In mijn perifere blikveld wacht een schoen op een aai.
De deur laat ik op een kier, want.
Het luikje klappert
door de wind.
Ik schrik: het is allang tijd geweest voor medicijnen!
Voorzichtig sta ik op voor niets dat van schoot springt.
In mijn huis woont een fantoomkat.