Hart’ (de mind) laten wegvallen? Dan ‘denk’ ik direct aan de uitspraak van Lao Zi in de Dao Deh Jing H.1:

Constant vervuld van verlangen zie je alleen de uiterlijkheden, de Vorm
Permanent zonder begeerte ervaar je het diepe mysterie van het niet zijn, de Leegte

“Het is echter het rationeel-empirische (in de ‘Vlinderslag’ noemt Chong dit in navolging van Han de Wit nog het ‘profane’) bewustzijn zelf dat de toegang naar het daoïsme blokkeert.” (p.226).

M.i. wordt dan de toegang tot een meer open bewustzijn, tot de Dao geblokkeerd, niet die tot het daoïsme; Duintjer, Chong (en ik net zo goed!) zijn met deze boeken en artikelen over het daoïsme schuldig aan het gebruiken van juist dit rationeel-empirische bewustzijn! En dat met zoveel woorden over de ‘leer zonder woorden’!

“De toestand die intreedt als het voortdurende innerlijke gepraat wegvalt duidt Duintjer aan met het woord ‘meditatief’. Er opent zich dan een innerlijke stilte die gepaard gaat met een verhoogde wakkerheid, ontspannen aandacht in het heden.” (p.227).

“Wanneer het vertrekpunt van de aandacht niet meer je denkende, willende hoofd is, maar zich heeft verplaatst naar je lijfelijke centrum, wordt het stil in je hoofd, en ervaar je een diepe ontspanning. Je bent dan zelf louter gezichtsveld, gehoorbereik, reuksfeer, tastruimte.” (p.233). “Maar hoe kan je leren om je lichaam van binnenuit gewaar te zijn? Duintjer had het, zoals we weten, zelf geleerd via lichaamsgerichte aandachtstraining zoals yoga qigong en taijiquan”. (p.234).

Voor mij is het niet duidelijk of ‘lichaamsgerichte oefening’ inderdaad voor kwam ten tijde van Lao Zi en Zhuang Zi. De geschriften van beiden verwijzen er niet expliciet naar maar wel naar zitmeditatie. Overigens is er niets mis met deze oefeningen als ondersteuning van meditatie al bestaat het gevaar dat dat een dergelijk ‘hulpmiddel’ door fixatie erop doel op zich wordt. Zeker in Zen wordt geen nadruk gelegd op deze oefeningen, wel op het rechtop zitten op kussen, bankje of desnoods stoel. In het latere daoïsme, vanaf een 200 v.C. komen lichaamsgerichte oefeningen wel voor.

H.11 Andere ervaringswijzen (2)

Wie zich vereenzelvigt met het rationeel-empirische bewustzijn, stelt Duintjer, komt op een afstand te staan van zijn gevoel. “Waar het om gaat, is dat het gevoelskanaal zich weer opent, en we meer vertrouwd raken met de voelende zienswijze, het leven met voelende aandacht. Meditatie kan dit ondersteunen.”  (p.245).

In de volgende paragrafen gaat Chong in op de kloof tussen wetenschap en gevoel, de mogelijkheid tot ‘astraal bewustzijn’ en de ‘oorspronkelijke creativiteit ‘.

In de paragraaf Het astrale en Duintjers ontmoeting met het demonische wordt kort verslag gedaan van Duintjers eigen schrikwekkende confrontatie met het demonische zoals eerder beschreven in H.7.

In de paragraaf Het elementaire getuigebewustzijn geeft Chong aan dat Duintjer in Hints verwijst naar de Dao Deh Jing  als hij het heeft over ‘Allesomvattende en Onuitputtelijke Werkelijkheid’: “De diverse spirituele tradities van de mensheid hebben deze sfeer allerlei namen gegeven, en de Daodejing noemt het Dao” (p.261) – de eerste aanwijzing dat Duintjer kennis heeft genomen van Lao Zi? Duintjer stelt in Hints: “Meditatie is een praktische weg om ermee in contact te komen: dan wordt er even niet geïnterpreteerd, maar alleen geregistreerd wat er zich voordoet: je neemt er kennis van, laat het liefdevol tot je gewaarzijn toe, vooralsnog zonder oordeel, zoals in je kindertijd. Wanneer je daarbij ook je lichaam ervaart als doorstromend geheel, kan je getuigebewustzijn een doorgang worden naar het kosmische Bewustzijn.” Chong: Dat nu is de ‘mysterieuze eenwording’, de ‘Grote Doorstroom’ waar Lao Zi en Zhuang Zi over spreken. In de laatste paragraaf van H.12 stelt Chong dat Duintjer: “adviseert om weg te blijven van meditaties die ernaar streven om de opwaartse, hemelgerichte stroom veel sterker te ontwikkelen dan de neerwaartse, aardegerichte stroom.” (p.266)

H.12 Daoïst aan de Amstel

Dit laatste hoofdstuk is te zien als een nabeschouwing van de trilogie.

Chong: “We hebben gezien, dat de bijnaam “Nederlandse daoïst’ inderdaad goed past bij Otto Duintjer”. (p.267). Het geven van een naam is juist beperkend volgens Lao Zi en Zhuang Zi:

De naam waarmee iets benoemd wordt is niet het ware ‘ding’ (DDJ H.1)

“Zhuang Zi gelooft niet in namen. Men mag hem noemen zoals men maar wil: ‘Zhuang Zhou’ of ‘paard’ of ‘rund’. (Schipper in de inleiding op Zhuang Zi, de volledige geschriften).

Toch is het wel begrijpelijk dat Chong Duintjer deze ‘erenaam’ toekent; zoals in Deel 1 van dit artikel blijkt zijn er erg veel overeenkomsten tussen de weergave van de mystieke ervaringen van Duintjer en uitspraken van Lao Zi en Zhuang Zi.

