Voor-westerse geschiedenis (9) visserij

Vissers bij Basra

Jaren, jaren geleden ben ik eens met drie Griekse vissers, broers, de zee opgegaan om in de vroege ochtend de netten leeg te halen. Hoewel het bootje was voorzien van sonar, had het iets tijdloos. Eeuwenlang zijn mensen in kleine scheepjes de Egeïsche Zee opgegaan, eeuwenlang hebben duikers parels gezocht op de bodem van de Rode Zee en de Perzische Golf, eeuwenlang is gevist in de Zwarte Zee. Nog steeds gebruiken vissers werpnetten, fuiken en hengels – ik blogde er anderhalf jaar geleden eens over. Nog steeds is er werk voor scheepsbouwers en nettenmakers. Natuurlijk zijn er ook allerlei zaken veranderd, maar het is makkelijk voorstelbaar dat een moderne en een antieke Griekse visser elkaar zouden begrijpen als ze spraken over de mogelijkheden en problemen van hun vak.

Problemen

Tot de problemen behoorde dat de diverse bekkens van de Middellandse Zee eigenlijk niet zo geschikt zijn voor de visserij. (Had ik al gezegd dat het verkreukelde Middellandse Zee-gebied het de bewoners lastig maakt?) Wat je als visser het liefste hebt, is een ondiepe zee vol plankton, zoals de Doggersbank, maar de voor-westerse wereld kende die niet. Verder wil je stevig wat doorstroming, zodat het water zich ververst, maar dat is eigenlijk alleen aan de Bosporus en bij Bizerte (Hippo Diarrhytus) het geval. Die zijn dan ook beroemd om de visvangst.

Er is in de Middellandse Zee en – nog erger – in de Rode Zee dus nauwelijks watercirculatie. Deze zeeën worden, zoals gezegd in een eerder blogje, zouter en zouter. De vissen zijn daardoor wat kleiner dan in de Atlantische Oceaan en eigenlijk is visserij, hoezeer wij haar ook associëren met de Mediterrane wereld, helemaal niet zo’n grote activiteit. Ik heb de statistieken van de FAO er eens bij genomen en concludeer na enig nattevingerwerk dat alle landen rond de Middellandse Zee in 2022 zo’n 2¾ miljoen ton vis uit de zee haalden, en dat is ruwweg evenveel als Noorwegen.noot Van landen die grenzen aan twee zeeën (Spanje, Turkije en Egypte) heb ik de cijfers gehalveerd. Zoals gezegd: de berekening is maar nattevingerwerk.

Allerlei sooten vis (Archeologisch museum, Sousse)

Allerlei mozaïeken uit de Romeinse tijd tonen de diverse soorten vis die men destijds uit zee haalde: ansjovis, rode mul, sardines, tandbaars, tarbot, tong, wijting, zeebrasem. En natuurlijk de enorme zwaardvis, die echter leeft in de wat diepere wateren en daardoor lastig te vangen is, en die half zo lang kan worden als het vissersbootje. (Ik wou verwijzen naar The Old Man and the Sea, maar ontdek dat de vis waarover Ernest Hemingway het heeft, geen zwaardvis is maar een marlijn. De situatie zal niet veel anders zijn geweest.)

Tonijn

En dan is er de onvermijdelijke tonijn. Het paaien vindt plaats als de temperaturen stijgen, dus in de late lente, en bij voorkeur in halfdiepe wateren, dus onder de kust, en dan met name in de Balearische Zee, de Tyrrheense Zee, de Ionische Zee, en de noordelijke Levantijnse Zee. Zo ontstaat van nature een seizoen dat geschikt is voor de tonijnvangst, en in de vissersdorpen van Andalusië en de Provence deed men eind mei, begin juni de vissers feestelijk uitgeleide.

De techniek – mattanza, van het Arabische al-madraba, “plek om te slaan” – bestond uit het plaatsen van diverse netten op de plek waar de tonijnen migreerden, waarbij de vissen naar steeds kleinere kamers zwommen. Eigenlijk een heel grote fuik. De vissers konden ermee volstaan de dieren met schepnetten uit de laatste kamer te halen en te doden. De Atheense toneeldichter Aischylos beschrijft de zeeslag bij Salamis alsof het tonijnvisserij was: de Perzische schepen voeren in een val en hun ondergang was even onafwendbaar als die van de vissen in de laatste kamer van het stiknet.

