Paulus in Spanje

Vijfde-eeuwse joodse inscriptie (Archeologisch Museum, Mérida)

De apostel Paulus lijkt rond het jaar 56 na Chr., toen hij op reis was door Griekenland, het voornemen gehad te hebben om nog eens verder te gaan naar Rome. Ter voorbereiding van dat bezoek schreef hij aan de plaatselijke christelijke gemeenschap de Brief aan de Romeinen. Aan het einde vertelt hij:

Ik heb mijn taak in deze streken nu beëindigd, en omdat ik er zo naar verlang om na al die jaren naar u toe te komen, hoop ik dat te doen wanneer ik naar Spanje ga.noot Romeinen 15.23-24; NBV21.

Dat hij vanuit Griekenland – mogelijk iets preciezer: Korinthe – door wilde reizen naar Italië en Spanje, paste uitstekend bij Paulus’ ambitie het christendom te verspreiden. Maar je vraagt je af hoe hij dat wilde aanpakken. Je krijgt uit Paulus’ brieven de indruk dat hij een heel netwerk van mensen had, joden en godvrezenden, op wie hij overal kon terugvallen. Maar had hij zulke contacten ook in het verre Spanje? Had hij daar, om zo te zeggen, al wat logeeradressen?

In elk geval geen joden. Tot voor kort werd als oudste onomstreden bewijs voor joodse aanwezigheid op het Iberische Schiereiland een grafsteen uit Mérida aangewezen (niet de bovenstaande), maar ik hoorde in januari, toen ik het Sefardische Museum van Toledo bezocht, dat die inmiddels in de zevende eeuw wordt gedateerd. Een derde-eeuwse inscriptie uit de omgeving van Málaga, die ik in het plaatselijke museum niet heb gezien, is nu het oudste onomstreden materiële bewijs. Er zijn wel wat oudere aanwijzingen, maar die zijn te ambigu om doorslaggevend te zijn. Hebreeuwse letters op bijvoorbeeld een potscherf kunnen evengoed Aramees zijn.

Niet dat de Joden niet zouden hebben geweten van het bestaan van Spanje. Er is een theorie dat het Tarsis waarheen de profeet Jona wil vluchten,noot Jona 1.3. feitelijk het Andalusische Tartessos is.

Ten slotte is er het bewijs van usucapio. Dit is een procedure uit het Romeins Recht die erop neerkomt dat je eigenaar kunt worden van iets als je dat te goeder trouw in handen hebt gekregen en lange tijd hebt gebruikt zonder dat de feitelijke eigenaar van zich liet horen. Dus ongeveer zoals je iets mag houden dat je op straat hebt gevonden zonder dat de eigenaar zich bekendmaakt. Usucapio speelde in de Late Oudheid een rol toen mensen zich vestigden op onbeheerde landgoederen, de zogeheten bona vacantia.

Ook de rabbijnen bespraken deze procedure. De Mishna, de eerste grote optekening van rabbijnse wijsheid, noteert dat iemand die drie jaar onafgebroken en zonder bezwaar gebruik heeft kunnen maken van een huis, een cisterne, een gracht, een opslagruimte, een duiventil, een badhuis, een olijfpers, een veld of een slaaf, deze verwerft. Een van de geciteerde rechtsgeleerden, een rabbijn uit het midden van de tweede eeuw na Chr., vertelt dan dat de periode van drie jaar is bedacht omdat dit lang genoeg is om iemand in Spanje (Ispamia) te laten vernemen dat iets in het Land van Israël door een ander in gebruik is genomen en bezwaar te laten maken.noot Mishna, Baba Bathra 3.2.

Je kunt de rabbijnse discussie niet zomaar extrapoleren naar de tijd van de apostel Paulus. Alle in de discussie over usucapio geciteerde rabbijnen leefden in de tweede eeuw en je krijgt de indruk dat de ongebruikte huizen, cisternen, grachten, opslagruimten, duiventillen, badhuizen, olijfpersen, velden en slaven bona vacantia waren na een van de Joods-Romeinse oorlogen. Kortom, ik heb niet het idee dat als Paulus werkelijk verder naar Spanje is gereisd, hij daar veel joodse geloofsgenoten zal hebben ontmoet.

[Ik organiseer een reis naar Spanje. Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#BriefAanDeRomeinen #Mishna #Paulus #RomeinsRecht #usucapio