Jules – Doden en martelen in oorlogstijd

In het Boeddhistisch Dagblad van 23 februari 2025 schrijft Dharmapelgrim: “Het moge duidelijk zijn dat ik weinig op heb met goedbedoeld gezwets over het absoluut niet mogen aanwenden van geweld waar iemand dood door kan gaan.”

De context van zijn grotendeels in vraagvorm gestelde bijdrage maakt duidelijk dat hij een oorlogssituatie in gedachten heeft. Bij verdediging tegen een aanvalsoorlog kan hij onder bepaalde omstandigheden dodelijk geweld tegen de agressor billijken.

Hij schrijft: “Laat ik het concreet maken: jij kunt door één persoon te doden voorkomen dat die ene persoon tien andere doodt. Of zelf[s] honderd. Of nog meer… Je doet het niet omdat je niet mag doden. Ok. Ben jij dan niet indirect de doder van die tien anderen? Van die honderd? Of van die ‘nog meer’?”

Het is te loven dat Dharmapelgrim de discussie aangaat in een tijd waarin voor het eerst sinds tachtig jaar de dreiging van oorlog in ons deel van Europa weer in de lucht hangt, maar zonder een toetsingskader begeeft Dharmapelgrim zich op een hellend vlak. Dat is een vaststelling, geen verwijt.

Behoudens proportioneel geweld bij persoonlijke zelfverdediging komt het geweldsmonopolie aan de overheid toe. Bij een verdedigingsoorlog heeft deze een krijgsmacht tot haar beschikking, die in onderhorigheid aan het bevoegd gezag en de wetten (inclusief het internationale recht) zoveel geweld mag gebruiken als in een gegeven situatie gerechtvaardigd is. Zo ongeveer kun je een toetsingskader losjes formuleren.

Je hoeft maar één woordje te veranderen in de tekst van Dharmapelgrim en een ander dilemma doemt op: “Jij kunt door één persoon te martelen voorkomen dat die ene persoon tien andere doodt. Of zelf[s] honderd. Of nog meer… Je doet het niet omdat je niet mag martelen. Ok. Ben jij dan niet indirect de doder van die tien anderen? Van die honderd? Of van die ‘nog meer’?”

In een toetsingskader zoals hiervóór geformuleerd is martelen bij ondervragingen van krijgsgevangenen niet toegestaan. Het is verboden in het internationale recht. Sluit dit uit dat in een enkel, individueel geval het toch gebeurt? Nee, maar het stelt je bloot aan strafvervolging wegens het plegen van een oorlogsmisdrijf. Het belang van een toetsingskader is dat het geïnternaliseerd is bij alle leden van de krijgsmacht en deel uitmaakt van alle besluitvormingsprocessen. Uitglijrisico’s blijven bestaan, zeker in het dynamische verloop van een oorlog met alle bijkomende chaos en onvoorziene situaties. Maar een helder toetsingskader begrenst zulke risico’s.

Op Dharmapelgrims vragen kan ik zeggen dat ik in mijn periode als reserve-officier bij de krijgsmacht (1988-2006) bereid was bij verdediging van vrede en veiligheid zo nodig te doden. Bij martelen echter zou niet alleen het toetsingskader, maar ook mijn persoonlijke ethische grens in het geding zijn gekomen. Een dienstopdracht tot martelen is onrechtmatig en kan dus zonder vrees voor mogelijke gevolgen worden geweigerd. Persoonlijk had ik in het aangezicht van de medemens in de vijand zo’n opdracht ook niet kunnen geven of uitvoeren.

Het systematisch martelen van verdachte Al Qaida-strijders in geheime gevangenissen van de Amerikaanse inlichtingendienst CIA gedurende een aantal jaren na 9/11, heeft mij altijd met walging vervuld. Al moet je het de Amerikaanse democratie nageven dat het een (deels geredigeerde) samenvatting van een rapport van een onderzoekscommissie van de Senaat over deze martelpraktijken aan de openbaarheid heeft prijsgegeven. Dat is meer dan je over de landen van de Europese Unie kunt zeggen.

Er waren namelijk ook geheime martelgevangenissen van de CIA in Litouwen, Polen en Roemenië. Europese vliegvelden werden gebruikt voor de aan- en afvoer van gevangenen, inclusief de doorlevering aan derde landen, berucht om hun mensenrechtenschendingen. De logistiek werd door CIA-medewerkers, opererend onder een diplomatieke dekmantel, geregeld vanuit het Amerikaanse consulaat in Frankfurt. Alleen dankzij mensenrechtenrapporteurs van het Europese Parlement en andere internationale organisaties, en taai werk van onderzoeksjournalisten, kennen wij de oncomfortabele waarheid over de medeplichtigheid van Europese regeringen.