De vangst was het grootst in het vroege najaar, als de tonijnen zich vol hadden kunnen eten en terug kwamen zwemmen naar de wateren waar ze de winter wilden doorbrengen. Als de vissers dan eind november het werk neerlegden, waren er dankfeesten ter ere van Sint-Andreas. In de winter was er ander werk – en bedenk dat elke visser ook een tuin had en als dagloner kon werken bij de olijvenpluk.

[Een overzicht van de blogjes in de reeks over de voor-westerse geschiedenis is hier.]

#Aischylos #Andreas #ansjovis #AtlantischeOceaan #BalearischeZee #Bizerte #Bosporus #EgeïscheZee #ErnestHemingway #HippoDiarrhytus #IonischeZee #LevantijnseZee #MiddellandseZee #NabijeOosten #PerzischeGolf #RodeZee #sardine #tonijn #TyrrheenseZee #visserij #voorWesterseGeschiedenis #zeeslagBijSalamis #zwaardvis #ZwarteZee

Voor-westerse geschiedenis (8) de zeeën

Straat van Gibraltar

Oké, daar gaat ’ie. Dit blogje gaat over de Adriatische Zee, de Alboránzee, de Balearische Zee, de Egeïsche Zee, de Ikarische Zee, de Ionische Zee, de Kretenzische Zee, de Levantijnse Zee, de Libische Zee, de Ligurische Zee, de Myrtoïsche Zee, de Sardijnse Zee, de Thracische Zee, de Tyrrheense Zee en de Zee van Marmara. En verder gaat het over de Atlantische Oceaan, het Aralmeer, de Indische Oceaan, de Kaspische Zee, de Noordzee, de Oostzee, de Perzische Golf, de Rode Zee en de Zwarte Zee. Alles bij elkaar vierentwintig zoute watervlakten.

Wij noemen de eerste vijftien samen de Middellandse Zee, maar al die wateren hebben andere eigenschappen. Dat krijg je ervan als je zo’n verfrommeld landschap hebt. Dat de Romeinen spraken van Mare Nostrum, “onze zee” in enkelvoud, was een weinig subtiele manier om te zeggen dat ze vele volken en landen hadden overwonnen.

Behalve dat ze eigenlijk een samenstel van zeeën is, is er nog een ander opmerkelijk aspect aan de Middellandse Zee. Ze is eigenlijk behoorlijk geïsoleerd, waardoor de verschillen tussen eb en vloed heel gering zijn. Bovendien verliest ze zoveel water door verdamping dat ze eigenlijk elk jaar een halve meter lager zou moeten komen staan als ze niet werd bijgevuld met rivierwater (vooral de Nijl), en het water dat binnenstroomt door de Straat van Gibraltar. Dat is al met al genoeg om de Middellandse Zeeën (meervoud) op peil te houden, maar de zee wordt door de verdamping, die slechts ten dele door zoet water wordt gecompenseerd, wel steeds zouter.

Scheepsmodel uit Amathous (Cyprusmuseum, Nicosia)

Snelheden

En laten we duidelijk zijn: die Middellandse Zeeën waren groot. De vloot waarmee de Fransen in 1830 Algiers aanvielen, voer af op 25 mei en bereikte de Algerijnse kust op 12 juni. De schepen hadden het voordeel van een late mistral maar moesten onderweg pauzeren op de Balearen. Een reis als deze zal representatief zijn voor de tijd waarin zeevaart vooral werd bedreven met zeilschepen. Dat geldt ook voor de vermelding van een schip dat er twee maanden over deed om van Cádiz naar Constantinopel te varen. Een motorjacht doet dat tegenwoordig in een kwart van de tijd.

