Mensen hebben jullie zin in een lang en nerdy draadje? Ik hoop het voor jullie want jullie krijgen een lang en nerdy draadje. Over hoe ik mijn studie betaalde door avonden lang in Amsterdam mijn lichaam ondergeschikt te maken aan wildvreemde mannen (en heel soms een vrouw) voor best wel veel geld.

Ik heb het natuurlijk over mijn tijd als professioneel orgel-assistent, voor kenners “registrant”.

Om te weten wat een registrant is moet je iets weten over wat een orgel is. De meeste mensen denken bij een orgel aan dit: (dit is mijn orgel trouwens)
Je ziet een groot ding met pijpen. Tragisch weetje: bij een groot deel van de orgels zijn de pijpen die je kunt zien voor de show. Er komt daar veel te veel lucht langs en je kunt er niet goed bij om ze te stemmen en… dat wordt misschien een ander draadje.

Achter dat mooie front zit een stoffige ruimte met smalle krakende trappetjes waar rijen en rijen pijpen van zo klein als je pink tot 10 meter lang (die zijn soms opgevouwen, dat kan) netjes in het gelid staan.

En een paar in willekeurige hoeken gepropt, waar het maar past.

Dit is wat een organiste ziet als ze naar haar werk loopt (niet mijn orgel):

Met die twee (bij ons 3) piano-achtige klavieren en die voetpedalen bedient de organist al die pijpen in het orgel.

Elke set pijpen klinkt als een ander instrument. Zeggen ze. Wij hebben bijvoorbeeld een “cello” en ik heb nog nooit een cello gehoord die van PÈÈÈÈÈÈÈÈP gaat. Maar dat kan aan mij liggen.

In elk geval. Een orgel heeft dus een heel orkest aan “instrumenten” - zelfs de kleinste orgeltjes hebben er vaak al meer dan vier. Grote kerkorgels hebben er dertig tot meer dan tachtig.

Die “instrumenten” noemen we registers. Elk register heeft een pijp voor elke toon. Meestal is dat voor het hele klavier, sommige hebben alleen lage of juist alleen hoge tonen. Die registers combineer je om het geluid te krijgen wat je wil, zowel qua lawaai als klankkleur.

EN NU WORDT HET LEUK

Elk orgel is uniek.

Elk orgel is uniek!

En zelfs als je een draagbaar kistorgeltje van bijna de lopende band hebt gekocht is de ruimte waar hij instaat en hoe de verhouding van de registers daardoor klinkt uniek.

Een componist kan dus nooit 100% vertellen hoe een stuk gespeeld moet worden. Niet zoals een orkest-compositie met “dit doen de tweede violen” en “dit doet de eerste hobo”. Ze proberen het soms wel, dan staat er “roerfluit solo” ofzo. Maar ja, dan moet je een roerfluit hebben.

Als je naar een concertserie van een kerk gaat (altijd in de zomer, want in de winter verandert de temperatuur en luchtvochtigheid te veel en kunnen we niet het hele orgel naar concertniveau stemmen) luister je naar iemand die dat programma misschien zes keer gaat spelen die zomer. Op zes verschillende orgels. En voor elk concert zitten ze twee of drie dagen van tevoren al achter dat orgel om uit te zoeken hoe ze het stuk op DIT orgel gaan spelen.
Nadat ze dat in grote lijnen hebben bedacht (vaak met hulp van de lokale organist, want boven klinkt het anders dan beneden en die cello die ik noemde bijvoorbeeld is beneden keihard, dat moet je even weten) schrijven ze het met potlood in hun muziek. En dan kom ik.

Er zijn orgels met wat wij noemen “registratiehulpen”. In Engeland zijn ze daar vreselijk goed in, daar zit in bijna elk orgel een computer die elektronisch stemmen bij- en af kan schakelen door extra knoppen tussen de klavieren in zodat de organist er al spelend bij kan.

In Nederland hebben sommige orgels programmeerbare systemen.

Ons orgel is mechanisch. Het enige wat op stroom gaat is de luchttoevoer en de leeslampjes.

Nou is het een HEEL HIP mechanisch orgel met alle technologische snufjes die in 1889 beschikbaar waren. Je kunt bijvoorbeeld op een van de vier pedalen rechtsonder trappen en dan gaat er een vaste set registers tegelijk aan. Handig als je snel van hard naar zacht wilt of omgekeerd.

Maar als je een stem in die set niet wilt, of je wilt een andere klank, dan moet het met de hand.

Er staan dus overal in de muziek dingen als “+32, 34, 35” (tijd voor GROTE TOETERS) of “-34, 35 +2, 4” (tijd voor zachte fluitjes). Soms wisselt dat tussen stukken muziek in. Soms koppel je stemmen alvast aan een klavier terwijl de organist op het andere klavier speelt, zodat je niet kunt horen dat de instellingen veranderen.

Soms maak je een crescendo van 14 stemmen in 14 tellen en moet het elke keer precies op de tel anders gaat het van pèèÈÈÈP halverwege een toon.

Meestal schrijft de organist het erbij: “ergens hier” (~), “precies hier” (⤵️). Maar het is heel lastig als je het orgel niet kent, als je niet weet “o 30 is de klarinet op het tweede klavier”, om alles met zulke timing te doen dat het in de muziek valt.

Daarom krijgen gastorganisten bij de meeste mechanische orgels registranten van het orgel meegeleverd.

Dat is natuurlijk spannend voor ze, want je weet niet wat je krijgt en je bent er wel helemaal afhankelijk van. Voor registranten is het ook spannend, want (ik zeg dit met liefde) BIJNA alle professionele organisten zijn KNETTERGEK. Iets met het brein dat je nodig hebt om met tien vingers en twee voeten tegelijk verschillende dingen te kunnen doen en dat ook nog leuk vinden.
Zo kom je dus in de ochtend of het begin van de middag naar het orgel om te repeteren. De moeilijke stukken drie keer. De makkelijke een halve keer. En zeg jij als registrant nog een keer voorzichtig “weet je zeker dat je daar die cello wilt? Want die is beneden KNETTERHARD” en/of roept de student van je organist vanaf beneden “wat IS dat voor achtvoet in het pedaal die is echt KNETTERHARD” en zo wen je aan elkaar en het orgel de muziek.
Dan gaat de organist een paar uur chillen, want die moet namelijk straks dik een uur op het toppen van z’n kunnen spelen (daarom doen de meesten er ook een paar relaxtere stukken tussen. Niet allemaal. Want ze zijn knettergek). En als registrant ga je dan meestal helpen met orgel stemmen en je meegebrachte maaltijdsalade eten terwijl je eigen organist zoals elke week een vet broodje van om de hoek eet en zoals elke week verzucht dat hij ook een maaltijdsalade had moeten maken.

En tenslotte ga jij ook nog een half uur in het donker in een kamer van het parochiehuis zitten, en dan doe je je zwarte kleren aan en gympjes met dunne zolen waar je de pedalen goed door kan voelen, en ga je een uur en een kwartier de derde en vierde of vijfde en zesde armen en benen van iemand anders zijn. Samen tellen. Samen ademen.

En als je dat de hele zomer doet kan je de helft van je collegegeld betalen.

Het is wel een leuk baantje.

@venite wat een heerlijk verhaal. Ik herken mijn oude orgelleraar hierin (1973-1978). Inmiddels speel ik zelf liever piano, maar veel van hem geleerd. Piano's hebben ook nukken 😇