Het is wrang dat het allemaal mede gebeurde omdat de VS na 9/11 als enige ooit de gezamenlijke bijstandsclausule van het NAVO-verdrag heeft ingeroepen, en des te wranger nu de nieuwe autocraat in Washington gemene zaak lijkt te maken met de oude dictator in Moskou. Het geeft voedsel aan de vraag uit het Romeinse gezegde (afkomstig uit het werk van dichter Juvenalis): Wie bewaakt de bewakers zelf? Maar zonder toetsingskader sta je in alle gevallen op achterstand. Mét heb je een middel dat het gedrag van jouw verdedigers kan reguleren. Er zullen fouten gemaakt worden, die achteraf getoetst kunnen worden, door de rechter of door middel van een parlementaire enquête. Van eerlijk in de spiegel durven kijken kan ook een zelfreinigende werking uitgaan.

Dit zouden boeddhisten horen te weten. Waarom anders zou er boeddhisme bestaan als mensen geen fouten maakten? Als je de monastieke normen van de dharma maximaal probeert toe te passen in de dagelijkse werkelijkheid, dan streef je je doel algauw voorbij en eindig je met een utopische verwachtingshorizon. Dan liever het pragmatisme van Dharmapelgrim, dat ruimte laat voor handelen naar bevind van zaken in de wereld.

Vrede en veiligheid zijn een kostbaar, maar ook kwetsbaar goed. In Europa hebben wij het vermogen verwaarloosd onszelf te beveiligen na zo lang onder de bescherming van de grote broer Amerika te hebben geleefd. Maar het kwartje is bij de Europese regeringsleiders gevallen. Er wordt koortsachtig overlegd over de mogelijkheid om onze achterstand in te lopen, tot en met een uitbreiding van de nucleaire capaciteiten van Frankrijk en Groot-Brittannië tot een atoomschild voor Europa. Onder hoge druk wordt alles vloeibaar. Mocht de VS Europa daadwerkelijk geheel aan zichzelf overlaten, dan is er een nieuw machtsevenwicht nodig, om niet bloot te staan aan chantage van de dictator in Moskou en andere autocratische krachten in de wereld.

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#dharmapelgrim #Europa #oorlog #Rusland #VS
#dharmapelgrim #Europa #oorlog #Rusland #VS

Jules - Doden en martelen in oorlogstijd - Boeddhistisch Dagblad

Je hoeft maar één woordje te veranderen in de tekst van Dharmapelgrim en een ander dilemma doemt op: “Jij kunt door één persoon te martelen voorkomen dat die ene persoon tien andere doodt. Of zelf honderd. Of nog meer… Je doet het niet omdat je niet mag martelen. Ok. Ben jij dan niet indirect de doder van die tien anderen? Van die honderd? Of van die ‘nog meer’?”

Boeddhistisch Dagblad

‘Het kerstvierend kind in mij’

Onlangs verscheen in het BD een artikel van André Baets met de titel ‘Viert een boeddhist Kerstmis?’ Hij schrijft onder meer dat hij verschillende boeddhisten kent die Kerstmis vieren, omdat zij Jezus beschouwen als een  groot bodhisattva. In die zin – zegt Baets – kan een boeddhist de geboorte van Jezus wel vieren.  Nu vraag ik mij af of ik daar nu blij om moet zijn of niet. En dan doel ik niet op deze reden om als boeddhist Kerstmis te kunnen vieren, maar op het feit dát er kennelijk een “erkende” reden zou moeten zijn om als boeddhist Kerstmis te mogen vieren.