Maar dat waren normale reizen. Wat als er haast was? De Britse oudhistoricus Richard Duncan-Jones heeft eens vergeleken wanneer een belangrijke gebeurtenis zoals de dood van een keizer, die normaal gesproken overleed in Italië, bekend was in Egypte. Anders gezegd: hoeveel tijd verstreek er tussen ’s mans dood en het moment waarop de dateringen op Egyptische brieven werden aangepast? Duncan-Jones’ onderzoekje toonde aan dat de snelheid in de winter dramatisch afnam: keizer Nerva overleed op 18 september 96 en het nieuws was in Egypte pas na 134 dagen bekend op 30 januari 97. Daarentegen was het overleden van Hadrianus op 8 augustus 117, dus in de zomer, al na zeventien dagen bekend.

Dit is de cijfermatige onderbouwing van wat we ook uit de bronnen weten, namelijk dat de Middellandse Zeeën onbevaarbaar werden geacht in de winter. Een storm op zee was zó voorspelbaar dat het in de Griekse en Latijnse literatuur een cliché werd. In de christelijke volksweerkunde gold dat je tussen de feestdagen van de twee ruiterheiligen Sint-Demetrios en Sint-Joris, dat wil zeggen tussen 8 oktober en 23 april, niet ging varen – en het moge duidelijk zijn dat achter dit tweetal de Grieks-Romeinse Tweelingen schuilgaan, de paardrijdende beschermers van de zeevaart. De Perzische vloten die in 490 en in 480 v.Chr. naar Griekenland kwamen, keerden in oktober terug naar hun bases.

De Tweelingen (Archeologisch Museum, Burdur)

De lastige Middellandse Zeeën

Ondertussen schiep het vaarseizoen wel een probleem, want allerlei producten konden dus niet meer in de zomer worden vervoerd. Als het zout was gewonnen, moest het een winter lang worden opgeslagen vóór het van producent naar consument kon worden gevaren. Idemdito de geplukte olijven, de eerste wijn en de bereide wol. Zoals ik al eerder schreef: weinig gebieden maken het mensen zo lastig en sporen ze méér aan tot het ontwikkelen van werktuigen, gedrag en kennis. Deze situatie bleef bestaan tot de uitvinding van het stoomschip: in 1870 was het mogelijk om in vier dagen van Marseille naar Suez te varen (zie ook onder Fogg, Phileas).

Moeilijk als de zeevaart was, ze was nog altijd verre te verkiezen boven reizen over het land. Het transport van een bepaalde lading over land was zeventien keer zo kostbaar als dat over zee; was er een rivier, dan was het transport zevenmaal zo duur. De voor-westerse cultuur was dus vooral de levenswijze van de havensteden. Ik heb me weleens afgevraagd hoe het moet zijn geweest voor de Griekse zeelieden die de Zwarte Zee bevoeren: een zee zonder eilanden, met alleen havens aan de buitenrand.

Natuurlijk waren er, naast de eilanden en de landstreken langs de zee, ook agrarische gebieden en nomadische regio’s, maar de culturele dynamiek zat eeuwenlang vooral in de havens. Ik rond af met een aan Hemingway toegeschreven uitspraak, die hij weliswaar nooit heeft gedaan maar die de situatie in de voorwesterse wereld mooi samenvat: everything away from the sea is province.

[Een overzicht van deze blogjes in de reeks over de voor-westerse geschiedenis is hier.]

#AdriatischeZee #Alboránzee #Aralmeer #AtlantischeOceaan #BalearischeZee #ebEnVloed #EgeïscheZee #ErnestHemingway #IkarischeZee #IndischeOceaan #IonischeZee #KaspischeZee #KretenzischeZee #LevantijnseZee #LibischeZee #LigurischeZee #MiddellandseZee #MyrtoïscheZee #Nijl #Noordzee #Oostzee #PerzischeGolf #RichardDuncanJones #RodeZee #SardijnseZee #SintDemetrios #SintJoris #storm #StraatVanGibraltar #ThracischeZee #TyrrheenseZee #voorWesterseGeschiedenis #ZeeVanMarmara #zout #ZwarteZee

Garum, de Romeinse vissaus

Garum-kuipen (Lixus)

Het moet verschrikkelijk hebben gestonken, de productie van garum. Het heette in de Late Oudheid ook wel liquamen en was een soort vissaus, die het meest lijkt op de Vietnamese vissaus die u koopt bij de toko. De Romeinen waren er dol op.