Chong vervolgt terecht: “Weliswaar ontwikkelde Duintjer zijn filosofie op basis van zijn grondige kennis van de Europese wijsbegeerte, met name Kant, Heidegger en de taalfilosofie, maar achteraf kunnen we constateren dat ze ook, zowel formeel als inhoudelijk, interessante raakvlakken heeft met het vroege daoïsme van Lao Zi en Zhuang Zi.” (p.267).

“Duintjer heeft ons een wijsgerige terminologie aangereikt die ons wegwijs maakt op de weg naar de allesomvattende ruimte, de mysterieuze en onuitputtelijke Bron, die alle kaders voortbrengt en draagt.” (p.279). Dat lijkt in tegenspraak met wat Duintjer hierover zelf stelt: “de studie van de filosofen is toch dikwijls een intellectueel ‘transcenderen’ in gedachten”. (Rondom Metafysica P.101).

Conclusie

Chong stelt terecht dat er een sterke overeenkomst is met de weergave van Duintjer van zijn mystieke ervaringen met het vroege daoïsme van Lao Zi en Zhuang Zi. Dat wordt ook weergegeven in Deel 1 van dit artikel over Duintjer en de Dao hierboven.

Maar daarna negeert ze de stelling van Duintjer in Rondom Metafysica dat de filosofie niet meer kan pretenderen dan het verhelderen van deze ervaringen. Ze gaat een stap te ver door eerst Duintjer een daoïst te noemen en daarna de verder uitgebouwde filosofie qua lichaamswerk en maatschappelijke verantwoording als ‘daoïstisch’ te benoemen.

Duintjer deed vooral in zijn boeken over het Rondom een poging zijn mystieke ervaringen onder te brengen in de filosofie waarbij zijn begrip Rondom te vergelijken is met Dao (zie zijn boek Rondom Regels). Daarna volgde een tweede poging in Rondom Metafysica. Daarbij was zijn conclusie dat de ‘transcendente metafysica’, de mystiek, niet onder te brengen is in een filosofisch begrippenkader. Hij sluit dat boek dan ook af met enerzijds te stellen dat de filosofie hooguit een verhelderend kader kan aanbieden voor mystieke ervaring, anderzijds met een ‘verhaal’ in de stijl van Zhuang Zi over de mystieke zienswijze op de gewone wereld.

Chong houdt echter vast aan het filosofisch kader wat Duintjer in 1988 in eerste instantie verlaten heeft en werpt zich vooral op de filosofie van Rondom Regels en het ook in 1988 verschenen boek van Duintjer De Onuitputtelijke Waarheid. Ook het latere Hints voor een diagnose wordt door haar gebruikt om de mystiek van het vroege daoïsme van Lao Zi en Zhuang Zi in een filosofisch kader te wringen. Chong laat het politieke element van ‘Lao-Zhuang’ in haar eerste twee boeken nu blijkbaar los in Rondom Dao. Wel gaat ze in op vormen van ‘lichaamsgerichte werken’ zoals qigong die ik bij Lao Zi noch Zhuang Zi, noch bij de daoïstische kluizenaars die deze mystieke leer doorgaven heb kunnen constateren. Datzelfde geldt voor de contemplatieve omwenteling in de maatschappij die bij Duintjer aan de orde komt en door Chong verder wordt uitgewerkt.

Het zal de lezer duidelijk zijn dat Chong en de schrijver van deze bespreking verschillende paradigma’s hanteren: Chong ziet het vroege daoïsme van Lao Zi en Zhuang Zi als politiek-filosofisch, ondergetekende als mystiek-meditatief. Chong volgt de ‘academische sinologie’; Kristofer Schipper is een van de weinige sinologen die daar een sterk vraagteken bij zette:

“De beoefening van de Meditatie is het uitgangspunt van de gedachtewereld van de Laozi/Dao Deh Jing en het Daoïsme in het algemeen” (in Lao Zi, het boek van de Tao en de innerlijke kracht, p.203)

Ook beschouwen de mystici uit het verleden en heden (zoals de eerste Chinese zenmeesters, zenmeester Graf Dürckheim, Wu Wei Wu, Osho, Ramesh Balsekar, Eckhart Tolle) de leer ‘zonder woorden’ van Lao Zi en Zhuang Zi zonder meer als mystiek.

Maar zoals Lao Zi het al stelde:

De Wijze zorgt ervoor dat hij als mens permanent zonder kennis en verlangen is,
(Hij let erop dat geleerdheid hem niet overmant) (DDJ H.3)
Als je de woorden van een Wijze gaat bewerken
krijg je (opper)priesters, geleerde filosofen en theologen
Grootse woorden dien je niet te bewerken. (DDJ H.28).

Deze nadruk op het vermijden van geleerdheid mist zowel in de boeken van Duintjer en Chong als in dit artikel. Een zenmeester zou zeggen: “Kop dicht en ga zitten!”

Wat mij vooral verbaast is dat Chong nergens aangeeft dat ze Duintjer gewezen heeft op de Dao Deh Jing en de Zhuangzi en/of deze met hem besproken heeft. Echt een gemis!

Het eerste deel van deze trilogie, Filosofie met de Vlinderslag, kan ik geïnteresseerden in het daoïsme zeker aanbevelen (alhoewel de leer van Lao Zi en Zhuang Zi over mystiek gaat en niet zozeer over filosofie). De beide andere boeken zijn voor de leek minder goed leesbaar, wel interessant natuurlijk voor diegenen die geboeid worden door Duintjer en de poging mystiek in de filosofie te integreren.

