Zosimos

Portret van een man, eerste helft zesde eeuw (Glyptotheek, Munchen)

Een van de aardigste auteurs uit de Oudheid is Zosimos, een Byzantijnse historicus met een voor zijn tijd ongebruikelijke visie op het verleden. Op twee manieren. Om te beginnen was de Romeinse elite in de loop van de vierde en vijfde eeuw christelijk geworden maar bleef Zosimos hardnekkig trouw aan de oude goden. Hij heeft daardoor een uniek perspectief op de gebeurtenissen tussen pakweg 300 en 410. Daarmee verwant is zijn tweede bijzonderheid: hij had in de gaten dat het Romeinse Rijk in de late vijfde eeuw zwaar, zeer zwaar in de problemen was geraakt. Terwijl veel van zijn tijdgenoten meenden dat de teloorgang van de westelijke gebiedsdelen eigenlijk niet zoveel voorstelde omdat een christen vooral een burger was van het Koninkrijk Gods, zag Zosimos scherp dat er wél iets was veranderd. Hij was de eerste historicus van “the decline and fall of the Roman Empire”. Dat maakt hem interessant.

Maar wanneer leefde hij eigenlijk? Je leest weleens: tussen 498 en 518 publiceerde hij zijn Nieuwe geschiedenis. Maar ja, het is natuurlijk wel oudheidkunde, dus we hebben vanzelfsprekend te weinig informatie en in feite wordt weer eens hypothese op hypothese gestapeld. Het bewijs oogt in elk geval zwak.

Onze enige zekerheid – laten we het punt één noemen – is dat een andere Byzantijnse historicus, Eustathios, Zosimos heeft gebruikt als bron voor een gebeurtenis uit de tijd van keizer Anastasius I (r.491-518). Dit gegeven wordt gecombineerd met punt twee, de aanname dat antieke historici nooit schreven over regerende vorsten. Deze aanname heeft een zekere waarschijnlijkheid. Titus Livius zorgde er al voor zijn beschrijving van de staatsgreep van Augustus te publiceren na diens dood. Velleius Paterculus schakelde in zijn Romeinse geschiedenis over van genre – namelijk van geschiedschrijving op lofrede – toen hij aankwam bij keizer Tiberius. Er zijn meer voorbeelden. Geschiedenis ging over de doden, voor de levende vorsten bestonden lofredes. Een plausibele aanname dus, maar wel een aanname.

Door één en twee te combineren komen we tot de conclusie dat Eustathios, die Anastasius beschreef in een geschiedwerk, moet hebben geschreven ten tijde van een van diens opvolgers, en dat zou dan keizer Justinus moeten zijn geweest (r.518-527). Hieruit volgt dan weer dat Eustathios’ bron, Zosimos dus, ten tijde van Justinus’ voorganger zou moeten hebben geschreven, en dus ten tijde van Anastasius.

Ik voeg toe: het is een aanname dat de geciteerde passage lovend was. We weten niet goed hoe Zosimos oordeelde over Anastasius. Wat we over hebben is, althans dat nemen we aan, een kladversie van de eerste helft van de Nieuwe Geschiedenis. We hebben niet de hele beschrijving van de genoemde periode, terwijl we te maken hebben met een citaat. Het kan dus zomaar zijn dat Zosimos’ beeld van Anastasius in feite grotendeels negatief was, dat de historicus de keizer beschreef in een historische publicatie, dat Zosimos dus leefde tijdens een van diens opvolgers en dat Eusthatios dus later geplaatst moet worden.

Kortom, we stapelen hypothese op hypothese. We hebben wel een andere, wat positievere aanwijzing. Zosimos beschrijft een belasting die bekendstaat als chrysargyron in de verleden tijd. Die is afgeschaft in 498, dat is zeker, en dat biedt een aanwijzing voor het moment waarna Zosimos schreef. De aanname is hier dat we voldoende informatie hebben om uitspraken te kunnen doen over de details van de laatantieke belastingheffing. Ik neem aan dat dat zo is, maar welbeschouwd is dat zo zeker niet.

Ik kan, kortom, niet méér concluderen dan dat Zosimos schreef na het jaar 498 en ik begrijp niet goed dat historici die “voor 518” aanvaarden. Ervan uitgaande dat ik iets over het hoofd zie, heb ik het gehandhaafd op de webpagina die ik onlangs maakte over Zosimos, maar volgens mij is het bewijs vrij zwak. Mijn punt is vandaag echter niet wanneer Zosimos leefde, maar dat oudheidkundigen steeds weer hypothesen op hypothesen stapelen.

Overigens is “na 498” al heel wat: een heiden in de zesde eeuw. Iemand die de desintegratie van het bestuursapparaat in de westelijke provincies onder ogen zag. Dat is al boeiend genoeg.

[Geschiedenis is geen amusement, leuk voor een vrijblijvend stukje in een tijdschrift of een item op TV. Het is een wetenschap. In de reeks “Methode op Maandag” (MoM) leg ik uit wat de oudheidkundige wetenschappen, en de historische wetenschappen in het algemeen, maakt tot wetenschappen. Een overzicht van deze en vergelijkbare stukjes is hier.]

#AnastasiusI #antiekeGeschiedschrijving #JustinusI #Zosimos