Farizeeër: een lelijk scheldwoord
“Laten we niet op farizeïsche wijze uitleg willen geven aan alles achter elke komma”: met die woorden probeerde minister van Justitie Piet Hein Donner ooit een discussie kort te sluiten die zijns inziens dreigde te verzanden in detailkwesties (bron). Hij was niet de enige die de farizeeën, de erflaters van het hedendaagse jodendom, negatief typeerde. Een liedje uit de Tweede Wereldoorlog typeerde NSB-ers als farizeeërs die hun vaderland verkochten voor zes centen. De online-versie van het Van Dale-woordenboek omschrijft de farizeeër als “schijnheilige, huichelaar”.
Er staat niet bij dat het een scheldwoord is. Maar dat is het wel. En we weten zelfs wie het die betekenis heeft gegeven. Daarvoor moeten we bijna tweeduizend jaar terug.
Vreugde der Wet
De Joden beschouwden zich als het uitverkoren volk en reageerden op die genade door zich te houden aan de Wet van Mozes. En omdat ze dat goed wilden doen, debatteerden ze over de precieze betekenis. De neerslag van die discussies is te vinden in de Dode Zee-rollen en een traktatenbundel, de Mishna, die op zijn beurt onderdeel is van de Talmoed. Er is geen detail van het dagelijks leven waarover de joodse wijzen niet hebben nagedacht.
Dat kun je makkelijk verkeerd uitleggen: de jood die punten moest scoren om in de hemel te komen en daarom het leven dood reguleerde. Maar het is andersom: de jood was al zeker van zijn plaats in de wereld die zou komen en wilde tonen dat God aanwezig was in elk aspect van het menselijk bestaan. Niet voor niets is er een joods feest “Vreugde der Wet”.
De farizeeën
Als het ging om het uitleggen van de Wet waren de farizeeën beroemd om hun nauwkeurigheid. Ze pakten het niet intuïtief aan, maar hielden zich aan precieze regels. Ook wisten ze dat er niet zoiets bestaat als een letterlijke betekenis die de auteur de wereld inzendt, maar erkenden ze dat ook de lezer een rol speelt bij de constructie van betekenis. Geen tekst bestaat in isolement. Naast het woord van God erkenden de farizeeën daarom een (officieel mondelinge maar in de praktijk opgeschreven) traditie van menselijke uitleg.
Die uitleg was vrij humaan. Ze interpreteerden bijvoorbeeld het rechtsprincipe “oog om oog, tand om tand” als ultimum remedium: in de praktijk moest een schadevergoeding de oplossing zijn. Heel liberaal eigenlijk. Schriftgeleerden die de Wet letterlijker namen, beschuldigden de farizeeën echter van laksheid. Een van de Dode Zee-rollen typeert hen als “mensen met arglistige lippen en een leugentong”.
En daarmee komen we ter zake. De kritiek tussen de stromingen was snoeihard. Witgepleisterde graven, adderengebroed, dat werk.
Muggenziften
Het drieëntwintigste hoofdstuk van het Evangelie van Matteüs is een scheldredevoering op de farizeeën. Jezus haalt vernietigend uit. De farizeeën hebben weliswaar plaatsgenomen op de stoel van Mozes – een erkenning dat hun uitleg geldig is – maar gedragen zich er niet naar. Het zijn huichelaars en slangen. “Al hun daden zijn erop gericht om door de mensen gezien te worden.” De farizeeën “versperren de mensen de toegang tot het koninkrijk van de hemel”. Het zijn “blinde leiders, die uit hun drank de muggen ziften, maar een dromedaris wegslikken”. En zo voort, en zo verder.
Maar wie is hier aan het woord? Het Matteüsevangelie, geschreven rond het jaar 80 na Chr., is gebaseerd op twee bronnen: het Evangelie van Marcus, geschreven rond het jaar 70, en een verzameling uitspraken van Jezus die onderzoekers aanduiden als Q. (Hoe geleerden die uitsprakencollectie reconstrueren, leest u desgewenst hier.) Q bestaat uit vermoedelijk authentieke uitspraken van Jezus, die door Matteüs in toespraken zijn gereorganiseerd. Daarvan is de Bergrede het bekendste voorbeeld, en de scheldredevoering op de farizeeërs een ander.
Het is dus feitelijk de auteur van het Matteüsevangelie die de fiolen van zijn toorn uitgiet over de farizeeën. Niet onbegrijpelijk. Hij schreef nadat de Romeinen de joodse tempel hadden verwoest. De meeste joodse stromingen konden op die ramp geen antwoord formuleren. Alleen de farizeeën, met hun nadruk op wat we nu lernen noemen, en de volgelingen van Jezus, met hun nadruk op de messias, hadden accenten gelegd die hen in staat stelden zonder offercultus verder te gaan. De twee groepen, die in het oude Marcusevangelie bevriend lijken, concurreerden in Matteüs’ tijd om als enigen de erfenis van het oudere Tempeljodendom te mogen beheren.
In die context componeerde Matteüs een scheldredevoering. Algemene verwijten aan schriftgeleerden veranderden daarin in verwijten aan de concurrentie. Zo werden de farizeeën, die de brug vormen tussen het Tempeljodendom en het huidige rabbijnse jodendom, ineens schijnheiligen, huichelaars en mensen die achter elke komma uitleg willen geven.
Tot slot
Minister Donner kreeg een rabbijnse reprimande, maakte excuus en heeft de voorouders van het huidige jodendom nooit meer negatief getypeerd. Hoe minder we zeggen over het spotliedje uit de Tweede Wereldoorlog, hoe beter. Het is al verontrustend genoeg dat de auteur denkt NSB-ers te kunnen uitschelden door ze uit te maken voor joden. Maar het zou de woordenboekmakers van Van Dale sieren als ze het lemma “farizeeër” voorzagen van “(scheldwoord)”.
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]
#EvangelieVanMarcus #EvangelieVanMatteüs #farizeeën #NSB #PietHeinDonner #scheldwoord #schriftgeleerde #VanDale