Literatuur: De citaten uit de Dao Deh Jing uit mijn eigen vertaling op basis van zes oude versies van het geschrift: De oorspronkelijke Mystieke Wijsheid van de Dao Deh Jing, Het mondelinge onderricht van de Oude Meester Lao Zi over verlichting, wijsheid en meditatie De citaten uit de Zhuangzi zijn op basis van vooral Zhuang Zi door K. Schipper. Chong, Woei-lien, Filosofie met de Vlinderslag, Eindhoven, Damon 3e druk 2019 Chong, Woei-lien, Leren Laveren, Damon 2024 Chong, Woei-lien, Rondom Dao, Damon 2025 De Meyer, Jan, De Weg Terug, Chinese kluizenaars en het daoïsme, Atheneum, Amsterdam 2022 Duintjer, O.D., Onuitputtelijk is de Waarheid, Damon, Budel 2002 Duintjer, O.D., Rondom Regels, Boom, Meppel/Amsterdam 1977 Duintjer, O.D., Rondom Metafysica, Boom, Meppel/Amsterdam 1988 Ransijn, P., diverse artikelen over O.D. Duintjer in Civis Mundi nr. 105 en 106 Schipper, K. Zhuang Zi, De Volledige Geschriften, Uitgeverij Augustus, Amsterdam 2007 Schipper, K., Lao Zi, Het boek van de Tao en de innerlijke kracht, Uitgeverij Augustus, Amsterdam 2010 Wuwen Zi (Zondervan, B.), Mediteren met Lao Zi, Twee kleine geschriften van de Oude Meester van de Dao, Van Warven, Kampen, 2e druk 2020 (de teksten met toelichting van de Qing Jing Jing en de Nei Riyong Jing) Wuwen Zi (Zondervan, B.), De Zenmeester die blafte, 81 teksten over de Leer zonder Woorden, ZenDaoChan Uitgeverij, Bronnegerveen 2020 Zondervan, B. De oorspronkelijke Mystieke Wijsheid van de Dao Deh Jing, Het mondelinge onderricht van de Oude Meester Lao Zi over verlichting, wijsheid en meditatie, ZenDaoChan Uitgeverij, Bronnegerveen, 2023 Zie ook de website daoisme.nl.  Deze website bevat naast een op mystiek en meditatie gerichte vertaling van een deel van de Dao Deh Jing veel informatie over het vroege mystieke daoïsme. Twee minder bekende aan Lao Zi toegeschreven geschriften, de Qing Jing Jing en de Nei Riyong Jing zijn ook weergegeven op de website.

Klik hier voor het eerste deel dat op donderdag 27 maart in het BD werd geplaatst.

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#RondomDao_ #BenZondervan #Chong #DouweTiemersma #LaoZi #OttoDuintjer #WoeiLienChong

Deel 2: Rondom Dao, een kritische bespreking van de Dao-trilogie van Woei-lien Chong - Boeddhistisch Dagblad

Chong beschrijft dat Duintjer in 1984 bij een bezoek aan India eerst wekenlang in een uitzonderlijke meditatieve toestand verkeerde, maar later in een ‘demonische sfeer’ terecht kwam: “Hij had het gevoel, zei hij, dat hij zich voor het eerst van zijn leven in een rechtstreekse, dus niet louter psychische, confrontatie bevond met demonische krachten”. In Zen worden dergelijke verschijnselen ‘makyo’ genoemd. Vooral het Tibetaans boeddhisme besteedt hier veel aandacht aan.

Boeddhistisch Dagblad

Rondom Dao of Rondom Duintjer?

Een kritische bespreking in twee delen van Woei-lien Chong’s trilogie over het daoïsme en de filosoof Duintjer naar aanleiding van Rondom Dao: De filosofie van Otto Duintjer als wegwijzer naar Lao Zi en Zhuang Zi. Eindhoven, Damon, 2025.
(Dit artikel is in een uitgebreidere vorm verschenen in Civis Mundi Digitaal 155 van eind februari 2025; waarin ook een biografie van Otto Duintjer door Piet Ransijn is opgenomen)

Bespreking Ben Zondervan

Inleiding

Otto Duintjer (1932-2020), o.a. hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Amsterdam, kreeg in 1969 een diepe mystieke ervaring. In de daaropvolgende zoektocht naar verdieping door o.a. meditatie, heeft hij zich jaren gebogen over de vraag hoe hij deze ervaring onder kon brengen in de filosofie. Dit kwam o.a. tot uiting in zijn boeken Rondom Regels (1977), Rondom Metafysica (1988) en Onuitputtelijk is de Waarheid (2002).
Duintjer deed een poging zijn eigen mystieke ervaringen onder te brengen in een filosofisch kader via de boeken over het ‘Rondom’, maar verving dit begrip in het tweede boek grotendeels door ‘transcendente’ metafysica.
In zijn laatste boek, Onuitputtelijk is de Waarheid (2022) vervangt Duintjer het begrip ‘Rondom’ voor het begrip ‘Waarheid’: de (onuitputtelijke) waarheid van het transcendente veld. Wat is dan dat transcendente en waar bevindt het zich? In een ‘buitenhemelse streek… voorbij hemel en aarde’. Het is dus van een andere orde, een andere dimensie, ‘gans anders’, net als de Dao.
De filosofie van Duintjer is recent weer in de aandacht gekomen door de trilogie over het daoïsme van Woei-lien Chong: Filosofie met de Vlinderslag, Leren Laveren en Rondom Dao. Chong probeert de mystieke leer van Lao Zi en Zhuang Zi bij de filosofie onder te brengen via het ‘Rondom’ en de ‘Waarheid’ van Duintjer. Het laatste boek, Rondom Dao is eind januari 2025 verschenen. Chong ziet de begrippen ‘Rondom’ en ‘Waarheid’ zoals Duintjer deze omschrijft min of meer als synoniemen voor Dao zoals in de mystieke leer van Lao Zi en Zhuang Zi.  Rondom Dao en de filosofie met een biografie van Otto Duintjer worden uitvoerig besproken in Civis Mundi 155. In dit artikel in het BD vindt u in Deel 1 een vergelijking van mystieke uitspraken van Duintjer in vergelijking met mystieke uitspraken van Lao Zi en Zhuang Zi. Daarna in Deel 2 een bespreking van de trilogie van Woei-lien Chong met nadruk op het laatste deel, Rondom Dao zoals deze ook is weergeven in Civis Mundi 155.

Van de eerste twee delen, Filosofie met de Vlinderslag en Leren Laveren vindt u uitgebreidere besprekingen in de nummers 95 en 148 van Civis Mundi.