Of ik een echte boeddhist ben, weet ik niet. Wat ik wel weet is, dat ik Kerstmis vier. Om met het eerste te beginnen: wie bepaalt of ik een echte boeddhist ben? Tot op heden heb ik uitsluitend officieus toevlucht genomen tot de drie juwelen: de Dharma, de Boeddha en de Sangha.  Zo heb ik op een nacht mijn toevlucht nemen luid uitgeroepen tegen alle Boeddha’s van alle tijden en in alle ruimten, met enkel de wind, de bomen, de sterren en de maan als getuigen.  En ik herinner mijzelf daar regelmatig aan, omdat het volgens mij geen kwaad kan jezelf regelmatig te herinneren aan en daardoor ook te confronteren met voornemens, toezeggingen en beloften. Integendeel. En meer dan mijn best doen hiernaar te leven, kan ik niet en zo ga ik dan voort op de weg, met vallen en opstaan. Ik geef toe: er zijn momenten waarop ik er naar verlang om jukai te mogen doen bij een leraar van vlees en bloed, ter officiële bevestiging van, dat geef ik toe, maar dat verlangen is bij nader inzien ook weer niets anders dan een vorm van gehechtheid, en wel een gehechtheid aan erkenning. Wanneer ik na zo’n aanvechting ’s avonds weer eens buiten loop, zoals in deze donkere dagen voor Kerst, met bijna volle maan, in de frisse wind, dan verbeeld ik mij dat de wind, de bomen, de sterren en de maan mij toeroepen: “zijn wij als getuigen niet goed genoeg?”. En dan kan ik niet anders dan glimlachen en “JA” zeggen.

Ik sluit niet uit dat ik Kerst vier omdat ik ermee ben opgegroeid, en er mooie, warme herinneringen aan heb. Hoewel mijn kinderjaren definitief voorbij zijn en nooit meer zullen terugkeren, is het kind in mij er nog steeds. Nee, laat ik het anders zeggen: dat kind is sinds enkele jaren weer in mijn leven teruggekeerd na onder de dikke laag “volwassenheid” vandaan te zijn gekropen waaronder ik het zelf had bedolven. Dat teruggekeerde kind geniet zonder enige reden en bedoeling van – vooral de klassieke – kerstliederen, van de lichtjes in de kerstboom thuis en de lichtjes overal buiten; en zelfs van alle kitsch er om heen. Het kind in mij geeft er niets om dat  het kerstfeest de gekerstende Keltische viering is van de terugkeer van het licht, het Joelfeest, en dat de oorsprong van een boom met lichtjes te vinden is in een heidens gebruik. Het weet het allemaal, maar voelt geen schroom om eenvoudigweg onbevangen te zijn en zich zonder enige verontschuldiging onder te dompelen in de sfeer die wordt opgeroepen.

En door dat kind, kan ook de volwassene in mij Kerstmis vieren; omdat die volwassene van het kind heeft geleerd zich los te maken van de overtuiging dat dat hele kerstgedoe niets méér is dan een simpel feestje rond een sprookje, met in de hoofdrollen een hoogzwanger jong  meisje; een timmerman; en een heel bijzonder kindje; en als figuranten onder meer een os, een ezel,een barse herbergier; een stelletje herders met schapen, een drietal wijzen uit het oosten en een uitbundig koor van engelen. Dat alles tegen een decor van een winternacht waarin één ster opvallend boven een stalletje in Bethlehem staat te stralen. In dat decor komen overigens géén dennenbomen voor, zelfs geen sparren. En nergens hangen gekleurde ballen, slingers of  klokken en nergens liggen cadeautjes. Kalkoenen, kippen, konijnen en andere eetbare dieren hebben ten tijde dat het sprookje speelt nog geen idee wat hen boven het hoofd hangt. In de lucht tenslotte toert ook geen door rendieren getrokken arrenslee rond met een hol lachend dik mannetje erin. De volwassene in mij heeft door het kind herontdekt dat Kerstmis veel meer is dan wat de consumerende mens er in het ‘geciviliseerde deel van de wereld’ inmiddels van heeft gemaakt.

De rollen zijn omgedraaid! Het kind in mij roept alleen maar: “kijk!”. En dan bedoelt het niet dat ik het kerstfeest moet ontleden tot een bergje losse feitjes en vervolgens alles moet analyseren tot er niets meer is om je over te verwonderen. Het zegt: KIJK! Kijk zonder te oordelen, zonder te ontleden en zonder te analyseren. Kijk en kijk dan nog eens, door alle lagen heen tot niet alleen met  je ogen maar met je hele wezen kijkt. Wat zie je dan? Zie je dan niet dat de hemel opengaat of eigenlijk altijd al open is geweest?

