Het Mishna-traktaat Aboth

Menora’s (Archeologisch museum van Korinthe)

Na de val van Jeruzalem, in 70 na Chr., hadden de joden geen tempel meer en geen hogepriester. Zonder allerhoogste autoriteit moesten ze hun geloof opnieuw uitvinden. Als de sadduceeën, zoals je vroeger weleens las, vooral behoorden tot het meer welvarende deel van het Joodse volk, waren ze ten onder gegaan door de plunderingen tijdens de Joodse Oorlog. Van de mensen die de Dode Zee-rollen schreven (misschien de essenen) horen we niets meer. De sicariërs en de zeloten waren gesneuveld.

Nieuw leiderschap

Slechts twee groepen overleefden: enerzijds de farizeeën, anderzijds de volgelingen van Jezus. Uit die laatste groep is het christendom voortgekomen, met een kader van priesters, diakenen en bisschoppen. (Er waren aanvankelijk ook apostelen en christelijke profeten, maar die verdwijnen al snel uit zicht.) De christenen raakten van de andere joden gescheiden door de door de keizer geëiste Fiscus Judaicus, een maatregel die niet alle monotheïsten trof op dezelfde manier.

De andere joodse groep, de farizeeën dus, bleef bestaan en zette het onderwijs voort, vermoedelijk in het netwerk van synagogen dat er al was. Maar het onderricht werd nu gesystematiseerd. “Rabbi”, een informele titel voor een leraar, werd nu voor het eerst een officiële functie, en het is niet uitgesloten dat de Romeinse overheid enig toezicht had op het curriculum. Ik kan me voorstellen dat een Joods-Romeinse insider als Tiberius Julius Alexander iets heeft gezegd als “als het even kan géén les in messianologie, en houd de Makkabeeënboeken liever buiten het pensum”. In elk geval: zo ontstond een rabbijns jodendom.

We kennen uit deze tijd diverse leiders, zoals Jochanan ben Zakkai, Gamaliël II (kleinzoon van de Gamaliël I bij wie Paulus in de leer was geweest), rabbi Eliëzer de Grote en rabbi Aqiba. Latere bronnen documenteren hun opinies, maar het is niet altijd mogelijk vast te stellen hoe correct die zijn weergegeven. Er is aantoonbaar gerommeld met bijvoorbeeld Aqiba’s opvattingen over Bar Kochba, die leiding gaf aan de messiaanse opstand die in 132 uitbrak. Je kunt niet zomaar een anekdote uit de Babylonische Talmoed (vermoedelijk samengesteld in het Kalifaat, dus na 640) gebruiken om de mening van een geleerde uit de tweede eeuw te reconstrueren.

Mondelinge tradities

Het helpt natuurlijk niet dat de commentaren voor een deel mondeling werden doorgegeven, al staat vast dat er minimaal vanaf Aqiba een geschreven corpus was waarin de rabbijnse discussies en meningen waren vastgelegd. Rond 200 verzamelde rabbijn Yehuda ha-Nasi alle mondelinge overleveringen in de Mishna, het eerste boek van rabbijnse wijsheid. Eén traktaat staat bekend als Aboth, “vaders”. Hier is het begin.

Mozes ontving de Wet op de Sinaï en gaf deze door aan Jozua, Jozua aan de oudsten, de oudsten aan de profeten en de profeten aan de mannen van de Grote Vergadering. Zij zeiden drie dingen: “Wees geduldig bij de rechtspraak”, “leid veel leerlingen op” en “bouw een omheining rond de Wet”.

Deze drie uitspraken zijn zogeheten maximen: slagzinnen die uit het hoofd geleerd konden worden. Dit was in de Oudheid, toen veel kennis mondeling werd doorgegeven, een normale didactische vorm. Ik heb weleens verteld over de epikureeër Diogenes van Oinoanda, die een compleet filosofisch traktaat in steen liet houwen en er voor de halfgeletterden maximen aan toevoegde, opdat ook zij gelukkig konden worden.

De weergave van de bovenstaande passage door Leo Mock en Marcel Poorthuis is poëtischer en interpretatiever, omdat zij met hun vertaling Spreuken over de fundamenten (2009) wilden tonen dat wat hier staat, geen specifiek joodse leer is. Wijsheid is immers het collectief bezit van de hele mensheid.

De Ziener ontving Wijsheid op de dorre berg,
en gaf haar door aan zijn geliefde leerling,
en de geliefde leerling aan de Ouderen,
en de Ouderen aan de Profeten,
en de Profeten gaven haar door
aan de Mensen van de Grote Vergadering.

Zij zeiden drie dingen:

Wees voorzichtig met oordelen,
want de werkelijkheid is vaak anders dan het lijkt.