Deel 1: Duintjer en de Dao

Aan de hand van de drie in de inleiding genoemde boeken van Duintjer wordt een vergelijking gemaakt tussen de mystieke ervaringen zoals Duintjer die weergeeft en teksten van Lao Zi en Zhuang Zi. Ook de pogingen tot integratie van Duintjers mystieke ervaringen in de filosofie via de begrippen het ‘Rondom’, ‘transcendente metafysica’ en ‘onuitputtelijke waarheid’ komen aan de orde.

De nadruk ligt hier vooral op de overeenkomsten (en verschillen) tussen de filosofie als transcendente metafysica van Duintjer en het vroege, door mij als mystiek opgevatte daoïsme van Lao Zi en Zhuang Zi. Het gaat niet om een volledige bespreking van de boeken van Duintjer, maar om directe vergelijking van teksten van Duintjer en Lao Zi (en Zhuang Zi), zonder filosofische tussenkomst zoals Chong dat poogt te doen. De overeenkomsten in de teksten raakten mij des te meer daar Duintjer zich tijdens het opstellen van deze boeken niet in het daoïsme of Zen had verdiept, wel in meditatie, Babaji, de Advaita vedanta. Alleen in de lijst van noten bij Rondom Metafysica staan twee boeken over Zen, van Kapleau en Watts. Het daoïsme wordt niet vermeld in de literatuurlijsten, maar wel een enkele keer kort genoemd in deze drie boeken.

Rondom Regels, Wijsgerige gedachten omtrent regel-geleid gedrag

In Rondom Regels (1977), gebaseerd op colleges van Duintjer vanaf 1971, staan vooral in de eerste en laatste teksten uitspraken over de verbinding van mystiek en filosofie. Uit het voorwoord:
“Wij zijn niet alleen vervreemd ten aanzien van de spirituele sfeer, maar evenzeer ten aanzien van wat ons met de aarde verbindt: ons lijf en onze gevoelens. Een doorbraak naar de ‘open dimensie rondom regels’ zal, van ons uit gezien, dan ook in twee richtingen plaats dienen te inden: zowel naar ‘boven’, naar de kosmische ruimte van de geest der oorspronkelijke creativiteit, als ook naar beneden, naar ons lijf zoals het van binnen ervaren en gevoeld kan worden…
Wijsgerig denken kan dit proces hoogstens voorbereiden, het interpreterend begeleiden en er zelf een voorlopige uitdrukkingsvorm van zijn”.

In de inleiding beschrijft Duintjer dat het eerste deel van het boek gaat over “wat bij sommige analytische filosofen te leren valt over wat zij noemen: ‘regel-geleid gedrag”. Het tweede deel “betreft datgene wat nog voorbij die regels gelegen is en in die zin ‘rondom regels’ ligt.” Dat vereist een “existentiële stap voorbij de gevestigde ervaringswereld”. “Het gaat om de ‘verzwegen dimensie’ die in zekere zin voorafgaat aan alle regelpatronen en die rondom elk regulatief karakter als een ‘omvattende open ruimte’ in het geding is”. Daarmee gaat hij al in de richting van de transcendente metafysica die in Rondom Metafysica aan de orde komt.

Duintjer onderscheidt drie momenten van ‘filosoferen’:
a: het analytisch moment, b: het moment van filosofische bewustwording, c: het ‘existentieel, meditatief of mystiek moment: deze uiterste dimensie is zoiets als een ‘lege ruimte’ of ‘openheid’.
“In Oosterse filosofieën wordt gesproken van ‘the void, lege ruimte, die ook ‘overvol genoemd kan worden want het is de onuitputtelijke mogelijkheid tot het uit-zetten van kaders.” Met die ‘overvolle lege ruimte’ komt Duintjer via de filosofische weg op het terrein van het mystieke daoïsme.
In de leer van Lao Zi is Leegte een belangrijk begrip (zie ook mijn artikel over De Leegte in de mystieke leer van Lao Zi in het BD van 19 november 2024). Voor ‘Leegte’ worden meerdere termen gebruikt, waarbij Wu 無 in de Dao Deh Jing de meest voorkomende term is. Daarnaast zijn er in de leer van Lao Zi andere termen die op de Leegte wijzen, zoals Xū 虛 (Leeg(gemaakt), niets bevattend) en Qing 清 (Zuivere Leegte). Ook Dao wordt wel omschreven als Leegte:
Het hoogtepunt van de Innerlijke kracht (Deh) is de éénwording met het begin, de oorsprong, de éénwording met de Leegte. In de Leegte vind je het grote, de Dao (Zhuangzi H.12).

In het eerste hoofdstuk van de Dao Deh Jing komen we de begrippen Leegte en het complementaire Vorm direct en indirect tegen:

“Wuming, de naamloze Leegte, het ‘niets’:
hierin komen de ’tienduizend dingen’,
alle verschijnselen, tot stand
Youming, benoemd als Vorm, als het ‘iets’
is het de moeder van alle verschijnselen.
Permanent zonder begeerte:
het diepe mysterie van het niet-zijn (de Leegte)
Constant vervuld van verlangen:
alleen de uiterlijkheden (de Vorm)
In wezen zijn niets en iets, Leegte en Vorm, gelijk,
maar door het geven van namen en posities,
maak je onderscheid in wat in wezen één is”
De Oude Meester wijst er in H.2 van de Dao Deh Jing nog eens op dat:
Het ‘niets’ en het ‘iets’, Leegte en Vorm, elkaar wederzijds voortbrengen.

Wat is de weg naar het ervaren van deze Leegte? Volgens Duintjer: “het existentieel, meditatief of mystiek moment.” Lao Zi: Permanent zonder begeerte (kan je) het diepe mysterie van het niet-zijn (de Leegte) (ervaren). Hoe kom je tot het loslaten van begeerte? Door innerlijke schouwing, meditatie. Dat geldt niet alleen voor het laten vallen van begeerte, maar evenzeer voor het laten vallen van het denken.