En als ik het dan zie, vraag ik mij af waarom we Kerstmis eigenlijk alleen op 25 en 26 december vieren, met daarvoor slechts vier weken adventstijd. Ik vraag me af waarom velen het alleen een christelijk feest vinden. Wat ik zie is reden genoeg om 365 dagen van het jaar feest te vieren. Van mij mogen niet alleen Pasen en Pinksteren op één dag vallen, maar mogen alle feestdagen samenvallen: christelijke, boeddhistische, hindoeïstische, joodse, islamitische en strikt persoonlijke zoals verjaardagen. Wat ik namelijk zie, is dat er lijden is, dat er een oorzaak van dat lijden is, dat er het lijden volstrekt onnodig is en dat er een weg is voor iedereen om het lijden te beëindigen.  Misschien ben ik de enige – hoewel ik dat waag te betwijfelen –  maar ik zie deze vier edele waarheden  belichaamd in een pasgeboren kind, gelegd in een kribbe. Ik zie het in ieder lichtje in iedere kerstboom. En ja: ik interpreteer / projecteer dat er waarschijnlijk helemaal zelf in. So what?

Moge iedereen gelukkig zijn. Ook met Kerst. 365 dagen per jaar.

Deze tekst werd eerder in het BD geplaatst- op 22 december 2013.

Dit is een automatisch geplaatst bericht via ActivityPub.

#BedevaartEnPelgrimstocht #dharmapelgrim #islam #Joods #Kerst #MennoPrins #Pasen #Pinksteren #verjaardagen
#BedevaartEnPelgrimstocht #dharmapelgrim #islam #Joods #Kerst #MennoPrins #Pasen #Pinksteren #verjaardagen

'Het kerstvierend kind in mij' - Boeddhistisch Dagblad

Of ik een echte boeddhist ben, weet ik niet. Wat ik wel weet is, dat ik Kerstmis vier. Om met het eerste te beginnen: wie bepaalt of ik een echte boeddhist ben?

Boeddhistisch Dagblad

Nirvair Kaur de Ruiter – Sūnyatā de Droom van de Leegte

Toen ik ‘wonderen en toeval’ las in de 11 november editie van het BD, door Dharmapelgrim geschreven, realiseerde ik me de wonderlijke ervaringen gedurende mijn tijd in Australië. Ervaringen die vanuit ons westerse en routine denken als wonderen beschouwd worden.

Tekst Nirvair Kaur de Ruiter

Gedurende de vele jaren in verscheidene delen van Australië, woonde ik 5 jaar bij de ‘Warlpiri people’ een traditionele Aboriginal stam in de Australische Tanami woestijn. Een periode die dikwijls mijn zogenaamde  gezonde verstand testte, en waarin onverklaarbare fenomenen plaats vonden- soms wonderen genoemd.

De oude vrouw was een van de meest succesvolle artiesten in Lajamanu, bekend om haar nu kostbare schilderijen.

Hun begrip van ruimte en tijd en hun leven daarin, neemt plaats binnen het idee van wat zij ‘Jurkurrpa’ noemen de Droomtijd, een lege ruimte waarin alles wat was, is, en komen gaat, aanwezig is. Een tijdloze ruimte in energetische vorm, onzichtbaar en niet tastbaar, echter een ruimte van waaruit de materie zich kan manifesteren.

Carl Jung zou dit wellicht het ‘collectieve onbewuste’ noemen, ‘Akasha’ in het hindoeïsme, in taoïsme Wu Wei, in het boeddhisme Sūnyatā. De niet fysieke ruimte die inherent is aan alles wat in potentie aanwezig is.

Het eerste jaar dat we er woonden stopte op een gegeven moment alle klokken in ons huis, en ook in de school waar we werkten, zelfs onze horloges stonden van het het ene moment op het andere stil en begonnen op onverklaarbare wijze opeens weer te werken. Hoe kunnen digitale klokken stilstaan, we konden het niet verklaren, het enige wat anders was, was dat er initiatie ceremoniën plaatsvonden.

Initiaties waar twee of drie jongens bij hun moeders weggehaald werden en door de stamouders door een reeks rituelen werden geleid, om vervolgens als man naar de stam terug te keren. Ceremoniën waar tijdens sommige rituelen voor uren, dagen en nachten de hele stam danste, mannen, vrouwen en kinderen opgingen in het hier en nu, waar het geluid van chanting, en het stampen van voeten op de aarde te horen was, en het leek alsof we in een soort van hypnose leefde. Zo onverklaarbaar als het begon, zo keerde alles weer terug naar dezelfde (voor ons) tijd routine toen de initiaties voorbij waren. De klok liep weer, en ons horloge liep weer gelijk.