En breng veel leerlingen op de been,
want zij zijn dragers van de Wijsheid.

En maak een heg om de Wijsheid,
want alles van waarde is weerloos.

Het traktaat vervolgt met een reeks leraren. De eerste is Simon, de hogepriester die er rond 200 v.Chr. voor zorgde dat Jeruzalem van het Ptolemaïsche naar het Seleukidische Rijk overging.

Simon de Rechtvaardige was een van de laatste mannen van de Grote Vergadering. Hij placht te zeggen: de wereld rust op drie dingen: de Wet, de tempeldienst en het beoefenen van vrome daden.

Antigonos van Socho ontving [de mondelinge overlevering] van Simon de Rechtvaardige. Hij placht te zeggen: wees niet als dienaren die de meester dienen in de verwachting van een beloning, maar wees als dienaren die de meester dienen zonder de verwachting van een beloning, en laat de vrees voor de hemel op u rusten.

Hierna volgen vier paren wijsheidsleraren met enkele aan hen toegeschreven maximen. Steeds wordt de bevoegdheid de Wet uit te leggen aan hen overgedragen. Met die vier generaties zijn we aanbeland in de tijd van koning Herodes, toen Hillel en Shammai leefden, de leiders van twee farizese scholen.

Hillel en Shammai ontvingen van hen. Hillel placht te zeggen: “wees een volgeling van Aäron, houd van vrede en streef naar vrede, houd van de mensheid en breng hen dichter bij de Wet”. … Shammai placht te zeggen: “maak van je studie van de Wet een vaste gewoonte”, “spreek weinig, maar doe veel” en “ontvang alle mensen met een vriendelijk gelaat”.

Daarop volgen de eerste-eeuwse leraren Gamaliël I, Simeon ben Gamaliël (“ik ben opgegroeid onder de wijzen, en heb niets beters voor een mens gevonden dan stilte”) en Gamaliël II. Dat is het eerste hoofdstuk. Er volgen nog meer hoofdstukken vol citeerbare maximen, maar dat zal ik niet doen. U heeft inmiddels een beeld.

Legitimatie

En u begrijpt wat dit feitelijk is: de leerlingen van Gamaliël II legden met deze stamboom van de wijsheid, joods of universeel, een claim op het leergezag. Aboth is te lezen als universele wijsheid, maar vormt ook de legitimatie van het rabbinaat.

#Aboth #AntigonosVanSocho #Aqiba #BarKochba #farizeeën #FiscusJudaicus #GamaliëlI #GamaliëlII #Hillel #JochananBenZakkai #LeoMock #MarcelPoorthuis #Mishna #RabbiEliëzer #rabbijnsJodendom #Shammai #SimeonBenGamaliël #SimonDeRechtvaardige #TiberiusJuliusAlexander #YehudaHaNasi

Berenike

Inscriptie van Berenike en Agrippa II uit Beiroet (klik=groot)

De Joodse prinses Berenike maakt in het Nieuwe Testament één keer haar opwachting en dat leidt tot zegge en schrijve drie vermeldingen. Dat is niet veel, maar we vangen desondanks een glimp op van een van de meest fenomenale vrouwen uit Romeinse geschiedenis. Ze was de dochter van de Joodse koning Herodes Agrippa I (r.37-44) en de zus van koning Herodes Agrippa II (r.43-100). Hier zijn de drie vermeldingen.

Paulus

Koning Agrippa en Berenike kwamen naar Caesarea om bij Festus hun opwachting te maken. Tijdens hun verblijf, dat verscheidene dagen duurde, sprak Festus met de koning over de rechtszaak tegen Paulus.noot Handelingen 25.13-14; NBV21.

Die rechtszaak was al oud. Paulus was voorgeleid bij de vorige gouverneur, Felix, die de zaak had aangehouden en overgedragen aan zijn opvolger. Ik blogde er al eens over. Festus wilde de kwestie nu oplossen met de hoogste Joodse gezagdragers.

De volgende dag verschenen Agrippa en Berenike in vol ornaat. Samen met de legeraanvoerders en de voornaamste inwoners van de stad betraden ze de ontvangstzaal, waarna Paulus op bevel van Festus werd voorgeleid.noot Handelingen 25.23; NBV21.

We lezen hoe Festus uitlegt dat hij niet weet wat hij met de zaak aan moet en we lezen Paulus’ verdedigingsrede. Daarna stond koning Agrippa op,

evenals de procurator en Berenike en de anderen die de zitting hadden bijgewoond. Ze trokken zich terug en overlegden met elkaar.noot Handelingen 26.30-31a; NBV21.