Duintjer beschrijft in de laatste paragaaf van Rondom Regels, ‘Afstand nemen van gevestigde regelpatronen’, dat “distantiëring een rol speelt bij meditatieve, mystieke en psychedelische ervaringen van uittreden.” En: “Om distantie te kunnen nemen zullen we bereid moeten zijn tot prijsgave van onze identiteit, van ons ‘ego’, ‘ik’ zoals ik mij bekend ben.”
In de Zhuangzi staat het volgende verhaal:
Ziqi van de Zuiderwal zat te leunen op zijn armsteun (d.w.z. in diepe meditatie). Zijn gezicht was naar de hemel gericht en hij ademde zachtjes, in het Zelf verloren, alsof hij zijn tegenhanger ten grave gedragen had, Een leerling vroeg: ”Wat is dit? Uw meditatie is heel anders dan gewoonlijk!”
Ziqi: “Zojuist heeft mijn Zelf mijn ego ten grave gedragen.” (ZZ H2.I)
Zen: ‘Wie de Grote Dood’ gestorven is’, staat buiten leven en dood.  Het gaat dan om de ‘dood’ van het ego. (Zie De Zenmeester die blafte tekst 71 e.v.).

Rondom Metafysica, Over Transcendentie en de dubbelzinnigheid van Metafysica

In Rondom Metafysica beschrijft Duintjer in het Voorwoord ‘metafysica’ als de meest fundamentele en omvattende denkpoging, deels over de aard van al wat bestaat (ontologie), deels over een eerste grond van de hele werkelijkheid (transcendente metafysica). Duintjer: “Anderzijds zijn er steeds weer filosofen geweest die de mogelijkheid van metafysica betwist hebben.”

Waar Duintjer zelf stelt dat in Rondom Regels ‘toegepraat’ werd naar de mogelijkheid van zoiets als ‘transcendentie’, is dit begrip het uitgangspunt in Rondom Metafysica.

In het kader van dit artikel zijn ook in Rondom Metafysica vooral weer het begin en de laatste paragraaf van belang. Deze gaat over: ‘De mogelijke functie van metafysica, vooral met het oog op ‘transcendentie’. De tussenliggende teksten zijn filosofisch zeer interessant maar hebben minder verbinding met de mystiek.

Een citaat uit het voorwoord: “Het hoort tot de strekking van dit boek attent te maken op een kern in ons bewustzijn die aan alle gepraat voorafgaat”. Gepraat: woorden!

Lao Zi: “Waarachtige woorden worden niet altijd herkend als zijnde waar. De Wijze is terughoudend in het gebruik van kostbare woorden. (DDJ H.17). Zhuang Zi: “Woorden ontlenen hun waarde aan hun betekenis, maar de betekenis is niet in woorden onder te brengen.” (Uit de Zhuangzi, zie o.a. H.13 VII). Er zijn bibliotheken vol geschreven over de ‘leer zonder woorden’ van Lao Zi…

In het tweede hoofdstuk van Rondom Metafysica stelt Duintjer: “het gaat hier…om de sfeer van de mogelijkheden, … om de onuitputtelijke dimensie van waaruit alle werelden, realiteitsniveaus of kaders binnengetreden kúnnen worden.”
Ook volgens Lao Zi is de dimensie van de Dao onuitputtelijk:
De Dao leegt zich voortdurend (in het gebruik)maar hoeft zich niet te hervullen. (DDJ H.4)

 Duintjer “Gemeten aan wat wij gewoonlijk ‘zijn’ noemen – ‘werkelijk zijn’ of ‘mogelijk zijn’ van conceptueel bepaalde entiteiten -, heeft die onuitputtelijke dimensie geen ‘zijn’, is zij ‘niet-zijn’ is zij niet, is zij niets. Of nauwkeuriger: ‘is zij noch iets, noch niets, ‘noch zijn, noch niet zijn’.” (p.23)

Zhuang Zi:

Er was een zijn
Er was een niet-zijn
Er was een nog-niet-begonnen niet-zijn
Er was een nog-niet-begonnen-zijn
van dat nog-niet-begonnen niet-zijn

Zo vind je dan onverwachts het zijn van het niet-zijn! Nu weet ik echter niet of het zijn van dat niet-zijn nu wel ‘zijn’ is of eigenlijk ‘niet-zijn’.

Heb ik er nu eigenlijk iets over gezegd of niet? (Uit de Zhuangzi H.2 IV, opgenomen in De Zenmeester die blafte).

Duintjer: “Bij ‘transcendentie’ zijn er twee kanten van eenzelfde gebeuren: de immense wijdte van ons aller onuitputtelijke zelf kan slechts ervaren worden waar tegelijk ons ego-bewustzijn verdampt tot een nietig puntje.” (p.27)

Lao Zi: Juist omdat er geen iemand meer is, kan de Wijze iemand zijn (DDJ H.7, zie ook H.13) Duintjer vervolgt: “Voor dat onmetelijke zelf is hier geen sprake van ‘verruiming’, maar veeleer een loslaten van aangenomen begrenzingen.” In het daoïsme: ‘het loslaten van boeien en kluisters’.
In de Zhuangzi staat de volgende ontmoeting tussen Lao Zi en Confucius (opgenomen in De Oorspronkelijke Mystieke Wijsheid van de Dao Deh Jing bij de Biografische Beschrijving van Lao Zi): Een keer bezocht Confucius Lao Zi toen deze net gereed was met zijn rituele bad en doodstil zat, in diepe meditatie, niet langer menselijk lijkend, als een oude boomstronk. Later gaf Lao Zi hem de volgende uitleg: “Ik liet mijn Xin, mijn hart/geest zwerven in de oorsprong van alle verschijnselen, de Dao.” Confucius vroeg zich af hoe het was om daar te zwerven, waarop Lao Dan hem antwoordde: “Volmaakte schoonheid en volmaakt geluk.”
Confucius wilde natuurlijk graag ‘leren’ hoe hij dit kon bereiken. Lao Dan wees hem op de onderliggende eenheid van alle verschijnselen: “Bevrijd je van de veranderlijke persoonsvorm, waarde ligt in het onveranderlijke Zelf.”