Het vermoeden bestaat dat het product is ontstaan aan de Perzische Golf, waar de Babyloniërs al in de achttiende eeuw v.Chr. siqqu produceerden. Ook de Feniciërs kenden het spul, en zij gaven het recept door aan de Karthagers en Griekenland. Het werd populair in Iberië, waar Cartagena een reputatie had hoog te houden voor kwaliteitsproducten. Daarvandaan kwam deze saus naar Italië, waar koks garum in allerlei gerechten verwerkten. Artsen schreven het overigens voor bij zweren, hondenbeten, diarree en buikgriep.

Garum-amfoor uit Neuss

Ook al is het oudste bewijs uit het Nabije Oosten, het meeste bewijs komt uit het westen van het Middellandse Zee-gebied. De enorme kuipen waarin het bruine goedje werd geproduceerd zijn teruggevonden in bijvoorbeeld het Marokkaanse Lixus (hierboven), in het Portugese Cerro da Vila, in het Spaanse Cádiz en Sevilla en in het Algerijnse Tipasa. Niet dat er geheel geen bewijs is uit de Levantijnse Zee: de archeologen die garum-kuipen opgroeven in Ashkelon, vergeleken de vissaus met tomatenketchup, wat ik nog altijd niet begrijp.

De productiekuipen waren meestal zo’n drie meter lang, ruim anderhalve meter breed en ruim twee meter diep, en daarin liet men dan wekenlang de vis rotten. Tien kubieke meter stinkende smurrie dus, na drie maanden goed voor 3000 amforen hartige saus en een flinke hoeveelheid bezinksel. Dat heette allec of hallex.

Garum-kuip in Cádiz

We hebben verschillende antieke teksten over garum, waarin we lezen dat de makers één deel pekel (water dat volledig met zout is verzadigd) toevoegden aan zeven keer zo veel vis, waarbij sprot en sardine de voorkeur hadden. En natuurlijk ook de ansjovis, waaraan het goedje zijn naam dankt: γάρος is het Griekse woord voor ansjovis. Dat zijn allemaal vrij kleine vissen, met dunne graten, die snel vergaan. Evengoed werden ze nog vermalen. Ook makreel, paling en de in de Mediterrane wateren overvloedig aanwezige tonijn waren bruikbaar, maar het fermenteren nam bij die ingrediënten meer tijd in beslag. Er waren varianten met kruiden (rozemarijn, koriander, oregano), met olijfolie en met wijn.

Visresten uit Sevilla

In onder andere Sevilla zijn garum-kuipen gevonden die buiten gebruik raakten zonder geheel te zijn geleegd. Op de bodem lagen nog de graten, die zich leenden voor onderzoek in een laboratorium. Omdat visgraten zich laten determineren, konden archeologen vaststellen dat de in de vorige alinea genoemde, uit geschreven bronnen bekende vissoorten inderdaad werden gebruikt. Het onderzoek in Sevilla is niet uniek. Vorig jaar werd het echter opnieuw bevestigd, maar dit keer waren de resultaten niet gebaseerd op het determineren van de graten, maar op onderzoek van het DNA. Dat is wel heel knap, want het betekent dat DNA is gewonnen uit dierlijke resten die eerst waren vermalen en vervolgens enkele eeuwen hadden gelegen in een zuur milieu.

Ik heb vaker geschreven dat de post-Romeinse staten van de Visigoten (het Rijk van Toledo), de Ostrogoten, de Vandalen en de Merovingische Franken geen nieuwvormingen waren, maar voortzettingen van het late Romeinse Rijk. En dat is ook in culinaire zin het geval, want garum staat nog vermeld in een oorkonde van de zevende-eeuwse Merovingische koning Chlotharius III.

#Andalusië #ansjovis #ChlothariusIII #DNAOnderzoek #garum #LevantijnseZee #makreel #paling #sardine #sprot #tonijn