Paulus wordt hierna feitelijk vrijgesproken, maar dat is waarom ik hierover blog. Het oordeel wordt dus gevormd door een Romeinse gouverneur, een Joodse koning, wat andere aanwezigen en Berenike. Het stond een gouverneur vrij van iedereen advies te vragen, maar dat er een vrouw bij aanwezig is, illustreert dat Berenike iemand was om rekening mee te houden. En dat was niet voor niets.

Driemaal getrouwd

Als je vader koning was en als je broer koning zou worden, wachtte je een prinsessenhuwelijk. En inderdaad: Berenike, dertien jaar oud, trouwde in 41 na Chr. met het hoofd van de Joodse gemeenschap in Alexandrië, Marcus Julius Alexander (een neef van de filosoof Filon van Alexandrië).noot Josephus, Joodse Oudheden 19.276-277.

Na de dood van haar echtgenoot trouwde Berenike voor de tweede keer, nu met een oom, koning Herodes van Chalkis, die heerste over de Bekaavallei. Ze lijkt een rol te hebben gespeeld bij de promotie van Tiberius Julius Alexander, de broer van haar eerste echtgenoot, tot gouverneur van Judea. Van Herodes had ze twee zonen, over wie we verder weinig weten.noot Josephus, Joodse Oudheden 19.277, 20.104.

Na Herodes’ dood in 48 droeg keizer Claudius diens koninkrijk over aan Agrippa. Berenike, koningin van Chalkis en op twintigjarige leeftijd tweemaal weduwe, verhuisde nu naar het hof van haar broer. Haar rang als koningin zal een deel van de verklaring zijn voor haar invloed.

Wat ook een rol gespeeld zal hebben, was de zichtbare genegenheid tussen haar en haar broer. Bovenstaande inscriptie uit Beiroet, EDCS-15300229, noemt de twee in één adem. (Om precies te zijn: ze noemt koningin Berenike vóór koning Agrippa.) De Babylonische Talmoed bewaart een onschuldige herinnering aan een discussie die de twee voerden over de kwaliteiten van geiten- en schaapsvlees.noot Babylonische Talmoed, Pesahim 57a. Er gingen echter ook geruchten over een incestueuze relatie; de Romeinse dichter Juvenalis verwijst ernaar.noot Juvenalis, Satiren 6.155-158.

Een derde huwelijk volgde – volgens de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus om de geruchten te bezweren.noot Josephus, Joodse Oudheden 20.145-146. Haar echtgenoot was koning Polemon van Cilicië, maar dit huwelijk eindigde al snel in een echtscheiding. Omdat ze terugkeerde naar het hof van Agrippa II kregen de geruchten weer een nieuw leven. Wat de lezers van de Handelingen van die geruchten hebben gedacht, zullen we wel nooit weten, maar ze zullen hebben geweten dat de twee onafscheidelijk waren. Vandaar dat de auteur van de Handelingen bekend kan veronderstellen wie Berenike was.

Titus

In 66, zes jaar na de besprekingen over Paulus, brak de Joodse Opstand uit. Agrippa was de loyale bondgenoot van de Romeinse generaal Vespasianus. In deze tijd ontmoette Berenike Vespasianus’ zoon Titus, met wie ze een relatie begon. Hoewel de Romeinen niet onbekend waren met de situatie in het Nabije Oosten, was een lokale adviseur natuurlijk welkom: Berenikes rol zal niet zo groot zijn geweest als die van een Barsine of een Doña Marina, maar ze moet haar geliefde zo nu en dan suggesties hebben gedaan.

Na de vernietiging van de Tempel in 70 ging ze met Titus mee naar Rome. De Romein schijnt een huwelijk overwogen te hebben, maar toen hij in 79 zelf keizer werd, stuurde hij haar naar huis. Invitus invitam, schrijft Suetonius, “tegen zijn zin, tegen haar zin”.noot Suetonius, Titus 7.2.

Ze zal zijn teruggekeerd naar het hof van haar broer, maar haar verdere lot is onbekend, al zal ze invloed op Agrippa hebben gehouden. We zien echter ook een andere werkelijkheid: een vrouw kon alleen formidabel worden dankzij haar vader, haar broer en haar echtgenoot. Uiteindelijk was de Romeinse wereld een mannenwereld.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

#BabylonischeTalmoed #Berenike #CaesareaMaritima #Claudius #FilonVanAlexandrië #FlaviusJosephus #HandelingenVanDeApostelen #HerodesAgrippaI #HerodesAgrippaII #HerodesVanChalkis #MarcusAntoniusFelix #MarcusJuliusAlexander #NieuweTestament #Paulus #PolemonVanCilicië #PorciusFestus #Suetonius #TiberiusJuliusAlexander #Titus #Vespasianus