Duintjer: ‘Transcendentie’, of de ruimte voorbij en rondom alle maatstaven, heeft betrekking op de plaats waar ‘it’s all right’. (p.44) Eerder tekent Duintjer aan dat: ‘it’s all right’ niet dient als een formule voor uitwendig houvast of fundament voor onze weifelende levensaanvaarding. Een soort ‘ervaringsflits’ is minstens verondersteld.” Heeft Duintjer het hier over een satori, een verlichtingservaring? Wat en hoe heeft hij dat zelf ervaren? In beide boeken gaat hij hier niet echt op in. In de voetnoot 1 bij Rondom Metafysica schrijft hij dat ‘hij zo min mogelijk wil uitweiden over zijn eigen ervaringen’. Hij voegt er wel aan toe dat de ’feitelijke mogelijkheden tot bewustzijnsverandering’ liggen in ‘meditatie en een meer natuurlijke leefwijze’.

Het laatste ‘filosofische’ hoofdstuk van Rondom Metafysica heeft de titel ‘Mogelijke functies van metafysica, vooral met het oog op ‘transcendentie’. Duintjer probeert hier ‘uitgaande van de eerder aangeduide ‘dimensie van het onuitputtelijke’ (de Dao?) na te gaan ‘onder welke gezichtspunten er dan toch op zijn minst toch positief te leren valt van wat traditioneel ‘filosofie’ heet.

Duintjer merkt scherp op dat studie van de “filosofen toch dikwijls een intellectueel ‘transcenderen’ is.” Lao Zi en Zhuang Zi hebben een duidelijke visie op ‘intellectueel transcenderen’ en ‘geleerdheid’:

Veel geleerde praatjes leiden snel tot desinteresse. Richt je liever op hetgeen in jezelf is, je eigen Geest, het Zelf!” (DDJ H.5)

Als je de woorden van een Wijze gaat bewerken krijg je opperpriesters, geleerde filosofen en theologen”. (DDJ H.28).

Zhuang Zi: “Een geleerde beschikt niet over ware kennis, over wéten, redeneren lijdt niet tot ware wijsheid. Een Wijze houdt zich niet bezig met deze zaken.” (Zhuangzi H.22).

Duintjer begint bij zijn twee boeken over het ‘Rondom’ met een poging tot inpassen van mystieke ervaring in de filosofie via de ‘transcendente’ metafysica.  Hij eindigt er echter mee dat deze metafysica hooguit mensen met een mystieke ervaring meer houvast kan geven! Mijns inziens geeft hij echter met het zevende en laatste hoofdstuk van Rondom Metafysica, ‘Een Verhaal tot besluit’ aan dat het eigenlijk niet mogelijk is om zinvol over mystieke ervaringen te filosoferen. Hij behandelt deze weg, die doet denken aan de verhalen in de Zhuangzi, om zijn standpunt te verhelderen. (Een korte weergave van dit verhaal is weergegeven in Civis Mundi 155 in Filosofie, daoïsme: Rondom Dao en Duintjer).

Onuitputtelijk is de Waarheid

Dit boek uit 2002 wordt hier besproken om te bezien in hoeverre Duintjer de lijn uit Rondom Metafysica zoals hierboven geschetst voortzet in zijn laatste boek. Filosofie als verduidelijking van mystieke ervaringen of mystieke leer? Of probeert hij de mystiek weer in een filosofisch kader te krijgen zoals Chong lijkt te doen?  Daarnaast worden weer een paar uitspraken van Duintjer geciteerd die naast vergelijkbare of juist verschillende teksten uit de Dao Deh Jing en de Zhuangzi gezet worden. (In Civis Mundi 106 vindt u een uitgebreidere boekbespreking van dit boek door Piet Ransijn). Bij de uitgeverij Damon verschijnt voorjaar 2025 een heruitgave van het boek met een voorwoord van Woei-lien Chong.

In zijn voorwoord begint Duintjer met de volgende tekst:

“De luchtige diepgang van het leven (inspirerend, eng, ontmoedigend) kan in sommige situaties meer tot ons doordringen dan anders. Op zulke ogenblikken lijken we iets te merken wat juist verband houdt met heel het leven, met wat telkens aan de gang is, met de achtergrond van alle situaties. Essentieel, maar moeilijk met woorden bij te komen. Wijd en hier.”

 Een omschrijving van de Dao? Zie de overeenkomst met de volgende tekst uit de Zen-traditie, die sterk gebaseerd is op het daoïsme:

“Net als de lege ruimte kent Het geen grenzen.
Toch is Het precies op deze plek.
Hier! Nu!
Diep en helder!” (Zie De Zenmeester die blafte tekst 81)

Bijna aan het einde van het voorwoord geeft Duintjer nog een fraaie (onbedoelde) omschrijving van Dao: ‘Een oneindig potentieel aan eindige manifestaties, dat op grond van geen enkele manifestatie ooit uitgeput kan raken’- zie H4 van de DDJ: De Dao leegt zich voortdurend (in het gebruik), maar hoeft zich niet te hervullen.

Duintjer noemt drie filosofische aspecten van bewustzijn: (p.11/12)

  • Als ruimte is bewustzijn niet iets ruimtelijks
  • Bewustzijn als ruimte kan zich openen voor ‘íets’, gelegenheid geven tot manifestatie
  • Het open bewustzijn is universeel, ruimer dan cultuur, taal en traditie

 

Het eerste hoofdstuk Iets over mijn zoektocht bevat een korte biografie van Duintjer. Chong heeft veel biografische elementen uit o.a. persoonlijke contacten opgenomen in haar boeken Leren Laveren en vooral Rondom Dao.