Het was 2 jaar daarna, toen mijn pleegzoon als eerste blanke jongen door de initiatie ging en we fysiek deelnamen aan de verschillende ceremoniën, dat ik eindelijk beter begon te begrijpen wat tijd en ruimte voor hen betekende.  Het betekende niets…ze keken geen klok, er waren geen fysieke aanwijzingen in het kamp wat tijd aanduidde, ze hadden geen begrip van blijven- ze vroegen in het begin altijd aan ons hoelang we zouden stoppen in hun kamp, het woord blijven komt niet in hun woordenschat voor. Ze leefde met het licht en de zon… en soms met de routine van de Kardyas (wij, de niet Aboriginals)

De ceremoniën konden 14 dagen duren, maar even zo goed een maand. Als er iemand van de stam overleed was het alsof een onhoorbare megafoon het overlijdensbericht had rond gebazuind en verdwenen alle kinderen in 30 seconden uit de school en zagen we hen soms voor weken niet terug, werd de naam van de overledenen niet meer genoemd, en alle bezittingen en wat er ook maar aan de persoon herinnerde verbrand. Die persoon niet langer daar, maar op de terugreis naar de ‘Droomtijd’ het niet zichtbare, voor dagen werden de fysieke sporen van de overledene uitgewist door halfnaakte, met as bedekte, vrouwen die met boomtakken door het hele kamp in het zand de energetische sporen uitwiste.

En het niet zichtbare verband tussen denken en voelen was altijd daar want niemand leek iets aan te kondigen of te organiseren, de hele stam begaf zich naar de plek waar de ‘sorry business’ zou plaatsvinden. Tijdens de ‘sorry business’- de rituelen voor de overledene, kon de klok ook gewoon stoppen of volkomen van slag zijn. Als bij een wonder leek de tijd gerekt, en niet langer van essentie.

Het onverklaarbare, het wonder, is als een brug tussen wat wij mensen als tijd en ruimte ervaren, datgene waar het denken geen referenties voor heeft… het magische, welke ons geloof op de proef stelt.

Het geloof en de overtuiging van een wereld waarin ieder aspect van het leven verklaard kan worden door de wetenschap, die tijd en bepaalde gebeurtenissen in dit leven heeft kunnen meten, die formules ervoor creëerde en schreven om verder bewijs te kunnen leveren.

Toch zijn er nog steeds krachten en gebeurtenissen die zelfs de wetenschap niet heeft kunnen verklaren.

De wonderen, die als onmeetbare gebeurtenissen, de eeuwigheid ofwel de leegte ‘Sūnyatā’ of ‘Jurkurrpa als the Aboriginal Dreamtime’ in onze tijdelijke wereld aan het licht brengt.

Note: de Warlpiri Aboriginals waren tot 1960 nomadisch (nu semi-nomadisch) en zwierven voor eeuwenlang door de woestijngebieden van Centraal-Australië Ze leefde in semi-isolatie en hun religieuze overtuigingen en gebruiken kende tot het midden van de vorige eeuw weinig invloed van buitenaf. Ze leven dicht bij het rijk van de geesten. In de Europese/ westerse cultuur is er een demarcatielijn tussen dat wat heilig of spiritueel is, en wat materieel of fysiek is.  De Warlpiri hebben geen dergelijke demarcatielijn. Voor hen zijn de spirituele wereld en de fysieke wereld één. Niets is puur spiritueel of puur materieel; zelfs vandaag nog overlappen de fysieke en geestelijk wereld elkaar en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Alles in hun leven heeft een heilige of spirituele waarde betekenis, evenals een materiële of fysieke waarde betekenis. Zo’n 3000 Warlpiri spreken nog steeds hun eigen taal wat belangrijk is voor hun cultuur en het overdragen van hun tradities en ceremoniën.  De Australische Aboriginals, het oudste en nog levende volk en cultuur op deze planeet, zal zo hopen wij nog lang blijven voortbestaan. Zij bestond lang voor de wereldreligies ontstonden en zijn van onschatbare waarde voor onze toekomst als mensheid.

Onze verontschuldiging en waarschuwing aan eventuele Aboriginal lezers dat dit artikel afbeeldingen van een overleden persoon kan bevatten.

#AboriginalDreamtime #Akasha #Australië #dharmapelgrim #droomtijd #Initiaties #Jurkurrpa #NirvairKaurDeRuiter #sorryBusiness #sunyata #WarlpiriAboriginals #wuWei