Treffend is dat Duintjer beschrijft dat hetgeen hij zag als ‘mijn oorspronkelijke filosofische ideeën’, gebaseerd op ‘bepaalde transcendentie-ervaringen’ al op schrift had gesteld voor hij oosterse boeken ging lezen of oosterse leraren ontmoette. Duintjer: “Wel blijkt er in feite een zekere overeenstemming, affiniteit of althans verenigbaarheid, met de globale teneur van daoïsme, vedanta en boeddhisme.”

“Dit brengt mij op wat ik nog steeds zie als de belangrijkste hulp die ‘het oosten’ te bieden heeft aan westerse zoeker: concrete meditatieve praktijken, die het spirituele leerproces op gang kunnen brengen” en “kennismaking met sommige vormen van oosterse ‘lichaamscultuur’. Bijvoorbeeld hathayoga, pranayama, chanten, tai chi, chi kung, massage.” (p.22/23)

Chong haakt bij deze ‘lichaamscultuur’ aan in haar boek Rondom Dao, terwijl deze lichaamscultuur i.t.t. meditatie nauwelijks voorkomt in de Dao Deh Jing en de Zhuangzi. In de Dao Deh Jing:

Als je de ‘wereld in jezelf’ wilt beheersen
doe dat dan niet door allerlei handelingen
Naar mijn mening zal je dan niet slagen
Er zijn geen actieve methoden voor de geest
In tegendeel, wie dat doet zal het verpesten
Als je zo handelt zal je niet slagen
Er aan vasthouden leidt tot verlies (H.29)

In de paragraaf ‘Maatschappelijk belang’ benadrukt Duintjer nogmaals de ‘innerlijke weg’:

“Zeker nu het neokapitalisme uiterlijk gewonnen heet te hebben van alle andere maatschappijvormen, lijkt zijn monopoliepositie alleen nog gerelativeerd kunnen worden door innerlijk vrije mensen. Dus langs de ínnerlijke weg.” (p.39)

Het tweede hoofdstuk, Over eros en ‘transcendentie’ bij Plato, gaat Duintjer eerst in op het algemeen menselijk verlangen; wereldlijke verlangens kunnen nooit echt vervuld worden; ook Plato tracht in een dialoog aan te tonen dat ‘inzicht belangrijker is dan genot’. (p.47)

‘Het meest goddelijke deel is de ‘schouwende geest’. Tantraleraar Tilopa:

‘Als je dan, met de geest, het denken observeert’ (zie ‘Het Lied van Tilopa’ in Mediteren met Lao Zi).

Ook Plato wijst in de Phaedrus bij monde van Socrates uitdrukkelijk voor disciplinering van de begeerte door de geest. (p.70)

Lao Zi: De Wijze hanteert een methode van helende zelfbeheersing

Hij leegt zijn ‘Hart’, zijn geest (DDJ H.3, H.12).

Over het primaat van waarheid (als openbaringsgebeuren) is de titel van het derde hoofdstuk.

‘Waarheid in de zin van: manifestatie of bewustwording van wat dan ook in de werkelijkheid om ons en in ons’ (p.73) – vergelijkbaar met Dao.

“Er wordt een houding aangenomen van ontvankelijkheid, je afstemmen op, vertrouwen en zelfs ‘overgave’, maar geen blinde overgave, wel een proces van ontwaken, van wakker worden, waarbij ogen juist open gaan. (p.88). Lao Zi:

Wie zijn diepste geest zuiver houdt staat buiten leven en dood.

Dat kan je terecht benomen als het mysterie van de (vrouwelijke) overgave.

Deze overgave is de poort tot de oorsprong van alle verschijnselen. (DDJ H6,)

Waar Duintjer de Dao eerst als het ‘Rondom’ benoemde, neigt hij nu naar ‘waarheid’

Spiritualiteit: een optie voor humanisten?

In het vierde hoofdstuk met deze titel stelt Duintjer dat ‘alle levensbeschouwingen, culturen en tradities van de mensheid in enigszins vertroebelde staat verkeren’ maar er is misschien hoop: ‘Maar als er nu eens een innerlijke weg blijkt te zijn naar de creatieve bron van alle culturen en tradities? (De Dao’?). Spiritualiteit als ervaringsweg naar en vanuit een innerlijk toegankelijke bron is principieel aangewezen op praktisch zelfonderzoek en eigen ervaring’. (p.91) Wel kunnen ‘gidsen en overgeleverde wijsheidsgeschriften behulpzaam zijn’ ‘Een meditatieve praxis is zonder meer zinnig.’ (p.92). ‘Bij meditatie kun je, door innerlijk stil te worden, in contact komen met een getuige-bewustzijn dat voorbijtrekkende gedachten en indrukken gadeslaat zonder zelf weer denkend te zijn’ (p.95). Lao Zi:

Neem alle levensvormen waar
vanuit de diepste Zuivere Leegte,
verblijvend in Innerlijke Rust
Wie in Innerlijke Rust verkeert
heeft zijn lotsbestemming bereikt
Wie zijn lotsbestemming heeft bereikt
heeft het diepste inzicht, is Verlicht
Wie dit inzicht niet heeft
loopt rond als een ‘kip zonder kop’,
hij loopt gevaar dat hem de ergste dingen overkomen (DDJ H.16)

Het vijfde en laatste hoofdstuk heet Herkenning en bedenkingen bij Advaita Vedanta.

Duintjer over de Advaita vedanta: “Van meet af aan trof mij een zekere eenvoud, een combinatie van eenvoud en radicaliteit. Eenvoud in de zin van focussen op een enkele hoofdzaak. Een hoofdzaak die met de woorden brahman-atman kan worden aangeduid.” Bij Ramana Maharshi is de zoektocht nog verder vereenvoudigt: “Wat de verbale boodschap betreft, voor de samenvatting heb je niet eens een A4’tje nodig, dat kan bijna in één alinea. Het komt telkens neer op hetzelfde advies: onderzoek jezelf en ga aan het werk met de vraag: wie ben ik.’’ (p.101).

Toch heeft Duintjer ook bedenkingen: “ten eerste: het nogal gauw leraar kunnen worden, met name als aan een ‘verlichte staat van zo’n leraar een volstrekt gezag wordt ontleend en de risico’s die dat met zich meebrengt. (Duintjer is wars van persoonsverheerlijking en het aanbidden van goeroes – BZ).  Ten tweede de nadruk op dat ‘verlicht raken’ als een doel op zichzelf, als einddoel van het spirituele leerproces. En in de derde plaats een neiging tot geringschatting van dit tijdelijke leven, van ons aardse en lijfelijke bestaan, en van verantwoordelijkheden die daarmee gepaard gaan.” (p.108). Duintjer eindigt dit hoofdstuk met een oproep te benadrukken “dat de spirituele hoofdzaak zelf kan inspireren tot een ethische levenshouding”.

Conclusie over Duintjer en de Dao:

Er zijn veel directe overeenkomsten in de teksten van Duintjer en het vroege, mystieke, daoïsme. Beide benadrukken de spirituele leerweg van zelfonderzoek. In dit het artikel vindt u vele voorbeelden van vergelijkbare teksten van Duintjer, Lao Zi en Zhuang Zi.

Zoal hierboven al aangegeven begint Duintjer bij zijn boeken over het ‘Rondom’ met een poging tot inpassen van mystieke ervaring in de filosofie via de ‘transcendente’ metafysica.  Hij eindigt er echter mee dat de filosofie door deze metafysica mensen met een mystieke ervaring meer houvast kan geven! Mijns inziens geeft hij echter met het zevende en laatste hoofdstuk van Rondom Metafysica, ‘Een Verhaal tot besluit’ aan dat het eigenlijk niet mogelijk is om zinvol over mystieke ervaringen te filosoferen.

Toch kan de filosoof Duintjer dit (net als Confucius) niet laten! In zijn laatste boek, Onuitputtelijk is de Waarheid, probeert hij het onbenoembare weer anders te benoemen, Waarheid i.p.v. Rondom of transcendentie. Maar ja, de Dao is nu eenmaal onbenoembaar:

De Dao is wijds,
stromend, ademend,
links, rechts, alomvattend
Hij verricht maar is onbenoembaar
(DDJ H.34)

N.B. Van Duintjer is na Rondom Metafysica ook in 1988 het boek Hints voor een diagnose verschenen. Chong besteedt daar in Rondom Dao veel aandacht aan en in Deel 2 van dit artikel komt dit boek dan ook aan de orde. Daar ik niet over het boek Hints beschikken kon heb ik dat niet in mijn besprekingen hier kunnen opnemen.

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#FilosofieMetDeVlinderslag_ #RondomDao_ #BenZondervan #CivisMundi #Dao #filosofie #LaoZiEnZhuangZi #LerenLaveren #OttoDuintjer #PietRansijn #RondomMetafysica #uitgeverijDamon #vormEnLeegte #WoeiLienChongSTrilogie

Rondom Dao of Rondom Duintjer? - Boeddhistisch Dagblad

Lao Zi: “Waarachtige woorden worden niet altijd herkend als zijnde waar. De Wijze is terughoudend in het gebruik van kostbare woorden. (DDJ H.17). Zhuang Zi: “Woorden ontlenen hun waarde aan hun betekenis, maar de betekenis is niet in woorden onder te brengen.” (Uit de Zhuangzi, zie o.a. H.13 VII). Er zijn bibliotheken vol geschreven over de ‘leer zonder woorden’ van Lao Zi…

Boeddhistisch Dagblad

Boeken – Rondom Dao     

Otto Duintjer was hoogleraar Metafysica en Kennisleer en een vooraanstaand kenner van Kant en Heidegger. Daarnaast trok hij de aandacht met zijn eigen, hoogst opmerkelijke filosofie, die achteraf grote raakvlakken bleek te hebben met het daoïsme van Laozi en Zhuangzi.

Rondom Dao belicht de wijsgerige context waarin Duintjer ertoe kwam om de mainstream van de academische wijsbegeerte te verlaten en zijn eigen spirituele filosofie te ontwikkelen. Hij hanteerde daarbij bepaalde wijsgerige begrippen die de moderne lezer kunnen helpen om toegang te krijgen tot het vroege daoïsme.

Net als het daoïsme kan de spirituele filosofie van Duintjer ons inspireren tot een nieuwe houding om het leven in de moderne tijd het hoofd te bieden: niet alleen met aandacht, respect en ontvankelijkheid, maar ook vol daadkracht en levensvreugde. We zullen zien hoe Duintjers ‘Rondom’ een toegang opent tot Dao.

Eerder verscheen bij Uitgeverij Damon Filosofie met de vlinderslag en Leren laveren. Rondom Dao maakt de trilogie over het vroege daoïsme compleet.

Woei-Lien Chong
Rondom Dao
De filosofie van Otto Duintjer als wegwijzer naar Laozi en Zhuangzi
Gebonden boek
ISBN: 9789463404228
304 pagina’s, €29,90
Zal 16 januari 2025 verschijnen

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#Dao #daoïsmeVanLaoziEnZhuangzi #KantEnHeidegger #OttoDuintjer #WoeiLienChong
#Dao #daoïsmeVanLaoziEnZhuangzi #KantEnHeidegger #OttoDuintjer #WoeiLienChong

Boeken - Rondom Dao      - Boeddhistisch Dagblad

Otto Duintjer was hoogleraar Metafysica en Kennisleer en een vooraanstaand kenner van Kant en Heidegger. Daarnaast trok hij de aandacht met zijn eigen, hoogst opmerkelijke filosofie, die achteraf grote raakvlakken bleek te hebben met het daoïsme van Laozi en Zhuangzi. Rondom Dao belicht de wijsgerige context waarin Duintjer ertoe kwam om de mainstream van de […]

Boeddhistisch Dagblad